id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 januari 2024
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen dien kunnen bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen
(1).
(1)Zie andersluidende concl. "in hoofdzaak" OM; Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr. 696; Cass. 6 december 2022, AR P.22.1026.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17, AC 2022, nr. 796; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 13 In de regel moet de rechter aan de hand van elk van deze criteria beoordelen welke impact het niet horen van een hier bedoelde getuige heeft op het eerlijk proces maar dit sluit niet uit dat één of twee van die criteria van dermate overwegend belang kunnen zijn dat dit volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt, waarbij de rechter steeds de concrete omstandigheden moet vermelden waarop hij zijn beslissing steunt; indien de rechter in het kader van de beoordeling van het eerste criterium een feitelijke of juridische onmogelijkheid vaststelt voor het door een beklaagde gevraagde verhoor als getuige van een undercoveragent die betrokken was bij een infiltratie dient hij een eventuele afwijzing van dit verzoek te motiveren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak; een afwijzing die wordt onderbouwd met redenen die inhouden dat nooit moet worden ingegaan op het verzoek tot verhoor van een undercoveragent die bij een infiltratie betrokken was voldoet niet aan die verplichting
(1).
(1)Zie andersluidende concl. "in hoofdzaak" OM; Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr. 696; Cass. 6 december 2022, AR P.22.1026.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17, AC 2022, nr. 796; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 434; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie P.23.0887.N Advocaat-generaal Alain Winants heeft in substantie gezegd: 1. Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 26 mei 2023, gewezen op verwijzing
(1), waarbij de eiser werd veroordeeld uit hoofde van verschillende inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen, in vereniging en als leidend persoon, alsmede als leidend persoon van een criminele organisatie, tot een hoofdgevangenisstraf van 12 jaar en een geldboete van 80.000 euro en waarbij eveneens een wederrechtelijk vermogensvoordeel ten bedrage van 800.000 euro werd verbeurd verklaard. De eiser stelde tegen deze beslissing cassatieberoep in op 6 juni 2023 en voert daarbij twee middelen aan. 2. Het eerste middel voert de schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM alsook de miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op eerlijk proces en het recht van verdediging De eiser voert aan dat de redenen die het arrest aanneemt ter afwijzing zijn verzoek om de undercoveragent te horen als getuige noch afzonderlijk noch samengenomen die beslissing kunnen verantwoorden. Samengevat stelt de eiser dat het arrest, waar het oordeelt dat de veiligheid van de undercoveragent en zijn inzetbaarheid bij lopende of toekomstige infiltraties en operaties niet kunnen worden gevrijwaard wanneer hij wordt verplicht toelichting te verschaffen bij de wijze waarop de infiltratieoperatie is uitgevoerd, zelfs niet indien bijkomende beschermingsmaatregelen op touw worden gezet, een algemene regel formuleert op grond waarvan elke verzoek tot verhoor van een undercoveragent kan worden afgewezen. Volgens de eiser laat het arrest na op grond van concrete gegevens van de zaak te verduidelijken waarom dat hier het geval zou zij en geeft het ook niet met concrete gegevens aan waarom wel bepaalde bijkomende wettelijk voorhanden zijnde beschermingsmaatregelen deze gevaren niet zouden kunnen wegnemen. De eiser heeft ook kritiek op de redenen die het arrest aanneemt ter afwijzing van zijn verzoek om M.R. te horen als getuige en het feit dat die verklaringen worden geobjectiveerd door andere vaststellingen beletten zijns inziens niet dat zij mede de beslissing over eisers schuld hebben bepaald, aangezien het arrest de leidende rol van de eiser als een belangrijk element bij de straftoemeting in aanmerking neemt en dat daarbij de verklaringen van deze getuige van doorslaggevend belang zijn geweest. 3. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 4. Uit artikel 6.1. EVRM volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting en de beklaagde dit bewijs moet kunnen tegenspreken. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of:
- a)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden;
- b)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald;
- c)er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van objectief bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt. In de regel moet de rechter aan de hand van elk van deze criteria beoordelen welke impact het niet horen van een hier bedoelde getuige heeft op het eerlijk proces. Dit sluit evenwel niet uit dat één of twee van die criteria van dermate overwegend belang kunnen zijn dat dit volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt. 5. Wat betreft het eerste criterium ben ik de mening toegedaan dat de stelling van het hof van beroep te Antwerpen waarbij het verhoor van de undercoveragent wordt geweigerd en de motieven die daarbij werden gehanteerd dient te worden bijgetreden. Het Hof stelt ter zake dat:
- a)het van belang is om de nodige maatregelen te nemen ter afscherming van de gebruikte technische middelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de politieambtenaren belast met de uitvoering van de infiltratie en
- b)dat noch de veiligheid van de undercoveragent, noch diens inzetbaarheid bij lopende of toekomstige infiltraties en operaties kunnen worden gevrijwaard wanneer deze wordt verplicht in openbare rechtszitting toelichting te verschaffen bij de wijze waarop de infiltratieoperatie is uitgevoerd, zelfs indien bijkomende beschermingsmaatregelen op touw worden gezet. 6. Wat beoogt men met het verhoor van de undercoveragent? Blijkbaar is het de bedoeling toelichting te verschaffen bij de wijze waarop de infiltratieoperatie is verlopen. Dit is nu net hetgeen door artikel 47novies Wetboek van Strafvordering dient te worden afgeschermd daar waar dit artikel stelt in § 2, tweede lid: “De officier van gerechtelijke politie, bedoeld in artikel 47octies, § 3, 6°, stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de infiltratie. doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren, belast met de uitvoering van de infiltratie, en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger, in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in § 1, eerste lid.” Dat betekent dus dat de BTS-officier gehouden is aan hetgeen in dit artikel wordt vermeld maar dat het verhoor ter zitting van de UCA, over de wijze waarop de infiltratie is verlopen, dit verbod desgevallend zou omzeilen. Het verhoor ter zitting van de UCA is dus van aard in te gaan tegen dit voorschrift en afbreuk te doen aan de noodzakelijke afscherming en bescherming van die UCA. Deze bescherming en afscherming van zowel de persoon van de UCA als de aangewende technieken lijkt mij een criterium te zijn dat op zich dermate van overwegend belang is dat het samen gelezen met de andere redenen die het arrest vermeldt en die betrekking hebben op het tweede en derde criterium, zodanig dat de globale benadering van de drie criteria de beslissing van het Hof van beroep te Antwerpen mijns inziens naar recht verantwoordt. Volledigheidshalve wijs ik er ook op dat we hier staan voor een bijzondere opsporingsmethode die dus noodzakelijkerwijze het voorwerp heeft uitgemaakt van een BOM-controle op basis van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, waarbij blijkbaar de KI geen opmerkingen heeft geformuleerd. Wat de andere getuige die werd gevraagd betreft verwijs ik naar het arrest en meer bepaald naar de bladzijden 13 en 14 waar het Hof uiteenzet wat de redenen zijn om deze persoon evenmin ter zitting te horen, redenen die mijns inziens dienen te worden bijgetreden. 7. Met betrekking tot het tweede criterium komt het me voor dat de opmerkingen van het hof van beroep te Antwerpen kunnen worden bijgetreden wat betreft het feit dat de verklaringen van de UCA worden bevestigd en gecorroboreerd door de andere vaststellingen van het dossier, met name door de huiszoekingen, het onderzoek van de betalingen, de analyse van de reisbewegingen, het telefonieonderzoek en dergelijke meer. 8. Wat betreft het derde criterium is het zo dat compenserende factoren kunnen bestaan in het voorliggen van objectief bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt. De elementen die ik daarnet kom te vernoemen lijken mij allen hieraan te beantwoorden. Het is ook niet zonder belang te onderstrepen dat het hof van beroep - en daar zitten we op het vlak van de procedurele waarborgen - terecht heeft aangehaald dat de eiser in de loop van het onderzoek zowel ten opzichte van de onderzoeksrechter als van de onderzoekers de gelegenheid heeft gehad zijn standpunten uiteen te zetten en dat hij dat ook had kunnen doen bij de regeling van de rechtspleging en ter terechtzitting, maar dat hij telkens heeft verkozen - hetgeen uiteraard zijn volste recht is - zich te laten vertegenwoordigen door zijn raadsman. Ik ben dan ook de mening toegedaan dat het eerste middel niet kan worden aangenomen. 9. Het tweede middel voert de schending aan van artikel 6.1. en 6.3.d EVRM en het gaat hier om de infiltratie in Spanje van 25 april 2019 tot 28 april 2019 die volgens de eiser nietig zou zijn bij gebrek aan machtiging voor twee undercoveragenten. Ik denk dat dit middel berust op een onvolledige lezing van de dossierstukken en meer bepaald van het EOB. In dit EOB is er duidelijk spraken van meerdere, in casu twee, UCA's. Het blijkt eveneens uit de toelichting gegeven door de onderzoeksrechter en meer bepaald uit diens uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden die aan de basis liggen van zijn verzoek. Ook de machtiging afgeleverd door de procureur bij het antidrugsparket in Spanje spreekt over twee undercoveragenten en ook de Spaanse tekst van de afgeleverde toestemming spreekt in het beschikkend gedeelte van ‘agentes’ (agenten) in het meervoud. Enkel in de vertaling van het beschikkend gedeelte van het stuk wordt bij vergissing gesproken over “een buitenlandse undercoveragent”. Het middel kan dus evenmin worden aangenomen. 10. Conclusie: ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden en concludeer dan ook tot de verwerping van het cassatieberoep. __________________________
(1)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1245.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1, AC 2022, nr. 14. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240123.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221206.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div