id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240104.1N.3 Rolnummer: C.23.0059.N Zaak: I. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2024-04-12 Raadplegingen: 416 - laatst gezien 2026-06-18 22:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.3 Fiches 1 - 2 De schuldenaar aan wie akte wordt verleend van zijn vrijwillige tussenkomst in de rechtspleging van faillietverklaring op aangifte, kan hoger beroep instellen tegen de beslissing die de faillietverklaring afwijst, ongeacht of zijn tussenkomst al dan niet ontvankelijk is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - RECHTSPLEGING HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Tekst van de conclusie C.22.0059.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (...) Bespreking. Enig middel. Eerste onderdeel. 3 De vraag rijst naar de toelaatbaarheid van het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van 30 juni 2022. Uit de voorbereidende werken van de Faillissementswet blijkt dat de regels van het Gerechtelijk Wetboek inzake verzet, derdenverzet en hoger beroep toepasselijk zijn (behalve wat de termijn betreft)
(1), dit wil zeggen dat het rechtsmiddel van het hoger beroep enkel openstaat voor diegene die partij was in het rechtsgeding in eerste aanleg. Derhalve moet worden onderzocht of door de aangifte van staking van betaling een rechtsgeding werd geopend waarbij eiseres partij was. Met toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek wordt een rechtsgeding geopend door een vordering. Deze kan worden ingesteld bij dagvaarding, gezamenlijk verzoekschrift tot vrijwillige verschijning, bij eenzijdig verzoekschrift of verzoekschrift op tegenspraak. Eiseres betwist niet dat een aangifte van staking van betaling niet te beschouwen is als een dagvaarding of een verzoek(schrift) in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, maar is de mening toegedaan dat de artikelen XX.100 en XX.102 WER afwijken van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek op het vlak van de wijze waarop een faillissementsvordering kan worden ingeleid, met name hetzij door een dagvaarding, hetzij door een aangifte van staking van betaling. Door die aangifte van staking van betaling wordt, volgens eiseres, een faillissementsvordering ingesteld en aldus een rechtsgeding geopend waarbij eiseres partij is
(2). De meerderheid van de doctrine is van oordeel dat door de aangifte van staking van betaling de gefailleerde geen partij wordt bij de rechtspleging van faillietverklaring, zodat hij het vonnis slechts kan aanvechten middels het rechtsmiddel van derdenverzet
(3). De redenen hiervoor zijn de volgende: - Artikel XX.101 WER maakt een duidelijk onderscheid tussen enerzijds de “aangifte” en anderzijds de “vordering tot faillietverklaring”. Uit het WER kan aldus niet zonder meer worden afgeleid dat de faillissementsvordering kan worden ingeleid door een aangifte van staking van betaling. - Een aangifte is géén vordering tot faillietverklaring. Het is een wettelijke verplichting (artikel XX.102 WER), waarvan de niet-nakoming op basis van de strafwet tot sancties kan leiden. Het is aan de rechtbank om vervolgens op basis hiervan te oordelen of de wettelijke faillissementsvoorwaarden vervuld zijn
(4). - Artikel XX.100, eerste lid WER bepaalt dat een zaak aanhangig kan worden gemaakt op aangifte. Hieruit wordt soms afgeleid dat de aangifte een akte van rechtsingang betreft
(5). De wetgever bepaalt echter niet dat een rechtsgeding of vordering kan worden ingeleid op aangifte. Het aanhangig maken van een zaak is veel ruimer dan het inleiden van een rechtsgeding of een vordering. De schuldenaar legt zijn financiële situatie ter beoordeling voor aan de rechtbank. Het gaat om een wettelijke verplichting voor de schuldenaar. Deze aangifte opent een portaal waarbinnen faillietverklaring kan geschieden. - Een aangifte van staking van betaling opent een door de wet gecreëerde mogelijkheid dat een faillietverklaring zal volgen én verplicht de rechtbank hierover uitspraak te doen in een vonnis. Dit is een rechtspleging in de zin van art. 2 Gerechtelijk Wetboek, maar geen rechtsgeding in de zin van artikel 12 Gerechtelijk Wetboek
(6). - De wetgever heeft met de aangifte van staking van betaling steeds een objectieve informatievergaring beoogd (artikel XX.103 WER), maar niet het openen van een rechtsgeding waarbij een aangever/schuldenaar allerlei middelen kan aanvoeren ter staving van een vordering of een verweer (het vooraf horen van een aangever/schuldenaar is overigens niet verplicht en zelfs niet voorgeschreven in de wet) of waarbij een schuldeiser een verzoekschrift tot tussenkomst kan neerleggen, wat zou betekenen dat een vordering tot faillietverklaring de facto wordt ingesteld bij verzoekschrift, terwijl de insolventiewetgeving duidelijk bepaalt dat een vordering in faillissement enkel kan worden ingeleid bij dagvaarding
(7). - Aannemen dat een aangever/schuldenaar partij wordt in het vonnis dat oordeelt over de aangifte van staking van betaling, druist ook in tegen het beginsel van dubbele aanleg. De faillissementsrechter mag in zijn vonnis immers ambtshalve ook meteen de datum van staking van betaling terugstellen tot zes maanden vóór de effectieve datum van faillietverklaring (artikel XX.105 WER), zonder dat de aangever/schuldenaar dat misschien had zien aankomen. De rechter moet de terugstelling weliswaar motiveren, maar moet hierover de aangever/schuldenaar niet vooraf horen. Aldus aannemen dat de aangever/schuldenaar procespartij is in het vonnis van faillietverklaring op aangifte, betekent dat hij – zonder dat hij verweer kon voeren over de in aanmerking genomen datum van staking van betaling – zich maar meteen tot de appelrechter moet wenden om de bepaalde peildatum te doen wijzigen en dat hij een aanleg verliest
(8). - De omstandigheid dat de schuldenaar die een aangifte van staking van betaling neerlegt, wordt opgeroepen om te worden gehoord over de aangifte is geen argument om te stellen dat er sprake is van een rechtsgeding waarbij de aangever/schuldenaar partij is geworden. In afwijking van artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek (op grond waarvan ieder die “niet behoorlijk is opgeroepen” of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, derdenverzet kan doen) bepaalt artikel XX.108 WER immers dat derdenverzet kan worden gedaan door “de belanghebbenden die daarbij geen partij zijn geweest” waaronder ook de opgeroepen gefailleerde kan worden begrepen. Voor de beoordeling van de procesrechtelijke situatie is het in beginsel niet relevant te weten of de aangever/schuldenaar vooraf werd gehoord of behoorlijk werd opgeroepen om te worden gehoord. Bovendien is de oproeping na de aangifte geen wettelijke verplichting. Zulke oproeping gebeurt ter controle van de identiteit of als de rechter nood heeft aan toelichting om te kunnen oordelen over de vervulling van de faillissementsvoorwaarden
(9). Tenzij de wet anders bepaalt, kan uit de loutere omstandigheid dat iemand wordt gehoord of uitleg heeft verstrekt aan de rechtbank en zijn middelen heeft aangevoerd, niet worden afgeleid dat hij partij in het geding is geworden
(10). Dit is vaststaande cassatierechtspraak
(11). Aannemen dat het louter oproepen om gehoord te worden zonder wettelijke grondslag, iemand tot partij kan maken, zou betekenen dat een rechtbank ambtshalve kan beslissen wie er partij in een geding wordt en wie niet, wat in strijd zou zijn met artikel 811 Gerechtelijk Wetboek
(12). - Het Hof heeft (weliswaar in het kader van de afgeschafte ambtshalve faillietverklaring) bevestigd dat een gefailleerde geen partij is in zijn vonnis tot faillietverklaring en dat hij tegen dat vonnis het rechtsmiddel van derdenverzet kan instellen, maar niet het rechtsmiddel van hoger beroep
(13). - Ook uit de voorbereidende werken van artikel 13 Faillissementswet (thans artikel XX.106 WER) blijkt dat de gefailleerde niet noodzakelijk partij is in het vonnis: “Teneinde de rechten van de gefailleerde te vrijwaren, moet het exploot de tekst van de artikelen 12 (thans artikel XX.107 WER) en 13 (thans artikel XX.108 WER) die de rechtsmiddelen die ter beschikking staan van de gefailleerde vermelden”
(14). Het gaat daarbij zowel om het hoger beroep, het verzet als het derdenverzet. Dat het rechtsmiddel van het derdenverzet ter beschikking staat van de gefailleerde veronderstelt dat de mogelijkheid bestaat dat hij geen partij is in het vonnis, en vermits de faillietverklaring geschiedt hetzij op dagvaarding (in welk geval de gefailleerde wel partij is en hem dus het rechtsmiddel van hoger beroep of verzet ter beschikking staat) hetzij op aangifte, lijkt dit te veronderstellen dat de wetgever ervan uitgaat dat de gefailleerde geen partij is indien de faillietverklaring geschiedt op aangifte. - Artikel XX.100, derde lid WER bepaalt dat een aangever/schuldenaar zijn onbeperkt aansprakelijke vennoten moet betrekken in de zaak. Hieruit wordt soms afgeleid dat de aangever/schuldenaar partij is in de zaak. Immers, hoe kan een vof of maatschap – die aangifte van faling doet – haar vennoten in de zaak betrekken zonder zelf partij te zijn
(15)? Met het “betrekken” van de onbeperkt aansprakelijke vennoten wordt door de wetgever echter bedoeld dat de vennoten voorafgaandelijk aan de aangifte hiervan op de hoogte moeten worden gebracht. Dat kan afgeleid worden uit o.a. artikel XX.103, 7° WER waarin wordt opgelegd dat de aangever/schuldenaar het bewijs dat de vennoten op de hoogte werden gebracht, moet voegen bij zijn aangifte van staking van betaling
(16). - De stelling dat de wetgever sinds de invoering van de Reparatiewet van 4 september 2002 het derdenverzet voor de gefailleerde heeft willen uitsluiten doorheen het volledige faillissementscontentieux en dat sindsdien de koopman die aangifte doet van zijn staking van betaling, geacht moet worden procespartij te zijn
(17), kan niet worden gevolgd. De Reparatiewet van 2002 heeft immers niets te maken met de aangifte van staking van betaling. De Reparatiewet heeft o.a. de toenmalige artikelen 73 en 80 Faillissementswet gewijzigd in die zin dat de gefailleerde – die na daartoe bij gerechtsbrief te zijn opgeroepen in de raadkamer wordt gehoord – geen derdenverzet meer kan aantekenen tegen een ongunstige beslissing, maar enkel hoger beroep. Hieruit kon dan worden afgeleid dat de gefailleerde wel partij was in het geding betreffende de verschoonbaarheid, maar uit deze wetswijziging ook afleiden dat de wetgever het derdenverzet voor de gefailleerde meteen wilde uitsluiten en dat de gefailleerde altijd als procespartij in het volledige faillissementscontentieux moet worden beschouwd, is te kort door de (verkeerde) bocht. Deze wetswijziging toont net aan dat de wetgever zeer goed begrijpt dat in een afwijkende bepaling moet worden voorzien, wil het Gerechtelijk Wetboek opzijgeschoven worden. De wil van de wetgever bestond er louter in dat de gefailleerde voorafgaandelijk aan de beslissing inzake verschoonbaarheid ‘zijn opmerkingen betreffende zijn verschoonbaarheid [kon] voorleggen’
(18). Door verder te bepalen dat de gefailleerde enkel hoger beroep kan instellen tegen de niet-verschoonbaarheidsverklaring, heeft de wetgever willen vermijden dat de gefailleerde in geval van derdenverzet alle schuldeisers overeenkomstig artikel 1125 Gerechtelijk Wetboek zou moeten dagvaarden, waartoe hij wellicht de financiën niet zou hebben
(19). De wil van de wetgever moet niet (extensief) geïnterpreteerd worden wanneer in de memorie van toelichting letterlijk de enige doelstelling is omschreven: “De enige doelstelling van het ontwerp bestaat erin aan de gefailleerde de mogelijkheid te bieden door de rechtbank te worden gehoord vooraleer een beslissing omtrent de verschoonbaarheid wordt genomen”
(20). De wetgever achtte het “wenselijk dat het recht voor de gefailleerde om door de rechtbank terzake te worden gehoord in de wet wordt bekrachtigd”. In plaats van erin te voorzien dat de beslissing na afloop van de procedure na vereffening wordt gewezen in afwezigheid van de gefailleerde maar dat deze laatste achteraf derdenverzet kan doen, is het dan ook “logischer te bepalen dat de gefailleerde wordt opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen teneinde te worden gehoord vooraleer een beslissing omtrent de verschoonbaarheid wordt genomen”. Als gevolg hiervan is derdenverzet niet langer mogelijk voor de gefailleerde
(21). De wetgever heeft het concept en de gevolgen van de aangifte van staking van betaling niet willen wijzigen
(22). De wetgever voorziet inzake de aangifte van staking van betaling niet in een verplichte oproeping, noch dat de gefailleerde ingevolge die oproeping partij wordt bij het vonnis van (weigering van) faillietverklaring, zodat de ‘logische’ beslissing van de wetgever om het derdenverzet tegen de beslissing omtrent de verschoonbaarheid niet langer open te stellen voor de gefailleerde niet bij analogie kan worden toegepast bij de aangifte van staking van betaling. - Het argument dat het derdenverzet weinig nut heeft of tijdrovend is om de enkele reden dat dezelfde rechtbank moet oordelen over dezelfde casus
(23), kan evenmin overtuigen. Dat is nu eenmaal eigen aan elk derdenverzet
(24). Die meerderheidsstrekking dient mijns inziens te worden gevolgd. Uit de tekst van de wet blijkt niet dat door de aangifte een vordering tot faillietverklaring wordt ingesteld die een rechtsgeding opent en waarbij de schuldenaar partij is. De tekst van de wet maakt een duidelijk onderscheid tussen de aangifte enerzijds en de vordering tot faillietverklaring anderzijds (zie bijvoorbeeld artikel XX.101 WER “zowel in geval van aangifte als in geval van vordering tot faillietverklaring”). Artikel XX.100 WER bepaalt niet dat de faillietverklaring geschiedt bij vonnis van de insolventierechtbank waarbij de vordering tot faillietverklaring is ingeleid, hetzij door aangifte van de schuldenaar, hetzij door dagvaarding, maar wel dat de faillietverklaring geschiedt bij vonnis van de insolventierechtbank waarbij “de zaak aanhangig is gemaakt”, hetzij op aangifte van de schuldenaar, hetzij op dagvaarding. De schuldenaar moet bij zijn aangifte ook enkel de gegevens voegen vermeld in artikel XX.103 WER. Behoudens wanneer de rechter hem oproept, wat overigens geen verplichting is voor de rechter, kan de schuldenaar zijn standpunt dan ook niet verdedigen voor de rechter. En zelfs wanneer hij wordt opgeroepen of een geschrift neerlegt om zijn middelen naar voor te brengen, verwerft hij daardoor niet de hoedanigheid van partij (artikel XX.4 WER). Het eerste subonderdeel kan mijns inziens dan ook niet worden aangenomen. Een aangifte van staking van betaling kan aldus niet worden beschouwd als een inleidende vordering. Een dergelijke aangifte kan evenmin worden gelijkgesteld met een vrijwillige verschijning in de zin van artikel 706 Gerechtelijk Wetboek. Een aangifte geschiedt niet vrijwillig, noch gezamenlijk. Een aangifte geschiedt elektronisch en wordt dus niet neergelegd ter griffie of per aangetekend schijven aan de griffie gericht. Een aangifte moet niet op straffe van nietigheid worden ondertekend en gedagtekend. Met een aangifte wordt de financiële toestand van de onderneming meegedeeld, maar wordt niet verzocht om de faillietverklaring, zodat er bezwaarlijk sprake kan zijn van een verzoekschrift. Ik meen dat het tweede subonderdeel daarom evenmin kan worden aangenomen. Artikel XX.109 WER bepaalt dat hoger beroep, verzet of derdenverzet tegen het vonnis van faillietverklaring of tegen het vonnis dat de faillietverklaring afwijst, zonder verwijl in staat worden gesteld. Uit deze bepaling kan niet worden afgeleid dat hoger beroep, verzet en derdenverzet voor iedereen openstaat. Daarvoor valt men terug op het gemene procesrecht zodat hoger beroep tegen het vonnis van faillietverklaring of tegen het vonnis dat de faillietverklaring afwijst, enkel openstaat voor diegene die partij was in het rechtsgeding in eerste aanleg. Het derde subonderdeel, dat ervan uitgaat dat artikel XX.109 WER aan eenieder het recht toekent om hoger beroep in te stellen, kan zodoende mijns inziens niet worden aangenomen. Met het vierde subonderdeel voert eiseres aan dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat eiseres “geen (onmiddellijk) hoger beroep kan aantekenen” tegen het vonnis dat haar faillietverklaring afwees, “doch de aan te vechten beslissing (eerst) desgevallend met andere rechtsmiddelen dient te bestrijden”, terwijl het bedoelde rechtsmiddel van derdenverzet niet openstond voor eiseres, gelet op het feit dat zij in de “zaak” was opgeroepen, gehoord en vrijwillig tussengekomen overeenkomstig artikel 813 Gerechtelijk Wetboek, waardoor zij, gelet op artikel XX.4 WER, als betrokken partij bij het tegensprekelijk uitgesproken vonnis, enkel hoger beroep kon instellen tegen die afwijzende beslissing. Een derde kan partij worden in het geding middels het neerleggen van een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst (artikel 15 Gerechtelijk Wetboek). Zoals de appelrechter mijns inziens terecht opmerkt, is daarvoor vereist dat er een rechtsgeding is geopend
(25). Uit het voorgaande is echter gebleken dat door een aangifte van staking van betaling geen rechtsgeding wordt geopend. De eiseres kan dus evenmin door haar tussenkomst partij zijn geworden in een geding dat nog niet is geopend
(26). Het probleem in casu is echter dat de eerste rechter aan eiseres akte heeft verleend van haar vrijwillige tussenkomst, en dus impliciet de vrijwillige tussenkomst ontvankelijk heeft verklaard. In lijn met een arrest van de Franstalige kamer van het Hof zou de gefailleerde aan wie akte is verleend van zijn tussenkomst de hoedanigheid hebben om hoger beroep in te stellen, ook al is de appelrechter van oordeel dat zijn tussenkomst niet ontvankelijk was
(27). Hierover anders oordelen, zou op gespannen voet komen te staan met het recht op toegang tot de rechter. Eiseres mocht er immers op grond van het vonnis van de eerste rechter van uitgaan dat zij de hoedanigheid van partij heeft en aldus hoger beroep kan instellen. Als nu achteraf de appelrechter oordeelt dat die tussenkomst niet ontvankelijk was, zodat eiseres niet de hoedanigheid van partij heeft en het rechtsmiddel van hoger beroep aldus niet openstaat voor haar, maar dat zij het rechtsmiddel van derdenverzet diende in te stellen, waarvoor de termijn wellicht verstreken is, wordt haar een rechtsmiddel – en derhalve de toegang tot de rechter – ontzegd. Ik besluit en adviseer zodoende om te oordelen dat de schuldenaar aan wie akte werd verleend van zijn vrijwillige tussenkomst in de rechtspleging van faillietverklaring op aangifte, ook al is zijn tussenkomst niet ontvankelijk, de hoedanigheid heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing die de faillietverklaring afwijst. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiseres voor de eerste rechter een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst heeft neergelegd en dat de eerste rechter eiseres in het beroepen vonnis akte heeft verleend van haar vrijwillige tussenkomst. De appelrechter die oordeelt dat het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst dat door eiseres is neergelegd niet tot gevolg heeft dat eiseres hierdoor partij is geworden, vermits door de aangifte van de staking van betaling geen rechtsgeding is geopend, en dat de omstandigheid dat de eerste rechter aan eiseres akte heeft verleend van haar vrijwillige tussenkomst hieraan niets wijzigt, verantwoordt mijns inziens zijn beslissing dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, niet naar recht. Ik meen dat het vierde subonderdeel gegrond is. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing. _________________________________
(1)Parl. St. Kamer 1991-92, nr. 631/001, 11.
(2)Zie in diezelfde zin: K. WAGNER, Derdenverzet in APR, Mechelen, Kluwer 2004, 83, nr. 110; G. RENIERS en I. LO GIUDICE, “De rechtbank gaat in verzet”, Limb.Rechtsl. 2019,
(241)247: “Het is toch meer dan logisch dat de schuldenaar waarover geoordeeld wordt in een vonnis (zowel een vonnis waarbij het faillissement wordt uitgesproken als een vonnis waarbij de faillissementsaanvraag wordt afgewezen) enkel hierdoor al partij wordt binnen de procedure. Het is toch deze schuldenaar die de zaak ‘aanhangig’ maakt (cf. art. XX.100 WER) en het is toch over deze schuldenaar dat het oordeel wordt geveld”.
(3)L. FRÉDÉRICQ, Traité de droit commercial belge, VII, Rombaut-Fecheyr, 1949, 103; R. PIRET, “Examen de jurisprudence. Faillites et concordats (1940-1950)”, RCJB 1951,
(57)59 ; J. VAN RYN en J. VAN HEENEN, Principes de droit commercial, IV, Brussel, Bruylant 1965, 222-223, nrs. 2659-2660 ; T. AFSCHRIFT, “La comparution du commerçant déclaré d’office en état de faillite”, JT 1981, 719, nr. 20; F. T’KINT, noot onder Kh. Brussel 8 oktober 1980, JT 1981, 675; P. COPPENS en F. T’KINT, “Examen de jurisprudence. Les faillites et les concordats (1979-1983)”, RCJB 1984,
(413)476-477 ; A. CLOQUET, “Les concordats et la faillite” in Les Novelles. Droit commercial, IV, Brussel, Larcier, 1985, 365, nr. 1220; H. GEINGER, P. COLLE en C. VAN BUGGENHOUT, “Overzicht van rechtspraak. Het Faillissement en het gerechtelijk akkoord (1975-1989)”, TPR 1991,
(407)472: “Aangenomen wordt dat door het doen van zijn aangifte ter griffie van de rechtbank van koophandel de handelaar niet de hoedanigheid van partij verwerft in de rechtspleging van faillietverklaring: […] Derhalve zal het vonnis van faillietverklaring, op aangifte van de handelaar gewezen, zowel door de gefailleerde zelf als door de curator en door elke belanghebbende derde dienen te worden aangevochten bij middel van het bij artikel 473 voorgeschreven verzet, dat eigenlijk een derdenverzet is”; H. GEINGER, C. VAN BUGGENHOUT en C. VAN HEUVERSWYN, “Overzicht van rechtspraak. Het Faillissement en het gerechtelijk akkoord (1990-1995)”, TPR 1996,
(909)956: “Nu aangenomen wordt dat door het aangeven van de toestand van ophouden te betalen de gefailleerde geen partij wordt in de rechtspleging van faillietverklaring, zal het vonnis van faillietverklaring, gewezen op aangifte van de handelaar, behoeven te worden aangevochten zowel door de handelaar als door de curator en door elke belanghebbende door het middel van het in artikel 473 Faill. W. voorgeschreven verzet”; F. T’KINT en W. DERIJCKE, “La Faillite” in Rép. Not., Brussel, Larcier 2006, nrs. 155 en 156: “L’aveu de faillite ne fait pas du commerçant une partie à la cause. […] Le recours du failli sera dès lors une tierce opposition”; H. BOULARBAH en C. MARQUET, Tierce opposition, Brussel, Bruylant 2012, 52, nr. 64 ; M. VANMEENEN, “Actualia faillissementsrecht” in CBR Jaarboek 2012-13, Antwerpen, Intersentia 2013, 309, nr. 26: “Een gefailleerde is enkel partij bij het faillissementsvonnis indien deze hiertoe wordt gedagvaard. Wanneer het faillissement op aangifte van de gefailleerde wordt uitgesproken, is de gefailleerde in beginsel geen partij bij deze beslissing”; J. DE SMET, Ondernemingen in moeilijkheden. Grondige analyse van de faillissementswet en de strafrechtelijke bepalingen, Gent, Story Publishers 2015, 53-54; A. ZENNER, Traité du droit de l’insolvabilité, Limal, Anthemis 2019, 898, nr. 1229; I. VEROUGSTRAETE, Manuel de l’insolvabilité, Mechelen, Kluwer 2019, 761; M. ROELANTS, “De natuurlijke persoon-bestuurder: kwalificatie als onderneming en rechtsmiddelen tegen afwijzing faillissementsaangifte”, TRV-RPS 2020,
(335)339-340; E. DHIEDT, “Derdenverzet door de aangever van faillissement tegen vonnis tot faillietverklaring”, TGR 2020,
(106)107: “Uit bovenstaande volgt dat de aangever van het faillissement op geen enkele wijze de hoedanigheid van partij verworven heeft, zodat hij geen hoger beroep kan aantekenen, maar wel derdenverzet”; V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21, 482-193; P. TAELMAN en S. VOET, “Het faillissementsvonnis en de rechtsmiddelen”, Fare 2022, 7.A.5-19: “VERLAECKT zette recent de puntjes op de i en verdedigde – o.i. terecht – dat een aangever/schuldenaar geen partij is in het vonnis dat oordeelt over de aangifte van staking van betaling en dat enkel derdenverzet hiertegen kan worden aangetekend”.
(4)L. FRÉDÉRICQ, Traité de droit commercial belge, VII, Rombaut-Fecheyre, 1949, 103; R. PIRET, “Examen de jurisprudence. Faillites et concordats (1940-1950)”, RCJB 1951,
(57)59; F. T’KINT, noot onder Kh. Brussel 8 oktober 1980, JT 1981, 675; P. COPPENS en F. T’KINT, “Examen de jurisprudence. Les faillites et les concordats (1979-1983)”, RCJB 1984,
(413)476-477; H. GEINGER, P. COLLE en C. VAN BUGGENHOUT, “Overzicht van rechtspraak. Het Faillissement en het gerechtelijk akkoord (1975-1989)”, TPR 1991,
(407)472; F. T’KINT en W. DERIJCKE, “La Faillite” in Rép. Not., Brussel, Larcier 2006, nrs. 155 en 156; J. DE SMET, Ondernemingen in moeilijkheden. Grondige analyse van de faillissementswet en de strafrechtelijke bepalingen, Gent, Story Publishers 2015, 53-54: “Het is belangrijk op te merken dat de koopman die aangifte doet van staking van betaling conform de verplichting opgelegd door artikel 9 Faill.W. geen partij wordt van het geding en derhalve geen verzet maar wel derdenverzet kan aantekenen. Door de aangifte verklaart de koopman enkel dat hij opgehouden heeft te betalen. De koopman vraagt niet om failliet verklaard te worden en de aangifte is geen gedinginleidende akte”; E. DHIEDT, “Derdenverzet door de aangever van faillissement tegen vonnis tot faillietverklaring”, TGR 2020,
(106)107: “Het feit dat hij aangifte moet doen van het faillissement indien de voorwaarden ervan vervuld zijn, maken hem nog niet tot een procespartij. Dit ligt in lijn met het principe dat degene die aangifte doet van staking van betaling niet verplicht wordt opgeroepen in de procedure. Bovendien betreft de aangifte van het faillissement louter een verklaring dat hij heeft opgehouden te betalen. De aangever vraagt niet om failliet verklaard te worden en de aangifte is geen gedinginleidende akte”; M. ROELANTS, “De natuurlijke persoon-bestuurder: kwalificatie als onderneming en rechtsmiddelen tegen afwijzing faillissementsaangifte”, TRV-RPS 2020,
(335)338: “Algemeen gesproken kan een faillissementsprocedure op twee manieren worden opgestart : ofwel neemt de schuldenaar zelf het initiatief door (elektronisch) aangifte te doen, ofwel neemt een schuldeiser het voortouw door het instellen van een vordering in faillissement via een dagvaarding. Procedureel is er een verschil omdat de aangifte van staking van betaling geen gedinginleidende akte is terwijl de dagvaarding dit uiteraard wel is.”; V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)486-487; P. TAELMAN en S. VOET, “Het faillissementsvonnis en de rechtsmiddelen”, Fare 2022, 7.A.5-19: “[…] moet worden aangenomen dat een aangifte van staking van betaling geen verzoekschrift of vordering is. Een dergelijke aangifte, waarbij de schuldenaar zijn toestand louter aan de beoordeling van de insolventierechtbank onderwerpt, is geen verzoek tot faillietverklaring, het is een (op grond van art. XX.102 WER bepaalde) wettelijke verplichting waarvan de niet-nakoming tot strafsancties kan leiden. Bijgevolg opent een dergelijke aangifte geen rechtsgeding in de zin van artikel 12, tweede lid Ger.W.”.
(5)G. RENIERS en I. LO GIUDICE, “De rechtbank gaat in verzet”, Limb.Rechtsl. 2019,
(241)245-246.
(6)H. GEINGER, P. COLLE en C. VAN BUGGENHOUT, “Overzicht van rechtspraak. Het Faillissement en het gerechtelijk akkoord (1975-1989)”, TPR 1991,
(407)472; V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)488-489; P. TAELMAN en S. VOET, “Het faillissementsvonnis en de rechtsmiddelen”, Fare 2022, 7.A.5-19.
(7)V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)486 en 492.
(8)V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)488.
(9)M. ROELANTS, “De natuurlijke persoon-bestuurder: kwalificatie als onderneming en rechtsmiddelen tegen afwijzing faillissementsaangifte”, TRV-RPS 2020,
(335)340.
(10)E. KRINGS, “De rechterlijke macht en faillissementsprocedures”, RW 1986-87, 373: “Het Hof heeft beslist [31 januari 1986] dat bet feit dat een onderneming wordt opgeroepen ter terechtzitting om er te worden gehoord, niet tot gevolg heeft dat zij de hoedanigheid van partij verkrijgt, in de zin van artikel 473 van bet Wetboek van Koophandel”; V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)491; P. TAELMAN en S. VOET, “Het faillissementsvonnis en de rechtsmiddelen”, Fare 2022, 7.A.5-19. Zie ook art. XX.4 WER: “Bij ontstentenis van een tussenkomst als bedoeld in artikel 813 van het Gerechtelijk Wetboek verwerft degene die, op zijn initiatief of op dat van de rechtbank, is gehoord of een geschrift neerlegt om zijn opmerkingen te laten gelden, iets te vorderen of middelen naar voor te brengen, door dit feit alleen geen hoedanigheid van partij”.
(11)Cass. 1 april 1993, AR 9396, AC 1993, nr. 172: “Overwegende dat wanneer in de bij artikel 442 van de Faillissementswet van 18 april 1851 ingevoerde rechtspleging van ambtshalve faillietverklaring, de schuldenaar door de rechtbank van koophandel wordt opgeroepen, er niet wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 700, 706, 1025 tot 1029 van het Gerechtelijk Wetboek; Dat uit de omstandigheden dat de schuldenaar uitleg heeft verstrekt aan de rechtbank van koophandel, dat hij zijn middelen heeft voorgedragen, dat de rechtbank de debatten heeft gesloten, het openbaar ministerie heeft gehoord en de zaak in beraad heeft genomen, niet valt af te leiden dat de schuldenaar partij is geweest in het vonnis van ambtshalve faillietverklaring; Dat wie geen partij was in een vonnis van faillietverklaring tegen dat vonnis verzet kan doen overeenkomstig artikel 473 van de Faillissementswet, doch geen hoger beroep kan instellen”. Vgl. ook Cass. 17 maart 2005, AR C.04.0398.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050317.6, AC 2005, nr. 170; Cass. 8 februari 2019, AR C.16.0315.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.1, AC 2019, nr. 81.
(12)J. VAN RYN en J. VAN HEENEN, Principes de droit commercial, IV, Brussel, Bruylant 1965, 222-223, nrs 2659-2660; H. GEINGER en P. VANLERSBERGHE, “Beschouwingen over de problematiek inzake het rechtsgeldig aanhangig maken van een geding strekkende tot faillietverklaring van een handelaar, de tegen dit vonnis bestaande rechtsmiddelen en de bevoegdheid die het Gerechtelijk Wetboek aan het hof van beroep toekent om desgevallend zelf het faillissement uit te spreken” in Liber Amicorum Prof. em. E. Krings, Brussel, Story-Scienta 1991, 598; V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)491.
(13)Cass. 1 april 1993, AR 9396, AC 1993, nr. 172: “Overwegende dat wanneer in de bij artikel 442 van de Faillissementswet van 18 april 1851 ingevoerde rechtspleging van ambtshalve faillietverklaring, de schuldenaar door de rechtbank van koophandel wordt opgeroepen, er niet wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 700, 706, 1025 tot 1029 van het Gerechtelijk Wetboek; Dat uit de omstandigheden dat de schuldenaar uitleg heeft verstrekt aan de rechtbank van koophandel, dat hij zijn middelen heeft voorgedragen, dat de rechtbank de debatten heeft gesloten, het openbaar ministerie heeft gehoord en de zaak in beraad heeft genomen, niet valt af te leiden dat de schuldenaar partij is geweest in het vonnis van ambtshalve faillietverklaring; Dat wie geen partij was in een vonnis van faillietverklaring tegen dat vonnis verzet kan doen overeenkomstig artikel 473 van de Faillissementswet, doch geen hoger beroep kan instellen”; Cass. 27 september 1928, Pas. 1928, 235; Cass. 27 mei 1880, Pas. 1880, 142.
(14)Parl. St. Kamer 1991-92, nr. 631/001, 11.
(15)G. RENIERS en I. LO GIUDICE, “De rechtbank gaat in verzet”, Limb.Rechtsl. 2019,
(241)246.
(16)V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)489.
(17)A. DE WILDE, “Reparatiewet Faillissement”, RW 2002-03,
(561)577: “Tegelijkertijd wordt de mogelijkheid tot het instellen van derdenverzet door de gefailleerde opgeheven, aangezien de wetgever oordeelt dat dit een artificieel karakter heeft omdat de gefailleerde bezwaarlijk kan worden beschouwd als een derde bij de faillissementsprocedure in de zin van het Gerechtelijk Wetboek. Hoger beroep door de gefailleerde tegen een weigering van de verschoonbaarheid is dus mogelijk. De tussenkomst van de gefailleerde in het debat betreffende de verschoonbaarheid, maakt hem immers partij in de procedure”; K. WAGNER, Derdenverzet in APR, Mechelen, Kluwer 2004, 82-83. Deze auteur verwijst voor zijn stelling op zijn beurt naar de bijdrage van M. VANMEENEN en B. WINDEY, “Recente wijzigingen inzake faillissement. Wanneer repareren we de reparatiewet”, NJW 2002,
(372)379 maar daar vinden we die stelling niet terug: “De wetgever bewaart het stilzwijgen over de rechtsmiddelen die openstaan voor de gefailleerde tegen een beslissing tot niet-verschoonbaarheid. De mogelijkheid van derdenverzet is niet langer bepaald in de wet, waardoor men kan aannemen dat de gefailleerde enkel hoger beroep kan aantekenen. Anderzijds kan men verwijzen naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat in het kader van de Oude faillissementswet besliste dat de gefailleerde die gehoord wordt in het kader van het ambtshalve faillissement geen partij werd in het geding”.
(18)“Artikel 80, eerste lid, van de faillissementswet is in die zin gewijzigd dat de gefailleerde naar het voorbeeld van de summiere sluitingsprocedure behoorlijk wordt opgeroepen voor de rechtbank van koophandel om er in verband met zijn verschoonbaarheid te worden gehoord. Aangezien de gefailleerde aan de rechtbank zijn opmerkingen betreffende zijn verschoonbaarheid heeft kunnen voorleggen, kan voortaan worden bepaald dat derdenverzet voor hem niet langer mogelijk is.” (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 1132/1, 10-12).
(19)“Door die oplossing wordt een moeilijkheid weggewerkt die op grond van het bepaalde in artikel 1125 van het Gerechtelijk Wetboek verband houdt met de kennelijke noodzaak om aan alle schuldeisers dagvaarding te doen. Vanzelfsprekend zal de gefailleerde slechts beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank betreffende zijn verschoonbaarheid wanneer die verschoonbaarheid hem is geweigerd. Waarschijnlijk zullen de financiën van de gefailleerde dan ook niet toereikend zijn om de kosten te dragen die verbonden zijn aan de dagvaarding van een groot aantal personen, hetgeen zijn recht op beroep beperkt maar hetgeen vooral zijn recht om te worden gehoord door de rechtbank, ingeval hij niet bij de rechtbank is tussengekomen voor de sluiting, herleidt tot een louter theoretische mogelijkheid” (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 1132/1, 10-12).
(20)“Tevens voorziet het ontwerp in de opheffing van de mogelijkheid voor de gefailleerde om derdenverzet tegen die beslissing te doen” (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 1132/1, 10-12). Het gaat dus om de opheffing van de mogelijkheid om derdenverzet te doen tegen de beslissing omtrent de verschoonbaarheid.
(21)Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 1132/1, 10-12.
(22)“Het derdenverzet heeft hier een artificieel karakter omdat de gefailleerde in dit verband bezwaarlijk als een derde bij de faillissementsprocedure kan worden beschouwd in de zin van het Gerechtelijk Wetboek. […]” (Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 1132/1, 10-12). Zie ook V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)485-486; P. TAELMAN en S. VOET, “Het faillissementsvonnis en de rechtsmiddelen”, Fare 2022, 7.A.5-19: “Ofschoon de reparatiewetgever de mogelijkheid schrapte voor de gefailleerde om derdenverzet aan te tekenen tegen zijn niet-verschoonbaarheid, waaruit werd afgeleid dat de niet-verschoonbaar verklaarde gefailleerde daartegen voortaan enkel hoger beroep kon instellen, kan dit besluit niet onverkort worden doorgetrokken naar de faillissementsaangifte. In tegenstelling tot de (oude) verschoonbaarheidsprocedure, waar een behoorlijke oproeping van de gefailleerde was voorzien, is dit niet het geval bij de aangifte van een faillissement. Daarenboven beoogde de reparatiewetgever, met de wet van 4 september 2002 en het afschaffen van de mogelijkheid tot derdenverzet in hoofde van de gefailleerde, uitdrukkelijk te vermijden dat de gefailleerde naar aanleiding van het instellen van het derdenverzet alle schuldeisers zou moeten dagvaarden. Bij het aantekenen van een derdenverzet tegen een faillissementsvonnis gewezen op aangifte van de gefailleerde, geldt deze bekommernis niet”.
(23)H. GEINGER en P. VANLERSBERGHE, “Beschouwingen over de problematiek inzake het rechtsgeldig aanhangig maken van een geding strekkende tot faillietverklaring van een handelaar, de tegen dit vonnis bestaande rechtsmiddelen en de bevoegdheid die het Gerechtelijk Wetboek aan het hof van beroep toekent om desgevallend zelf het faillissement uit te spreken” in Liber Amicorum Prof. em. E. Krings, Brussel, Story-Scienta 1991, 599.
(24)V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)488.
(25)Zie ook Cass. 23 april 2007, AR C.06.0097.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.3, AC 2007, nr. 202: “Uit die bepalingen volgt dat de tussenkomst een incident is in een reeds aanhangig geding, zodat de akte waarin de vrijwillige tussenkomst geschiedt geen akte van rechtsingang uitmaakt.”
(26)Zie ook V. VERLAECKT, “Rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte: even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21,
(482)492.
(27)Cass. 2 mei 2019, AR C.18.0364.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190502.1, AC 2019, nr. 259, met concl. van advocaat-generaal Ph. de Koster, op datum in Pas.: “Son intervention fût-elle irrecevable, le créancier qui est intervenu à la procédure a qualité pour interjeter appel de la décision qui statue sur l’excusabilité du failli. L’arrêt, qui, après avoir relevé que les demandeurs sont intervenus volontairement à la procédure et ont déposé des conclusions par lesquelles ils se sont opposés à l’excusabilité du premier défendeur, considère qu’ils n’ont pas « la qualité de partie en instance » au motif que leur « intervention volontaire […] devant les premiers juges est irrecevable », ne justifie pas légalement sa décision de déclarer leur appel irrecevable”. Vertaling: “De schuldeiser die in de procedure is tussengekomen heeft, ook al is zijn tussenkomst niet ontvankelijk, de hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing die over de verschoonbaarheid van de gefailleerde uitspraak doet. Het arrest dat erop wijst dat de eisers vrijwillig in de procedure zijn tussengekomen en conclusies hebben neergelegd waarmee zij zich hebben verzet tegen de verschoonbaarheid van de eerste verweerder, beslist vervolgens dat zij niet ‘de hoedanigheid van gedingpartij’ hebben, op grond dat hun ‘vrijwillige tussenkomst [...] voor de eerste rechters niet ontvankelijk is’, verantwoordt zijn beslissing om hun hoger beroep onontvankelijk te verklaren niet naar recht”. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240104.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240104.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050317.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070423.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190502.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div