← België

MEUBELEN VERBERCKMOES nv c. LA CAISSE D’ASSURANCE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 Rolnummer: C.23.0157.N Zaak: MEUBELEN VERBERCKMOES nv c. LA CAISSE D'ASSURANCE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2024-04-05 Raadplegingen: 826 - laatst gezien 2026-06-18 20:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 Fiches 1 - 2 De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de gesubrogeerde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren; daaruit volgt dat de schorsing van de verjaring ten aanzien van degene die zich in zijn rechten laat subrogeren, ook werkt in het voordeel van de gesubrogeerde als de schorsing een aanvang heeft genomen voor en niet na de subrogatie

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1, met concl. OM; Cass. 16 december 2004, AR C.02.0212.N–C.02.0251.N, AC 2004, nr. 614, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.20. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Schorsing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2252 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2252 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 23 juni 2023, AR C.22.0384.N, AC 2023, nr. 476, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4, met concl. OM; Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N, AC 2023, nr. 168, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, AC 2023, nr. 41, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1, met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT, op datum in Pas.; Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N, AC 2023, nr.
  1. ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.
  2. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1018, eerste lid, 6° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1021, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 De taak van de rechter bij het bepalen van het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding neemt niet weg dat een procespartij die als in het gelijk gestelde partij aanspraak maakt op een rechtsplegingsvergoeding en deze wil doen vereffenen, van deze gedingkost opgave moet doen, zonder daarom het bedrag ervan te moeten bepalen
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, AC 2023 nr. 41, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1, met concl. van advocaat-generaal H. Mormont, op datum in Pas. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1018, eerste lid, 6° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1021, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2023/24, nr. 37, p. 1453-
  1. - WERBROUCK, Jarich; Noot'De buitengrens verduidelijkt: geen vereffening rechtsplegingsvergoeding in burgerlijke zaken zonder opgave ervan' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2024, nr. 7, p. 525-
  2. - MELIS, Sara; Noot'De partijen moeten de rechtsplegingsvergoeding niet begroten (maar er wel opgave van doen) opdat de rechter deze zou kunnen vereffenen' Juristenkrant-De Juristenkrant - 2024, nr. 493, p.
  3. - MAGNUS, Benjamin; Noot'Partijen moeten de rechtsplegingsvergoeding opnemen als gedingkost, maar niet noodzakelijk begroten' Tekst van de conclusie C.23.0157.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Deconynck:
  4. Situering. Deze aan uw Hof voorgelegde casus betreft enerzijds de vraag of de schorsing van de verjaringstermijn ten aanzien van minderjarigen na de subrogatie kan worden ingeroepen door de in de rechten van die minderjarige gesubrogeerde verzekeringsinstelling en anderzijds of de rechter de rechtsplegingsvergoeding bij gebrek aan een omstandige opgave van de kosten door een partij ambtshalve concreet kan begroten. De eiseres voert 2 middelen aan.
  5. Bespreking. EERSTE MIDDEL. De eiseres voert aan dat de appelrechter ten onrechte oordeelde dat de verweerster zich kon beroepen op de schorsing van de verjaringstermijn ingevolge de minderjarigheid van het slachtoffer waarvoor zij tot betalingen overging nu de verweerster zelf geen minderjarige is. Subrogatie veronderstelt een effectieve en voorafgaandelijke betaling
(1). Hieruit volgt dat een verzekeringsinstelling voor geneeskundige verzorging zoals de verweerster bij elke betaling en ten belope van die betaling herhaaldelijk in de rechten van de subrogant gesubrogeerd wordt
(2). Aangezien de schuldvordering op het ogenblik van subrogatie overgaat, gaat ook de daaraan verbonden verjaringstermijn met alle hieraan verbonden kenmerken op dat ogenblik over. Inzake de stuiting van de verjaring oordeelde uw Hof in een arrest van 16 december 2004 reeds dat de stuiting in afwijking van het principe dat deze enkel inter partes geldt, zich ook uitstrekt tot eventuele stuitingsdaden die de subrogant voorafgaand aan de subrogatie zou gesteld hebben
(3). Uw Hof herhaalde dit principe in het arrest van 27 januari 2022 specifiek wat verzekeringsinstellingen voor geneeskundige verzorging betreft
(4). Nu de vordering op het ogenblik van de subrogatie met al diens kenmerken overgaat, volgt hieruit dat ook de schorsing van de verjaringstermijn die aan de subrogatie voorafgaat ten goede komt aan de gesubrogeerde. Het feit dat die schorsing verbonden is aan de minderjarigheid van de benadeelde doet hier geen afbreuk aan. De verjaringstermijn begint gelet op artikel 2252 Oud Burgerlijk Wetboek niet te lopen alvorens de minderjarige meerderjarig is geworden. De verweerster heeft hier dus de vordering overgenomen met inbegrip van de hieraan verbonden niet opgestarte verjaringstermijn. Het middel dat er van uitgaat dat de verweerster zich niet kan beroepen op de schorsing van de verjaringstermijn ingevolge de minderjarigheid van het slachtoffer in wiens rechten zij gesubrogeerd werd nu zij zelf geen minderjarige is, faalt naar recht. In zoverre het middel op komt tegen de verwijzing van de appelrechter naar Frans recht is het gericht tegen een overtollige reden en derhalve bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. TWEEDE MIDDEL. Uw Hof is in een aantal recente arresten
(5)teruggekomen op de eerdere rechtspraak van uw Hof
(6)overeenkomstig dewelke de rechter bij het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding steeds gebonden was door het beschikkingsbeginsel. In de betrokken arresten wordt geoordeeld dat de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag dient te bepalen behoudens wanneer er sprake is van een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Bijzondere aandacht verdient het arrest van uw Hof van 16 januari 2023
(7)waarin werd geoordeeld dat uit artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat in elke einduitspraak de verliezende partij desnoods ambtshalve in de kosten dient veroordeeld te worden en dat uit dit principe volgt dat de rechter onafhankelijk van enige vraag vanwege de partijen oordeelt over wie de kosten ten laste dient te nemen. In diens gelijkluidende conclusie bij dit arrest voert advocaat-generaal Mormont aan dat artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek moet beschouwd worden als een uitdrukkelijke wettelijke afwijking op het beschikkingsbeginsel wat de veroordeling in de kosten betreft. De rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien door artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek maakt gelet op artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek deel uit van die kosten. Hieruit volgt dat de rechter ook wanneer de in het gelijk gestelde partij nalaat de rechtsplegingsvergoeding te begroten ertoe gehouden is deze ambtshalve te bepalen. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Conclusie: verwerping. ___________________________________
(1)P. WERY, Droit des obligations. Volume 2. Les sources des obligations extracontractuelles. Le régime général des obligations., Larcier 2016, pg. 646.
(2)Zie ook Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1.
(3)Cass. 16 december 2004, AR C.02.0212.N–C.02.0251.N, AC. 2004, nr. 614.
(4)Cass. 27 januari 2022, AR C.21.0106.N, AC 2022, nr. 73, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1.
(5)Cass. 23 juni 2023, AR C.22.0384.N, AC 2023, nr. 476, met gelijkluidende concl. OM; Cass. 21 april 2023, RW 2023-24, 109; Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N, AC 2023, nr. 168, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, AC 2023, nr. 41, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal MORMONT, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1; Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N, AC 2023, nr. 38.
(6)Zie onder meer Cass. 9 juni 2022, AR C.21.0352.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0170.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2, AC 2020, nr. 580; Cass. 26 april 2018, AR C.17.0420.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11, AC 2018, nr. 272; Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 18 september 2014, AR C.12.0237.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5, AC 2014, nr. 533 en Cass. 22 april 2010, AR C.09.0270.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14, AC 2010, nr. 274.
(7)Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, AC 2023, nr. 41, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal MORMONT, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.20 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220127.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.