id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.6 Rolnummer: C.23.0190.N Zaak: GREEN-BEL bv contra VLAAMSE GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-05 Raadplegingen: 240 - laatst gezien 2026-06-17 18:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.6 Fiches 1 - 3 Een subsidie kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden binnen tien jaar na de indieningsdatum van de subsidieaanvraag, met behoud van de toepassing van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991 en de wet van 7 juni 1994 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen te doen in verband met subsidies, vergoeding en toelagen van elke aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste zijn van de Staat, in geval van niet-naleving van de bij het Decreet van 31 januari 2003 of het Besluit van 16 mei 2007 opgelegde voorwaarden
(1)
(2)
(3).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 2 Decreet 31 januari 2003, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door art. 41 Decreet van 16 maart 2012.
(3)Art. 6 Besluit van 16 mei 2007, zoals van toepassing na de wijziging ervan door het Besluit van 16 januari 2009 maar vóór de opheffing ervan door art. 29 Besluit van 17 december 2010). Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI GEMEENSCHAP EN GEWEST Tekst van de conclusie C.23.0190.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 7 februari
- Door eiseres wordt één middel aangevoerd.
- Situering. De discussie die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of de terugvordering door het Vlaamse Gewest van een gedeeltelijk uitbetaalde ecologiepremie voor investeringen ten behoeve van elektriciteit opgewekt door zonne-energie aan een samenwerkingsverband van ondernemingen, kan worden gesteund op de vaststelling dat de samenstelling van dit samenwerkingsverband werd gewijzigd na het toekennen van die premie.
- Het middel. In het middel wordt de interpretatie die de appelrechters geven aan de artikelen 2 en 7 van het Decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid (verder het Decreet)
(1)en artikel 6, 12, § 2, tweede lid en 24, 4° van het Besluit van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest (verder het Besluit)
(2)in vraag gesteld. De appelrechters zijn van oordeel dat wanneer er steun wordt verleend aan een samenwerkingsverband van ondernemingen voor investeringen ten behoeve van elektriciteit opgewekt door zonne-energie, deze investeringen in aanmerking worden genomen in verhouding tot de door de deelnemende ondernemingen voor eigen gebruik aangekochte elektriciteit (art. 12, § 2, tweede lid van het Besluit van 16 mei 2007). Uit die regelgeving en haar opzet volgt volgens de appelrechters dat aan deze voorwaarden moet zijn voldaan gedurende minstens vijf jaar na beëindiging van de investeringen (art. 7 van het Decreet en art. 6 van het Besluit) en dat dit niet het geval is wanneer de samenstelling van het samenwerkingsverband wordt gewijzigd. De appelrechters oordelen bijgevolg dat de terugvordering wegens niet-naleving van de bij het Decreet en het Besluit opgelegde voorwaarden (art. 24, 4° van het Besluit) terecht is. Wat betreft het opzet van de regelgeving wordt erop gewezen dat in deze periode de ecologiepremie werd toegekend via een wedstrijdformule. Binnen een vooraf bepaalde subsidie-enveloppe werd er maximaal drie keer per jaar een oproep gedaan tot het indienen van voorstellen
(3). Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag werd onder meer rekening gehouden met de mate waarin de ecologie-investering bijdraagt tot de Kyotodoelstellingen of de doelstellingen van het Vlaams milieubeleidsplan
(4). Het budget werd dan verdeeld over de best geklasseerde subsidiedossiers
(5). Deze wedstrijdformule werd ingevoerd door het Besluit van 16 januari 2009 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Besluit van 16 mei 2007 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest (verder Besluit van 16 januari 2009)
(6). Het Besluit van 16 januari 2009 voerde ook de mogelijkheid in om steun te verlenen aan samenwerkingsverbanden van ondernemingen (artikel 10, lid 2 Besluit 16 mei 2007) alsook de beperking dat investeringen ten behoeve van elektriciteit opgewekt door zonne-energie aan een samenwerkingsverband van ondernemingen, slechts in aanmerking komen in verhouding tot de door de deelnemende ondernemingen voor eigen gebruik aangekochte elektriciteit (artikel 12, § 2 Besluit 16 mei 2007). In het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 tot uitvoering van het Besluit wordt artikel 12, § 2 van het Besluit verder verduidelijkt. Er kan enkel steun worden verleend voor de opwekkingscapaciteit van de investering die overeenstemt met de voor eigen gebruik aangekochte elektriciteit
(7). Het doel van deze regelgeving was dus om de investeringen die het meest impact hebben op de “vergroening” van het elektriciteitsverbruik van ondernemingen, en dus het meest impact hebben op het milieu, voorrang te geven bij de toekenning van de ecologiepremie. Via de ecologiepremie werden ondernemingen aangemoedigd om te investeren in hernieuwbare energiebronnen
(8). Ze had ook tot doel tot bij te dragen aan de Kyoto-doelstellingen en de doelstellingen van het Vlaams milieubeleidsplan
(9). Deze regelgeving impliceert dan ook dat het samenwerkingsverband van ondernemingen ongewijzigd moet blijven bestaan minstens met dezelfde duur die geldt voor de investering zelf nl. 5 jaar vanaf de beëindiging van de ecologie-investeringen (artikel 7 van het Decreet en 6 van het Besluit). Het spreekt voor zich dat wanneer enkel steun kan worden verleend voor de opwekkingscapaciteit van de investering die overeenstemt met de voor eigen gebruik aangekochte elektriciteit en de steun via een wedstrijdformule wordt toegekend, dat ook het samenwerkingsverband ongewijzigd moet blijven gedurende dezelfde termijn waarbinnen de investering moet behouden blijven. De voor eigen gebruik aangekochte elektriciteit van de ondernemingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, vormt immers de basis van toekenning van de staatsteun. Ingevolge artikel 23, lid 3 en artikel 18, lid 6 van de Verordening 800/2008 is dit trouwens de verplichte basis van de kosten voor milieu-investeringen ter stimulering van energie uit hernieuwbare energiebronnen opdat dergelijke staatsteun onder het toepassingsgebied van de groepsvrijstelling zou vallen
(10). Uit de regelgeving volgt dat de basis van de toekenning van de staatssteun niet mag worden gewijzigd na de toekenning ervan. Het maakt daarbij geen verschil dat het samenwerkingsverband zelf een onderneming moet zijn, zoals bepaald in artikel 10, lid 2 van het Besluit). Het toelaten van wijzigingen in de samenstelling van het samenwerkingsverband van ondernemingen zou tot gevolg hebben gehad dat deze staatsteun niet onder het toepassingsgebied van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan worden gebracht. Het zou bovendien iedere zin ontnemen van het toekennen van de staatssteun via een wedstrijdformule. Met de motivering vermeld onder punt 4.3.3. van de bestreden beslissing hebben de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoordt. Het middel kan niet worden aangenomen. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt het belang aan de vordering tot gemeenverklaring. Conclusie: Verwerping. ________________________________________
(1)BS 25 maart 2003 (zoals van toepassing voor de afschaffing ervan door het Decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid).
(2)BS 29 juni 2007 (zoals van toepassing voor de opheffing ervan door het Besluit van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest).
(3)Art. 17 en 18 van het Besluit.
(4)Art. 19 van het Besluit.
(5)Art. 21 van het Besluit.
(6)BS 23 februari 2009.
(7)Art. 2/2 van het Ministerieel Besluit van 1 oktober 2007 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest (BS 15 oktober 2004), zoals gewijzigd door Ministerieel Besluit van 20 februari 2009 (BS 16 maart 2009).
(8)“Vlaams Hervormingsprogramma
- Europa 2020”, p. 50, www.vlaanderen.be/publicaties/vlaams-hervormingsprogramma-2011-europa-
- Deze vorm van staatssteun viel onder de toen geldende algemene groepsvrijstellingsverordening nl. de Verordening (EG) nr. 800/2008 (PB 9 augustus 2008, L214/3). Het Besluit van 16 januari 2009 had onder meer ook tot doel om de steun voor ecologie onder toepassing te brengen van de Verordening nr. 800/2008 (zie. Adv.rvS. nr. 45.483/1 van 11 december 2008).
(9)Art. 19 van het Besluit van 16 mei 2007 en zie hiervoor ook naar de diverse ministeriële besluiten die uitvoering geven aan artikel 4 van het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest (de oproepen tot het indienen van voorstellen), waarin in artikel 4 telkenmale wordt verwezen naar deze doelstellingen (vb. MB 1 oktober 2007, BS 17 oktober 2007, p 53717; MB januari 2008, BS 18 januari 2008, p. 01906; MB 17 september 2008, BS 06 oktober 2008, p. 53037; MB 20 februari 2009, BS 11 maart 2009, p. 21291; MB 26 oktober 2009, BS 27 november 2009, p. 73876).
(10)Art. 23, lid 3 bepaalt onder meer dat de in aanmerking komende kosten de extra kosten zijn die ten laste van de onderneming komen ten opzichte van een traditionele stroomcentrale met dezelfde capaciteit inzake daadwerkelijke energieopwekking en dat deze kosten worden berekend, zoals bepaald in artikel 18, leden 6 en 7, zonder de exploitatiebaten en exploitatiekosten in aanmerking te nemen. Art. 18, lid 6 bepaalt onder meer dat de kosten van de investering die rechtstreeks op milieubescherming betrekking heeft, worden vastgesteld door verwijzing naar de contra feitelijke situatie en wanneer het aandeel van de kosten van de milieu-investering in de totale investeringskosten gemakkelijk kan worden vastgesteld, zijn deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten, de in aanmerking komende kosten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div