id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.4 Rolnummer: C.22.0364.N Zaak: DRUWEL INVEST contra Vlaamse Gewest Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-03-27 Raadplegingen: 475 - laatst gezien 2026-06-18 17:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.4 Fiche 1 Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet niet wijzigen, opheffen of aanvullen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Fiche 2 Het “betrokken onroerend goed” waarvan sprake in het voormelde artikel 2, 9°, heeft betrekking heeft op onroerende goederen die aan heffing zijn onderworpen en zijn opgenomen in de inventaris, te weten de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, en welke verzameling percelen een minimale oppervlakte heeft van 5 aren; aldus wordt de eigenaar van de grond waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt door het Leegstandsdecreet Bedrijfsruimten, vóór de wijziging ervan bij decreet van 5 juli 2013 aangemerkt als belastingplichtige
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decreet 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten - 19-04-1995 - Art. 2, 9° - 51 ELI link Pub nr 1995036290 Fiche 3 De rechtspraak kan het begrip “eigenaar”, zoals gehanteerd in het decreet van 19 april 1995, niet interpreteren in de zin die door het decreet van 5 juli 2013 aan dit begrip werd gegeven. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decreet 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten - 19-04-1995 - Art. 2, 2° - 51 ELI link Pub nr 1995036290 Tekst van de conclusie C.22.0364.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering De eiseres werd voor het heffingsjaar 2006 als eigenaar belast op leegstaande of verwaarloosde bedrijfsruimten op basis van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten. Het geschil betreft in essentie de vraag of een decreetwijziging in 2013 hetzij (retroactief) interpretatief is, hetzij het decreet (dermate) wijzigde waardoor niet kan worden aangenomen dat het decreet steeds (retroactief) die interpretatie had. Het betreft meer bepaald het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna: decreet van 19 april 1995), gewijzigd bij decreet van 5 juli 2013 tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna: decreet van 5 juli 2013). De interpretatie heeft betrekking op de belastbare materie en de belastingplichtige, meer bepaald de inhoud van de woorden “bedrijfsruimte”, “inventaris” en “eigenaar”. In het bestreden arrest van 1 februari 2022 oordeel het hof van beroep te Brussel dat het begrip eigenaar zoals weergegeven in het decreet van 1995 toepasselijk is en niet het begrip zoals omschreven in het nadien van kracht geworden decreet van 2013, ongeacht “de voorgehouden andere “wil” van de decreetgever”. De eiseres voert in haar verzoekschrift één middel tot cassatie aan. Decreet van 5 juli 2013: interpretatief of niet? Op de vraag of een wijziging aan een norm al dan niet een retroactieve toepasselijke interpretatie is hetzij een wijziging is die maar toepasselijk is vanaf de inwerkintreding van die wijziging, heeft het Hof in vaste rechtspraak de volgende regel geformuleerd: een interpretatief decreet is een decreet dat betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatief decreet kan het geïnterpreteerde decreet evenwel niet wijzigen, opheffen of aanvullen
(1).Een geïnterpreteerd decreet wordt geacht steeds de betekenis te hebben gehad die door het interpretatieve decreet wordt vastgesteld
(2). Vermits het middel betrekking heeft op het begrip eigenaar worden hierna de beide teksten weergegeven van de decreten van 1995 en 2013: - Tekst decreet 19 april 1995: “diegene die een geheel dan wel gedeeltelijk naakte eigendomsrecht kan laten gelden op het betrokken onroerend goed”; - Tekst decreet van 5 juli 2013: “de houder van één van de volgende zakelijke rechten met betrekking tot een bedrijfsgebouw:
- a)de volle eigendom;
- b)het recht van opstal of van erfpacht;
- c)het vruchtgebruik.”. Toepassing makend van het criterium of deze verduidelijking door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen, is het antwoord op die vraag m.i. kennelijk negatief. Het is niet aannemelijk dat de rechtspraak een naakt eigendomsrecht zonder schending van de tekst van het decreet kan interpreteren als een volle eigendom of vruchtgebruik. Een dergelijke interpretatie zou de wettigheidstoets m.i. niet kunnen doorstaan De wijziging is als het ware tegenovergesteld aan de oorspronkelijke tekst en kan dus niet redelijk worden geacht steeds die betekenis te hebben gehad. De hier relevante wijzigingen door het decreet van 5 juli 2013 zijn niet interpretatief. Indien de tekst duidelijk is, moet er geen andere betekenis achter worden gezocht en mag hij niet worden aangevuld
(3). De parlementaire voorbereiding van een wet kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst van de wet
(4). De appelrechter maakt een juiste toepassing van de interpretatieregels: de tekst van de wet is voldoende duidelijk zodat geen rekening kan worden gehouden met de wil van de wetgever. Bespreking van het middel. In zijn middel voert de eiseres aan dat het decreet van 5 juli 2013 een interpretatief decreet is dat in het bijzonder aan het begrip “eigenaar” de betekenis geeft die de decreetgever steeds heeft bedoeld. De eiseres wijst terecht op de wetshistoriek van de bepalingen waaruit inderdaad een andere wil van de wetgever blijkt maar die kennelijk niet tot uiting is gekomen in de tekst van de wet
(5). Echter, zelfs al bedoelde de wetgever met het woord naakte eigendomsrecht in werkelijkheid de volle eigenaar, de houder van opstal of erfpacht of de vruchtgebruiker, primeert de voldoende duidelijke tekst van de wet op de wil van de wetgever. Ook de woorden “bedrijfsruimte” werd gewijzigd en bovendien werd een nieuw begrip bedrijfsgebouw toegevoegd door het decreet van 5 juli 2013. Mede gelet op die vaststellingen was de appelrechter er niet toe gehouden om de nieuwe bepalingen retroactief toe te passen. Het middel dat ervan uitgaat dat het decreet van 2013 dienaangaande een interpretatief decreet is, kan m.i. niet worden aangenomen. Besluit: verwerping. _________________________________
(1)Cass. 22 maart 2018, AR C.17.0320.N, AC 2018, nr. 201, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180322.8.
(2)Cass. 5 oktober 1962, Pas. 1963, I, 157; Cass. 6 maart 1958, AC 1958, 489.
(3)Cass. 10 november 1997, AR F.97.0049.F, AC 1997, nr. 464, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.3; Cass. 15 januari 1963, Pas. 1963, I, 570; Cass. 11 december 1962, Pas. 1963, I, 455.
(4)Cass. 22 december 1994, AR C.94.0035.F, AC 1994, nr. 573, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9; zie Cass. 31 oktober 1967, AC 1967, 334; MINGALEYEV E., VAN DE VIJVER A., HAENTJENS T., ROBA M., [Algemene inleiding] Algemene beginselen van het Belgisch fiscaal recht, in TIBERGHIEN A., TIBERGHIEN. Handboek voor Fiscaal Recht, 37; DE KEUSTER D., “Knopen inzake heffing op verlaten bedrijfsruimten doorgehakt?”, TFR 2003/12, nr. 244, p. 649-659.
(5)Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000, Gedr. St. Vl. Parl. 1999-2000, nr. 277/1, p. 85; Memorie van Toelichting, aangehaald in het advies van de Raad van State, Gedr. St., Vl. Parl., 1990-2000, nr. 277/1, p. 68-69; Gedr.St. Vl. Parl. 1999-2000, nr. 277/1, 69; Ontwerp van decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten”, Memorie van Toelichting, Vl. Parl., 2012-13, stuk 2052/1, 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180322.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div