← België

P. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 januari 2024

Art. 23

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 139

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 526

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.23.1681.N Advocaat-generaal Winants heeft in hoofdzaak gezegd:

  1. De feiten die ten grondslag liggen van het verzoek tot regeling van rechtsgebied kunnen als volgt worden samengevat. De onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, werd ingevolge een klacht met burgerlijke partijstelling van 19 mei 2017 gelast met een gerechtelijk onderzoek gericht tegen onbekende uit hoofde van feiten van diefstal, misbruik van vertrouwen en oplichting alsmede tegen een in Sint-Truiden gevestigde vennootschap wegens heling. De onbekende waarover het handelt zal vereenzelvigd worden met de genaamde D., geboren te (…) wonende te (…). De te Sint-Truiden gevestigde vennootschap betreft de NV BORNEDRIES, die zich uiteindelijk zal vereenzelvigen met DE HOEVE NV, met maatschappelijke zetel te Sint-Truiden, Bornedries
  2. Voor de feiten die het voorwerp uitmaken van deze burgerlijke partijstelling zal ook een zekere S., geboren te (…), ingeschreven te (…), in het vizier komen.
  3. Anderzijds werd de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, ingevolge een klacht met burgerlijke partijstelling van 27 februari 2017 en van 5 december 2017, gelast met een gerechtelijk onderzoek tegen de reeds vernoemde en de genaamde J., geboren te (…), wonende te (…), uit hoofde van feiten van heling en medeplichtigheid aan diefstal.
  4. De raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, nam op 23 december 2019 een beschikking tot ontlasting van de onderzoeksrechter te Bergen, dit gelet op de samenhang tussen de in Hasselt en in Bergen onderzochte feiten en op de bereidheid van de procureur des Konings te Limburg, afdeling Hasselt, om zich met de zaak te gelasten.
  5. Op 6 mei 2021 nam de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt, een vordering tot regeling van de rechtspleging betreffende de volgende feiten: Feit A: Loonbediendendiefstal, bij samenhang te Machelen (gerechtelijk arrondissement Brussel), tussen 1 januari 2015 en 20 februari 2017, meermaals, op niet nader te bepalen data, door D., Feit B1: Heling, te Sint-Truiden en elders in het gerechtelijk arrondissement Limburg, afdeling Hasselt en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 1 januari 2015 en 20 februari 2017, meermaals, op niet nader te betalen data, door DE HOEVE nv en S., Feit B2: Heling, bij samenhang te La Louvière (gerechtelijk arrondissement Henegouwen, afdeling Bergen) en elders in het Rijk, tussen 1 januari 2015 en 20 februari 2017, meermaals, op niet nader te bepalen data, door J.. De procureur des Konings vorderde de raadkamer te verklaren dat er geen reden was om de vier inverdenkinggestelden te vervolgen voor deze feiten gelet op de afwezigheid van bezwaren.
  6. De raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt, besliste bij beschikking van 25 februari 2022 tot de buitenvervolgingstelling van de inverdenkinggestelde DE HOEVE NV en S. (feiten van de telastlegging B1) en tot de verwijzing naar de correctionele rechtbank van de inverdenkinggestelden D. en J. voor de feiten van de telastlegging A (D.) en B2 (J.). Tegen deze beschikking staat er vooralsnog geen rechtsmiddel open.
  7. De correctionele rechtbank te Limburg, afdeling Hasselt, stelde bij vonnis van 26 juni 2023 vast, hierbij de criteria hanterend van de territoriale bevoegdheid, dat zij noch de rechtbank was van de plaats waar de aan D. en J. verweten feiten zouden zijn gepleegd, noch deze van hun verblijfplaats op het ogenblik van het instellen van de strafvordering noch deze van de plaats waar zij konden worden aangetroffen. De rechtbank verklaarde zich dan ook ratione loci onbevoegd om kennis te nemen van de zaak en verwees de zaak naar de procureur des Konings om te handelen als naar behoren. Tegen het vonnis van de correctionele rechtbank staat geen rechtsmiddel meer open zodat dit vonnis kracht van gewijsde heeft. De onderlinge tegenstrijdigheid tussen deze beide beslissingen doet derhalve een conflict van rechtsmacht ontstaan dat de rechtsgang belemmert, zodat er aanleiding is tot regeling van het rechtsgebied.
  8. De territoriale bevoegdheid van de correctionele rechtbank met betrekking tot natuurlijke personen wordt bepaald door ofwel de plaats van het misdrijf, ofwel de verblijfplaats van de beklaagde op het ogenblik waarop de strafvordering op gang wordt gebracht, ofwel de plaats waar de beklaagde kan worden aangetroffen. (Artt. 23 en 139 Wetboek van Strafvordering). Uit de gegevens die voorafgaan blijkt dat de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, in beginsel wel degelijk bevoegd was om de rechtspleging te regelen gelet op de feiten sub telastlegging B1, gesitueerd in het gerechtelijk arrondissement Limburg, afdeling Hasselt, zodat één van de bevoegdheidscriteria ratione loci voorhanden was Voor de telastleggingen A en B2 ontbraken deze bevoegdheidscriteria weliswaar maar dit werd ondervangen door de weerhouden samenhang in de zin van de artikelen 226 en 227 Wetboek van Strafvordering.
  9. Het probleem is evenwel dat de raadkamer uiteindelijk heeft beslist de buitenvervolgingstelling te gelasten voor de feiten van de telastlegging B1, terwijl het net deze telastlegging was die de basis vormde voor de weerhouden samenhang met de andere telastleggingen. De telastleggingen A en B2 die overbleven betroffen feiten die zouden gepleegd zijn in het gerechtelijk arrondissement Brussel (A) en in het gerechtelijk arrondissement Bergen (B2), waarvoor er dus geen enkel bevoegdheidscriterium voorhanden was voor het onderzoeksgerecht.
  10. De centrale vraag die hier voorligt is dus welk de impact is, zowel op het onderzoeksgerecht als op het vonnisgerecht, van het verbreken door het onderzoeksgerecht van de samenhang tussen verschillende telastleggingen. Blijft het onderzoeksgerecht bevoegd om ondanks het verbreken van de samenhang en bij afwezigheid van enig bevoegdheidscriterium, de verwijzing te gelasten naar de correctionele rechtbank en is de correctionele rechtbank in voorliggend geval bevoegd om zich over deze feiten uit te spreken?
  11. Ter zake stelt R. VERSTRAETEN

(1)dat wanneer tijdens het gerechtelijk onderzoek of voor het onderzoeksgerecht de samenhang werd aangenomen en nadien voor één misdrijf de buitenvervolgingstelling wordt uitgesproken terwijl voor het andere een verwijzing naar de correctionele rechtbank wordt bevolen, de samenhang niet doorwerkt naar het vonnisgerecht. Hij verwijst hierbij naar een cassatiearrest van 31 maart 1982
(2)waarbij een raadkamer, gelast met de regeling van de rechtspleging waarin drie verdachten werden vervolgd, waarvan 2 militairen, de strafvordering vervallen verklaarde in hoofde van de niet-militair door diens overlijden en vervolgens de twee militairen verwees naar de correctionele rechtbank. De correctionele rechtbank verklaarde zich echter onbevoegd en het Hof van Cassatie, het rechtsgebied regelend, vernietigde de beschikking van de raadkamer en verwees de zaak naar de krijgsauditeur. 11. Uit een arrest van het Hof van Cassatie van 6 januari 1969
(3)lijkt nochtans op eerste zicht naar voren te komen dat de samenhang niet wordt verbroken door het feit dat voor bepaalde misdrijven een buitenvervolgingstelling wordt verleend, maar ik denk toch dat de specifieke context van deze uitspraak dient te worden in acht genomen. Het ging in dat bijzonder geval inderdaad niet om een probleem van de bevoegdheid van het onderzoeksgerecht en het vonnisgerecht, maar wel om de vraag of een buitenvervolgingstelling voor bepaalde telastleggingen verhinderde dat verjaringsstuitende onderzoeksdaden betreffende die telastleggingen zouden gelden voor de misdrijven die tijdens het onderzoek samenhangend werden geacht en waarvoor de verdachte was verwezen naar de rechtbank. R. DECLERCQ oordeelde dat het Hof zich op een gevaarlijke wijze uitdrukte
(4)en noemde de uitspraak verrassend
(5). Hij preciseerde daarenboven
(6)dat uit die uitspraak niet mocht worden afgeleid dat de verwijzing naar het vonnisgerecht zou gebeuren in functie van de samenhang met feiten waarvoor de verdachte buiten vervolging wordt gesteld. Anderzijds stelde hij ook dat een onderzoeksgerecht niet onbevoegd wordt om over de verwijzing uitspraak te doen door het enkel feit dat zij voor bepaalde feiten een buitenvervolgingstelling verleende. 12. Wanneer men deze laatste stelling evenwel hanteert dan zou men zich ook de vraag kunnen stellen of, aangezien het onderzoeksgerecht bevoegd was en bleef, ipso facto ook het vonnisgerecht waarnaar wordt verwezen niet territoriaal bevoegd is? Een dergelijke stelling die kort samengevat erop zou neerkomen ‘eens bevoegdheid, altijd bevoegdheid’, lijkt me in strijd met het hoger vermeld standpunt van R. VERSTRAETEN en met de eerste vaststelling hierboven van R. DECLERCQ over de verwijzing in functie van de samenhang. Daarenboven lijkt dit mij ook moeilijk verenigbaar met de regel dat de verwijzing door het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht dat zij bevoegd acht voor dit laatste niet bindend is
(7). Het vonnisgerecht moet namelijk steeds en zelfs bij voorrang nagaan of het ter zake bevoegdheid heeft
(8). Terloops wil ik hier aanstippen dat de situatie anders zou zijn wanneer de raadkamer de verwijzing naar de correctionele rechtbank beveelt voor alle telastleggingen, maar het vonnisgerecht nadien voor de telastlegging die de samenhang impliceerde, vrijspreekt of de strafvordering vervallen verklaart. Hier speelt inderdaad het gelijktijdigheidsbeginsel en blijft het vonnisgerecht dus wel degelijk bevoegd om over de overblijvende telastleggingen te oordelen, zelfs wanneer die afzonderlijk beschouwd niet binnen haar bevoegdheid vallen
(9).
  1. In casu staat het vast dat de raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt, in principe bevoegd was om zich uit te spreken over de regeling van de rechtspleging, gelet op de samenhang die voorlag. Vanaf het ogenblik evenwel dat zij voor de telastlegging waarop de samenhang was gebaseerd tot de buitenvervolgingstelling besliste dient mijns inziens een nuance daaraan te worden aangebracht in de zin dat het onderzoeksgerecht wel bevoegd blijft om de rechtspleging te regelen maar niet om te verwijzen naar een vonnisgerecht in hoofde van hetwelk er geen enkel territoriaal aanknopingspunt voorhanden is. De regeling van de rechtspleging zou er mijns inziens in dat geval in bestaan dat de raadkamer de zaak verwijst naar het openbaar ministerie om te handelen als naar recht. Op die manier zou ook een regeling van rechtsgebied worden vermeden.
  2. Het lijkt me ontegensprekelijk dat de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt, zich terecht onbevoegd heeft verklaard zodat de beschikking tot verwijzing van de raadkamer van die rechtbank dient te worden vernietigd in zoverre zij de verwijzing naar de correctionele rechtbank inhield van de beklaagde D. uit hoofde van de telastlegging A en van de beklaagde J. uit hoofde van de telastlegging B2 . Ten deze is er evenwel een speciale situatie gecreëerd aangezien niet alleen het vonnisgerecht ratione loci onbevoegd was om te oordelen maar ook het onderzoeksgerecht om dezelfde reden niet bevoegd was om te verwijzen. In dat geval komt het aan het Hof van Cassatie toe het rechtsgebied te regelen door de zaak te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling die territoriaal bevoegd lijkt
(10). De feiten sub A situeren zich te Machelen, gerechtelijk arrondissement Brussel terwijl de feiten sub B2 zich situeren te La Louvière, gerechtelijk arrondissement Henegouwen, afdeling Bergen. 15. Ik concludeer dan ook tot de vernietiging van de beschikking van de raadkamer te Limburg, afdeling Hasselt, van 25 februari 2022 in zoverre zij de verwijzing bevolen heeft van de twee hierboven vermelde beklaagden naar de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt en tot de verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel die voor de feiten sub A en bij samenhang voor de feiten sub B bevoegd lijkt te zijn. ________________________________
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, nr. 1648, p. 825.
(2)Cass. 31 maart 1982, AC 1982, nr. 463.
(3)Cass. 6 januari 1969, AC 1969, 431.
(4)R. DECLERCQ, Onderzoeksgerechten, in APR, Story-Scientia, 1993, nr. 175, p. 70.
(5)R. DECLERCQ, “Bevoegdheid en samenhang”, Comm. Straf., 2014, nr. 24, p. 8.
(6)R. DECLERCQ, “Bevoegdheid en samenhang”, Comm. Straf., 2014, nr. 24, p. 9.
(7)In tegenstelling tot de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling naar het hof van assisen.
(8)R. DECLERCQ, Onderzoeksgerechten, in APR, Story-Scientia, 1993, nr. 175, pp. 69-70.
(9)R. DECLERCQ, “Bevoegdheid en samenhang”, Comm. Straf., 2014, p. 5, nr. 10 en p. 8, nr. 22; Cass. 27 april 1953, AC. 1953, 578; Cass. 9 januari 1933, Pas. 1933, I, 65.
(10)R. DECLERCQ, “Regeling van rechtsgebied”, Comm. Straf., 2014, p. 21, nr. 51; Cass. 6 januari 2010, AR P.09.1441.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100106.4, AC 2010, nr. 6; Cass. 11 juli 2000, AR P.00.846.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000711.5, AC 2000, nr. 426; Cass. 19 maart 1991, AR 5342, AC 1990-91, nr. 380 en noot R.D; Cass.30 mei 1989, AR 3395, AC 1988-89, nr. 556 en noot R.D. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240109.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000711.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100106.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.