← België

H. contra VANEX nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.5 Rolnummer: C.23.0041.N Zaak: H. contra VANEX nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-04-05 Raadplegingen: 729 - laatst gezien 2026-06-17 10:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.5 Fiche De koper moet binnen een korte tijd een vordering instellen waarbij hij zich baseert op verborgen gebreken waarmee het goed volgens hem is behept; de koper moet niet binnen een korte tijd zijn vordering in rechte kwalificeren als een vordering tot vrijwaring gebaseerd op de artikelen 1641 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5, AC 2008, nr.
  1. Thesaurus CAS: KOOP Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1648 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0041.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 18 maart
  2. Door eiseres wordt één middel aangevoerd.
  3. Situering. Overeenkomstig artikel 1644 Oud Burgerlijk Wetboek beschikt de koper die geconfronteerd wordt met een verborgen gebrek over de keuze tussen ofwel teruggave van de gekochte zaak en terugbetaling van de koopprijs (ontbinding of actio redhibitoria) ofwel behoud van de gekochte zaak maar gedeeltelijke terugbetaling van de koopprijs (prijsvermindering of actio aestimatoria)
(1). Artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek vereist dat de koper de rechtsvordering op grond van artikel 1641 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek binnen een korte tijd instelt. Deze zaak heeft enkel betrekking op de actio aestimatoria. De discussie die aan Uw Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of een koper bij het instellen van zijn vordering via dagvaarding reeds moet vermelden dat zijn vordering steunt op de koopvernietigende gebreken waarvoor geldt dat deze vordering binnen een korte termijn moet worden ingesteld.
  1. Principes. Twee punten dienen onderzocht te worden. Enerzijds moet onderzocht worden of het verplicht is voor een partij om in de dagvaarding een rechtsgrond aan te voeren voor zijn vordering en of deze partij later in het geding een andere rechtsgrond mag aanvoeren voor zijn vordering. Anderzijds moet er onderzocht worden of artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek vereist dat de koper binnen een korte termijn de rechtsgrond van zijn actio aestimatoria aanwijst.
  2. Aanwijzing van de rechtsgrond in de dagvaarding? Volgens artikel 702, 3° Gerechtelijk Wetboek, in de Nederlandse versie zoals van kracht in huidig zaak, moet de dagvaarding het onderwerp (in het Frans “l’objet” dus het voorwerp)
(2)en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten. Het is Uw vaste rechtspraak dat dit artikel een louter feitelijke draagwijdte heeft. Het is niet verplicht dat de eiser de naar zijn mening toepasselijke rechtsregel aanvoert in de dagvaarding en het staat aan de rechter vrij onder de eerbiediging van de rechten van verdediging de rechtsregels toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of deze zal afwijzen en dit zonder het voorwerp noch de oorzaak ervan te wijzigen
(3). Het voorwerp van de vordering is het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering beoogt
(4). De op het geschil toepasselijke rechtsgrond vormt dus niet het voorwerp of de oorzaak van de vordering. Het is daarentegen de plicht van de rechter om de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten te bepalen. In het middel van eiseres wordt niet aan de appelrechters verweten dat ze aan deze plicht hebben verzaakt. Uw Hof oordeelde in diverse arresten: “De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de voor hem aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op de feiten die hem regelmatig zijn voorgelegd en het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt; daarbij moet hij het recht van verdediging eerbiedigen”
(5). Uw Hof oordeelde ook bij herhaling dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregel die daarop van toepassing is en is verplicht om, met eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun eisen
(6). Artikel 702, 3° Gerechtelijk Wetboek vereist dus niet dat de rechtsgrond die ter ondersteuning van de vordering wordt ingeroepen, wordt vermeld in de dagvaarding en verhindert niet dat in de loop van het geding een andere rechtsgrond dan degene die initieel werd vermeld in de dagvaarding wordt ingeroepen ter ondersteuning van de vordering. Het is integendeel een taak van de rechter om de juiste rechtsgrond toe te passen op de door de partijen aangevoerde feiten. 2. Aanwijzing van de rechtsgrond van de actio aestimatoria binnen een korte termijn? Het is Uw vaste rechtspraak dat de rechter vrij de “korte tijd”” binnen welke de verkoper de rechtsvordering op grond van verborgen gebreken moet instellen, beoordeelt, rekening houdende met alle omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van partijen en de door hen verrichtte buitengerechtelijke en gerechtelijke handelingen, zoals het vorderen van een gerechtelijk deskundigenonderzoek
(7). In het geschil dat aan de basis lag van Uw arrest van 23 maart 1984 vorderde de verkoper de betaling van de koopprijs omdat de koper weigerde de koopprijs te betalen. Initieel sprak de koper zich in zijn verweer niet duidelijk uit over de rechtsgrond van zijn weigering tot betaling. Pas in zijn laatste conclusie in hoger beroep vordert de koper voor het eerst bij wijze van tegenvordering de nietigverklaring van de verkoop. Dit was meer dan vier jaar nadat het gebrek was ontdekt en de verkoper de betaling van de koopprijs had gevorderd. De appelrechters besloten dat deze tegenvordering moest worden gekwalificeerd als een vordering tot vernietiging van de koop wegens verborgen gebreken, zijnde “koopvernietigende gebreken” en dat deze vordering binnen een korte termijn werd ingesteld. Uw Hof oordeelde dat de appelrechters de korte termijn binnen welke de koper de rechtsvordering op grond van verborgen gebreken moet instellen, vrij beoordelen en dat het bestreden arrest heeft kunnen oordelen dat de vordering binnen een korte tijd is ingesteld zonder schending van artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek
(8). Uit dit arrest blijkt dat artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek niet belet dat een koper zijn vordering wegens koopvernietigende gebreken pas in de loop van het geding laat steunen op de artikelen 1641 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek en dat het de taak van de rechter is om ambtshalve de rechtsgrond te kwalificeren. In het arrest van 9 mei 2008 oordeelde Uw Hof reeds in een zaak die eveneens betrekking had op de vrijwaring voor gebreken van verkochte zaken, dat: “Uit de vaststellingen van het arrest van 19 januari 2006 blijkt dat de eiseres reeds in de gedinginleidende dagvaarding zich in het bijzonder beroepen heeft op het gebrek waardoor het litigieuze toestel volgens haar aangetast was en dat het ongeschikt maakte voor het gebruik waartoe het bestemd was en dat zij vergoeding gevorderd heeft voor de haar door dat gebrek geleden schade. Het arrest oordeelt dat de eiseres zich in de dagvaarding niet beroepen heeft op de wettelijke vrijwaring voor de verborgen gebreken, maar enkel op de waarborgen die voortvloeien uit het contract en dat zij zich pas in een conclusie die zij meer dan twee jaar na het schadegeval had neergelegd, beroepen heeft op het voordeel van de wettelijke vrijwaring. Door op die grondslag te oordelen dat de vordering, in zoverre zij gegrond is op de wettelijke vrijwaring voor verborgen gebreken, te laat is ingesteld, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht”
(9). Uw Hof besliste dus dat artikel 1648 Oud Burgerlijk wetboek niet vereist dat de koper binnen een “korte tijd” aanvoert dat zijn rechtsvordering steunt op de artikelen 1641 e.v. van het Oud Burgerlijk Wetboek. Artikel 1648 Oud Burgerlijk Wetboek vereist enkel dat de rechtsvordering in een korte termijn wordt ingesteld.
  1. Toepassing van de hogervermelde principes in deze zaak. In de inleidende dagvaarding van 24 januari 2011 vroeg eiseres onder meer schadevergoeding aan verweerster voor schade, gevolgschade en herstellingskosten veroorzaakt door gebreken in het appartement dat ze kocht van verweerster. Eiseres steunde haar vordering op de tienjarige aansprakelijkheid bedoeld in artikel 1792 Oud Burgerlijk Wetboek. Eiseres beoogt hiermee haar appartement te behouden en een geldsom te krijgen omwille van de gebreken in het appartement. Dit is het voorwerp van de vordering. Wanneer eiseres in haar conclusie van 29 januari 2021 in hoger beroep stelt dat haar vordering in ondergeschikte orde steunt op artikel 1641 Oud Burgerlijk Wetboek, verandert ze hiermee het voorwerp van de vordering niet. Eiseres beoogt hiermee immers nog steeds haar appartement te behouden en een geldsom te krijgen omwille van de gebreken in het appartement. Mocht eiseres in haar conclusie geen actio aestimatoria maar een actio redhibitoria hebben geformuleerd dan had ze het voorwerp van de vordering wel gewijzigd omdat ze dan de teruggave van de gekochte zaak en terugbetaling van de koopprijs had gevorderd. Daarmee zou duidelijk een ander feitelijk resultaat worden nagestreefd dan het oorspronkelijke resultaat. De appelrechters stellen eerst vast dat eiseres ten aanzien van verweerster enkel over een vordering op grond van koopvernietigende gebreken beschikt omdat verweerster niet is opgetreden als bouwpromotor waardoor de vordering van eiseres niet kan steunen op artikel 1792 Oud Burgerlijk Wetboek of op de lichte verborgen gebreken (motivering onder punt 3.
  2. van het bestreden arrest). Vervolgens stellen de appelrechters vast welke verschillende rechtsgronden de eiseres doorheen de procedure inriep ter staving van haar vordering nl. in de inleidende dagvaarding wordt de tienjarige aansprakelijkheid van aannemers ingeroepen, in de syntheseconclusie van 6 december 2019 voor de eerste rechter worden in ondergeschikte orde de lichte verborgen gebreken ingeroepen en in de conclusie van 29 januari 2021 in hoger beroep (volgens de appelrechters de syntheseconclusie maar in werkelijkheid de eerste conclusie in hoger beroep) wordt ondergeschikt een vordering gesteld op basis van artikel 1641 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek. Tenslotte oordelen ze, na de vaststellingen omtrent diverse tijdstippen waarop de beweerde schade zich voordeed (nl. 2004, 2010 en 2015), dat er in de dagvaarding in 2011 geen vordering op grond van koopvernietigende gebreken werd ingesteld en dat de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken pas werd ingesteld op 29 januari 2021 en dat dit manifest laattijdig is. Het arrest is niet naar recht verantwoord omdat de appelrechters de actio aestimatoria van eiseres afwijzen wegens laattijdigheid omdat ze pas op 29 januari 2021 aanvoerde dat haar vordering steunt op artikel 1641 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek zonder vast te stellen dat eiseres daardoor het voorwerp van haar vordering heeft gewijzigd en zonder vast te stelen dat de vordering van eiseres in de inleidende dagvaarding na verloop van een korte tijd werd ingesteld. De overige onder het middel verwoorde grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie. ___________________________________
(1)B. TILLEMAN, S. DE REY, N. VAN DAMME, F. VAN DEN ABEELE, F., “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten. Koop (2007-2020)”, TPR 2020, 1353.
(2)Uiteindelijk aangepast in de Nederlandse tekst naar “het voorwerp” door artikel 10 van de Wet van 19.10.2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 22 oktober 2015).
(3)Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5, AC 2008, nr. 283; Cass. 24 november 1978, AC 1978, 341, met concl. van advocaat-generaal E. KRINGS; Pas. 1979, I, 352; RW 1978-79, 2877, noot J. LAENENS; JT 1980, 224; P. VANDEROSIEREN, “Rechtsingang door dagvaarding”, randnummer 11880, in N. CLIJMANS, Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 2 dln.
(4)Cass. 5 september 2019, AR C.18.0302.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.3, AC 2019, nr. 439; Cass. 9 maart 2018, AR C.17.0517.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 14 december 2017, AR C.16.0296.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171214.5, AC 2017, nr. 713, met concl. van advocaat-generaal VANDERLINDEN.
(5)Cass. 22 januari 2016, AR C.15.0259.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160122.4, AC 2016, nr. 50; Cass. 22 januari 2015, AR C.13.0602.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150122.10, AC 2015, nr. 55; Cass. 31 oktober 2013, AR C.13.0005.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3, AC 2013, nr. 571; Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5, AC 2008, nr. 283.
(6)Cass. 20 februari 2020, AR C.18.0465.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.3, AC 2020, nr. 146; Cass. 23 januari 2020, AR F.19.0019.N, niet gepubliceerd, P&B 2020, 19; Cass. 31 oktober 2013, AR C.13.0005.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3, AC 2013, nr. 571; Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5. AC 2008, nr. 283.
(7)Cass. 29 januari 1987, AR 7635, AC 1986-87, nr. 313; Cass. 23 maart 1984, AR 4132, AC 1984, nr. 424, 969-973; Cass. 4 mei 1939, Pas. 1939, I, 223; Cass. 14 januari 1841, Pas. 1841, I, 135.
(8)Cass. 23 maart 1984, AR 4132, AC 1984, nr. 424.
(9)Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5, AC 2008, nr. 283. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150122.10 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160122.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171214.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.