id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.5 Rolnummer: C.23.0224.N Zaak: BILLIT contra RY bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-03-27 Raadplegingen: 796 - laatst gezien 2026-06-18 10:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.5 Fiche 1 De derde-beslagene moet een nauwkeurige en omstandige verklaring afleggen van hetgeen hij verschuldigd is aan de beslagen schuldenaar, dit is het voorwerp van het beslag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Fiche 2 De verklaring van de derde-beslagene strekt ertoe aan de beslagleggende schuldeiser transparantie te verschaffen over de rechten en schuldvorderingen van de beslagen schuldenaar jegens de derde-beslagene1
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Fiche 3 De derde-beslagene dient in zijn verklaring geen melding te maken van een contractuele relatie die geen schuld van de derde-beslagene ten aanzien van de beslagen schuldenaar met zich meebrengt; het volstaat in dat geval dat de derde-beslagene bevestigt dat hij niets verschuldigd is aan de beslagen schuldenaar
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Fiche 4 De door de derde-beslagene af te leggen verklaring heeft slechts betrekking op de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag en van zijn latere afgifteverplichting, dit zijn de sommen of zaken die de derde-beslagene aan de beslagen schuldenaar verschuldigd is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Fiche 5 De schuldenaarsverklaring is een privaatrechtelijke sanctie en vanuit dit opzicht is vereist dat de derde-beslagene precies weet hoever zijn wettelijke verplichting reikt en waaraan zijn verklaring inhoudelijk moet voldoen om de sanctie te vermijden; een extensieve invulling van de omvang van de verplichting van de derde-beslagene is hiermee niet verzoenbaar
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Tekst van de conclusie C.23.0224.N Conclusie van advocaat-generaal Ravyse: De meldingsplicht van een contractuele relatie in de verklaring van derde-beslagene. Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiseres op 1 april 2021 een driepartijen-managementovereenkomst van onbepaalde duur sloot met enerzijds de Bulgaarse vennootschap I. ltd., en anderzijds de heer L., die werd omschreven als vertegenwoordiger. Met deze overeenkomst vertrouwde de eiseres een aantal taken toe aan de vennootschap I. die zouden worden uitgevoerd door de heer L., tegen vergoeding aan de vennootschap I. ltd. Op 8 juli 2021 werd de heer L. veroordeeld om een bedrag van € 15.000 te betalen aan de verweerster. Voor de inning van die schuld legde de verweerster uitvoerend beslag (onder derden) lastens de heer L. in handen van de eiseres. In de verklaring van derde-beslagene deelde de eiseres mee geen schuldenaar te zijn van de heer L. en geen enkele afgifte- en/of betalingsverplichting te hebben. Het geschil betreft de vraag naar de draagwijdte van de verklaring van derde-beslagene (art 1452 Ger.W.). Het hof van beroep te Gent oordeelde in het bestreden arrest van 7 maart 2023 dat de door de eiseres verstrekte verklaring van derde-beslagene “niet juist, volledig en waarheidsgetrouw” en “niet nauwkeurig” was omdat de verklaring “geen correct en volledig beeld van de verhouding” tussen de eiseres en de heer L. “die blijkens de overeenkomst (…) wel degelijk contractspartijen waren”. Tegen die beslissing komt de eiseres op met één middel tot cassatie. De meldingsplicht van een contractuele relatie in de verklaring van derde-beslagene. Artikel 1539 Ger.W. bepaalt de schuldeiser die een uitvoerbare titel bezit, bij deurwaardersexploot uitvoerend beslag onder derden leggen, op de bedragen en zaken die deze aan zijn schuldenaar verschuldigd zijn. Krachtens artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek is de derde-beslagene gehouden binnen vijftien dagen na het derdenbeslag verklaring te doen van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag. De verklaring moet nauwkeurig alle dienstige gegevens voor de vaststelling van de rechten van partijen vermelden en, naargelang van de gevallen, inzonderheid: de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten; de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene; de opgave van de beslagnemingen onder derden waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven. in voorkomend geval, de bedragen voorzien van een code die op de creditzijde van een zichtrekening ingeschreven werden en de datum van de inschrijving ervan indien deze gebeurde tijdens de dertig dagen die de datum van het beslag voorafgaan. Indien het derdenbeslag op roerende goederen geschiedt, moet de derde-beslagene een omstandige staat van de bedoelde goederen bij zijn verklaring voegen. Artikel 1542 Ger.W. bepaalt dat de derde-beslagene die daartoe voor de beslagrechter wordt gedagvaard, indien hij zijn verklaring niet doet binnen vijftien dagen na het derdenbeslag of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan en zoals gezegd wordt in artikel 1452, schuldenaar verklaard worden, voor het geheel of voor een gedeelte van de oorzaken van het beslag, alsmede voor de kosten daarvan, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn. De tekst van artikel 1452 Ger.W. laat ruimte voor interpretatie. Enerzijds vermeldt de wettekst dat de verklaring “nauwkeurig alle dienstige gegevens voor de vaststelling van de rechten van partijen moet vermelden”, anderzijds lijkt uit de wettekst te volgen dat de verklaring enkel doelt op de mededeling van “de schuld”. Gegevens over de vaststelling van de rechten van de partijen lijkt een veel ruimere meldingsplicht te omvatten dan de melding van schulden. Opmerkelijk is dat de derde-beslagene ook melding moet maken van de gegevens over de situatie waarin hij “niet meer” de schuldenaar is van de beslagene. Die meldingsplicht heeft betrekking op (oude) schulden die niet meer het voorwerp van uitvoerend beslag kunnen zijn. De vaststelling dat de meldingsplicht niet beperkt is tot openstaande schulden lijkt bij te dragen tot een overtuiging voor een ruimere interpretatie van de verklaring van derde-beslagene en af te stralen op een ruime interpretatie van de notie “rechten”, namelijk dat ook melding dient te worden gemaakt van contractuele verhoudingen tussen de schuldenaar en de derde-beslagene. Tot die overtuiging lijkt eveneens de vaststelling bij te dragen dat luidens de artikelen 1446 en 1539, tweede lid, Ger.W. bewarend c.q. uitvoerend beslag onder derden mogelijk is op schuldvorderingen met tijdsbepaling, onder een voorwaarde of in geschil. Een dergelijk beslag omvat ook de schuldvorderingen waarvan het ontstaan afhangt van een toekomstige gebeurtenis op voorwaarde dat zij ten tijde van het beslag hun grondslag vinden in een reeds bestaande rechtsverhouding tussen de beslagene en de derde
(1). Bij arrest van 26 september 2008 oordeelde het Hof dat in de verklaring door de derde-beslagene slechts melding dient te worden gemaakt van de bedragen die voor een Belgische rechtbank zouden kunnen gevorderd worden
(2). In dat zelfde arrest gebruikt het Hof veelvuldig het woord “schuldvorderingen”. Dit arrest lijkt aan te geven dat de derde-beslagene enkel melding dient te maken van schulden en schuldvorderingen, namelijk van hetgeen hij verschuldigd is aan de beslagene
(3). Dat arrest dient ons inziens in zijn context te worden gelezen en laat niet toe het woord “rechten” in artikel 1452 Ger.W. te beperken tot (opeisbare) schuldvorderingen. Het Hof lijkt een veel ruimere interpretatie van de inhoud van de verklaring van derde-beslagene toe te passen in het arrest van 21 september 2017. In dat arrest oordeelt het Hof dat de derde-beslagene melding dient te maken van “het bestaan van activa”, die kunnen bestaan uit collectieve of individuele spaarrekeningen. De rechters die oordelen dat die activa niet het voorwerp kunnen zijn van een uitvoerend derdenbeslag en dienvolgens de derde-beslagene, door daarvan geen melding te maken “geen onnauwkeurige, laat staan valse, verklaring van derde-beslagene [heeft] afgelegd en dus niet kan veroordeeld worden tot de oorzaken en kosten van het beslag”, verantwoorden hun beslissing niet naar recht
(4). Uit deze rechtspraak volgt dat activa, zelfs niet (meteen) vatbaar voor uitvoerbaar beslag, dienen te worden opgenomen in de verklaring van derde-beslagene. Deze activa kunnen voorwaardelijk zijn en steunen op contractuele relaties, rechtsverhoudingen tussen partijen. Het begrip “activa” kan op zijn beurt zeer ruim worden geïnterpreteerd als alle middelen van lichamelijke of onlichamelijk aard
(5). In een arrest van 26 november 2009 komt de afbakening van de inhoud van de verklaring van derde-beslagene ons inziens duidelijker tot uiting. In dat arrest oordeelt het Hof dat een kredietopening geen voor beslag vatbare schuldvordering doet ontstaan waarvan de kredietgever melding moet maken in zijn verklaring als derde-beslagene
(6). In de conclusie van advocaat-generaal VAN INGELGEM lezen we dat het krediet slechts opeisbaar is in zoverre en op het tijdstip waarop de beslagene het opvraagt. Het enkele bestaan van een kredietrelatie brengt aldus nog niet mee dat de cliënt reeds op die grond een - zij het voorwaardelijke - vordering heeft op de bank, zodat er geen voor beslag vatbare vordering voorligt. Het wilsrecht van de cliënt dat ligt besloten in de bevoegdheid tot zijn verzoek daartoe is uit zijn aard niet vatbaar voor beslag omdat het niet kan worden overgedragen
(7). Uit de voormelde rechtspraak van het Hof volgt o.i. dat er in hoofde van de derde-beslagene sprake moet zijn van een bestaande (of uitgedoofde) schuld, schuldvordering of een bestaand actief. Louter het bestaan van een contractuele relatie die geen schuld, schuldvordering of actief doet ontstaan, voldoet daaraan niet en dient o.i. daarom niet te worden opgenomen in de verklaring van derde-beslagene. Een bijkomend aspect bij de interpretatie van de inhoud van de verklaring van de derde-beslagene betreft de afweging van de belangen van enerzijds de schuldeiser en anderzijds de derde-beslagene. Enerzijds kan worden verdedigd dat de bescherming van het belang van de beslaglegger vereist dat de derde-beslagene volledig inzicht geeft in de bestaande rechtsverhoudingen. Op die manier kan de beslagleggende schuldeiser kennis krijgen van de nodige gegevens om een efficiënt derdenbeslag te leggen. Indien hij geen inzage krijgt in de contractuele relaties blijft de beslagleggende schuldeiser gefrustreerd achter. Anderzijds vereist de bescherming van het belang van de derde-beslagene – aan wie een zware sanctie van schuldenaarsverklaring boven het hoofd hangt indien zijn verklaring van derde-beslagene onnauwkeurig is – dat hij precies weet waaruit zijn wettelijke verplichting bestaat, waarvan het verzuim wordt bestraft. DIRIX stelt dat de verklaringsverplichting buitengewoon bezwarend is voor de derde-beslagene, die immers buiten zijn toedoen betrokken wordt in een complexe beslagprocedure waarin hij blootgesteld wordt aan een mogelijk verregaande aansprakelijkheid
(8). Bij deze afweging van belangen dient te worden opgemerkt dat het vaste rechtspraak is van het Hof dat de rechter bij het bepalen van de sanctie ingevolge een gebrekkige verklaring door de derde-beslagene beschikt over een vrije en ruime beoordelings- en matigingsbevoegdheid
(9). De schuldenaarsverklaring is geen automatische sanctie en heeft geen indemnitair karakter. De omvang van de veroordeling van de derde-beslagene is niet afhankelijk van de schade van de beslaglegger
(10). De sanctie voor de derde-beslagene zal afhankelijk zijn van zijn eigen gedrag, naargelang de omstandigheden. Om die reden kan het belang van de bescherming van de derde-beslagene worden gerelativeerd. Bespreking van het middel. In het licht van de vastgestelde feiten van de driepartijenovereenkomst waarbij de derde-beslagene enkel een schuld heeft ten aanzien van de vennootschap maar niet aan de schuldenaar zelf, rijst de vraag of de derde-beslagene van deze contractuele relatie melding diende te maken in de verklaring. Uit de omschrijving van de (niet voorgelegde) driepartijenovereenkomst kan worden besluiten dat de derde-beslagenen wel rechten kan laten gelden ten aanzien van de schuldenaar, in het bijzonder omdat de identiteit van de schuldenaar bepalend was voor het sluiten van de overeenkomst
(11), maar voor die prestaties enkel een schuld ontstaat ten aanzien van de medecontractant/vennootschap en aan niet ten aanzien van de schuldenaar (de heer L. zelf). De voormelde rechtspraak over het voorwerp van het derdenbeslag doet o.i. besluiten dat op basis van de door de appelrechter vastgestelde feiten op het moment van het derdenbeslag, er in hoofde van de eiseres geen meldingsplicht bestond van de driepartijenovereenkomst. De eiseres had of heeft op grond van de overeenkomst geen aanspraak op enige schuld, schuldvordering of actief ten aanzien van de beslagene. Louter uit het bestaan van een contractuele verhouding volgt op zich niet het bestaan van een schuld, een schuldvordering of een actief in hoofde van de eiseres ten aanzien van de beslagene. De contractuele verhouding tussen de derde-beslagene (eiseres) en de beslagene (de heer L.) kan in dit kader worden aangemerkt als vermogensneutraal. De vrijwaring van het belang van de derde-beslagene verantwoordt een strikte uitleg van de wettelijke verplichting van artikel 1452, tweede lid, 2°, Ger.W.: de derde-beslagene moet uitsluitend meedelen dat hij niet (meer) de schuldenaar is van de beslagen schuldenaar/dat er geen schuld bestaat in de verhouding tussen de derde-beslagene en de beslagen schuldenaar, zonder dat hij wettelijk verplicht is melding te maken van de gehele contractuele (driepartijen)verhouding en van zijn betalingsverplichting jegens de vennootschap (d.i. immers geen schuld t.a.v. de beslagen schuldenaar die getroffen is door het beslag). In het betekeningsexploot van het derdenbeslag worden aan de derde-beslagene ook enkel de betreffende bepalingen van art. 1451 e.v. Ger.W. medegedeeld, zodat de derde-beslagene de strikte inhoud van die bepalingen als uitgangspunt zal nemen om na te gaan waarin zijn wettelijke verplichting tot het afleggen van een verklaring van het voorwerp van het beslag, bestaat. Degene die gesanctioneerd wordt wegens miskenning van een wettelijke verplichting, moet precies kunnen weten wat die verplichting inhoudt (d.i. wat hij moet doen om een sanctie te vermijden). De eiseres kan als derde-beslagene in de voorliggende situatie, op basis van zijn wettelijke verplichting van artikel 1452, eerste en tweede lid, 2°, Gerechtelijk Wetboek, dan ook volstaan met de vermelding dat hij geen schuldenaar is ten aanzien van de beslagen schuldenaar en dit nooit is geweest, ook al blijft de schuldeiser dan (ten dele) gefrustreerd achter omdat hij niet volledig inzicht heeft in de ruimere verhoudingen met de vennootschap van de beslagen schuldenaar. Door anders te oordelen, komt het o.i. voor dat de appelrechter de in het middel aangehaalde wetsbepalingen schendt. Besluit: cassatie. ________________________________
(1)Cass. 15 juni 2006, AR C.05.0370.N, AC 2006, nr. 333, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060615.6, met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE, ECLI:BE:CASS:2006:CONC.20060615.6; R. FRANSIS, “Beslag onder derden in handen van de bank en lopende verrichtingen op bankrekeningen”, noot onder voormeld arrest in RW 2007-2008, 232-235; Cass. 12 mei 1989, AR 6094 en 6343, nr. 520, ECLI:BE:CASS:1989:ARR.19890512.8, RW 1989-90, 1347, met noot E. DIRIX, “Beslag op een 'toekomstige' vordering”, https://rw.be/archief/5339/pdf.
(2)Cass. 26 september 2008, AR C.07.0519.N, AC 2008, nr. 510, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.2.
(3)Verslag VAN REEPINGHEN, MvT, Parl.St. Senaat, Zitting 1963-1964, nr. 60, p. 325; E. DIRIX, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer 2018, 462, nr. 698.
(4)Cass. 21 april 2017, AR F.15.0200.N, AC 2017, nr. 278, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170421.3.
(5)Zie bvb. artikel 95 KB W.Venn.: immateriële vaste activa: kosten van onderzoek en ontwikkeling; concessies, octrooien, licenties, know-how, merken en soortgelijke rechten; goodwill; vooruitbetalingen; CBN-advies 2012/13 – De boekhoudkundige verwerking van immateriële vaste activa - Advies van 10 oktober 2012, https://www.cbn-cnc.be/nl/adviezen/de-boekhoudkundige-verwerking-van-immateriele-vaste-activa
(6)Cass. 26 november 2009, AR C.09.0063.N, AC 2009, nr. 702, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.14, met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.14, RDJP 2010, afl. 5, 164, noot; VAN DER MOSEN D., BUYLE J., “Beslag onder derden en kredietopeningen: het einde van een controverse?”, Bank Fin.R. 2010, afl. 2, 100; VRIELYNCK P., “Beslag op een kredietopening, het einde van een discussie”, T.Fin.R. 2009, afl. 4, 74-79.
(7)Cass. 26 november 2009, AR C.09.0063.N, AC 2009, nr. 702, met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.14.
(8)E. DIRIX, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer 2018, 462, nr. 698; zie ook W. VANDENBUSSCHE, “De nauwkeurigheid van de verklaring van derde-beslagene”, NJW 2021, afl. 435, 80.
(9)Cass. 9 januari 2023, AR C.22.0231.N, AC 2023, nr. 18, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230109.3N.3; Cass. 22 april 2021, AR C.20.0272.F, arrest niet gepubliceerd, RW 2021-2022, 166; Cass. 23 september 2019, AR C.19.0053.N, AC 2019, nr. 472, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190923.1; Cass. 21 april 2017, AR C.16.0458.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170421.2, AC 2017, nr. 277; Cass. 15 mei 2014, AR C.13.0420.N, AC 2014, nr. 347, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140515.2; Cass. 26 april 2002, AR C.01.0253.F, AC 2002, nr. 255 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020426.11; SERVAIS M., “Een soepele interpretatie van de artikelen 1456 en 1542 van het Gerechtelijk Wetboek ten voordele van de (niet diligente) derde-beslagene?”, P&B 2023, afl. 3, 122-132
(10)Cass. 6 juni 2014, AR C.10.0482.F, AC 2014, nr. 410, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140606.4; Cass. 24 april 2008, AR C.07.0180.N, AC 2008, nr. 249, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.10.
(11)Intuitu personae. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1989:ARR.19890512.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020426.11 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060615.6 ECLI:BE:CASS:2006:CONC.20060615.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.14 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.14 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140515.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140606.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170421.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170421.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190923.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230109.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div