← België

VLAVER-INVEST nv contra HELLENBOSCH, curator

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.3 Rolnummer: C.22.0427.N Zaak: VLAVER-INVEST nv contra HELLENBOSCH, curator Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-05-07 Raadplegingen: 708 - laatst gezien 2026-06-18 20:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3 Fiche 1 Het processuele belang, dat bestaat uit het voordeel dat eiser met zijn vordering beoogt en waardoor zijn rechtstoestand kan worden gewijzigd of verbeterd en dat derhalve verbonden is met het voorwerp van de vordering, zoals omschreven bij het instellen daarvan, moet voorhanden blijven gedurende het verdere verloop van het geding, zodat bij het wegvallen van het belang in de loop van het geding de vordering haar voorwerp verliest

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Het processueel belang moet rechtmatig zijn, wat het geval is indien de vordering, gelet op het voorwerp zoals omschreven bij het instellen ervan, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks een onrechtmatig voordeel nastreeft dan wel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.22.0427.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: Bespreking. Enig middel. (...) Met het tweede onderdeel verwijten eiseressen de appelrechter te hebben nagelaten de vordering zonder voorwerp te verklaren om reden dat het belang van de NV BERDAHUIS is weggevallen in de loop van het geding. 4. Hoofdstuk II van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt de voorwaarden van de rechtsvordering. Artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Het belang waarvan sprake in artikel 17 Ger. W. is het belang als procesrechtelijke ontvankelijkheidsvereiste
(1). Het processuele belang behelst het voordeel dat de eiser met zijn vordering beoogt en waardoor zijn rechtstoestand kan worden gewijzigd of verbeterd
(2). Het is derhalve verbonden met het voorwerp van de vordering. Het belang moet rechtmatig zijn. De eiser die enkel
(3), rechtstreeks of onrechtstreeks
(4), een onrechtmatig voordeel nastreeft dan wel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde, doet niet blijken van een rechtmatig belang. De loutere omstandigheid dat de eiser zich in een ongeoorloofde toestand bevindt, heeft niet tot gevolg dat hij niet kan bogen op de krenking van een rechtmatig belang
(5). Het belang wordt beoordeeld op het tijdstip van het instellen van de vordering
(6). Valt het belang in de loop van het geding weg, dan moet de rechter vaststellen dat de vordering zonder voorwerp is geworden
(7). De vordering is dan ongegrond. Het geoorloofd karakter van een overeenkomst wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de overeenkomst wordt gesloten
(8). Het mogelijk ongeoorloofd karakter van een overeenkomst sluit niet uit dat een contractpartij in geval van wanprestatie op ontvankelijke wijze de ontbinding van de overeenkomst met schadevergoeding nastreeft, voor zover de vordering in rechte, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks neerkomt op een onrechtmatig voordeel dan wel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde
(9). In hun syntheseberoepsconclusie
(10)voerden eiseressen aan dat de vordering van verweerder niet ontvankelijk was bij gebrek aan rechtmatig belang, gelet onder meer op de overdracht op 10 januari 2013 van de overeenkomst van 11 april 2005 aan een partij die niet was ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep van vastgoedmakelaar en bijgevolg het beroep van vastgoedmakelaar niet mocht uitoefenen en de wederoverdracht van de vordering uit deze overeenkomst op 11 juni 2015 aan de NV BERDAHUIS, die op dat ogenblik evenmin was ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep van vastgoedmakelaar. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan (zie supra onder “Procedurevoorgaanden”), blijkt dat de vordering die de NV BERDAHUIS bij dagvaarding van 24 juni 2008 instelde wegens wanprestatie van eiseressen, (mede) strekte tot ontbinding van de op 11 april 2005 gesloten overeenkomst, met veroordeling van eiseressen tot schadevergoeding. De appelrechter stelt vast dat “Op 11 april 2005, datum waarop de overeenkomst werd gesloten die de grondslag vormde en vormt voor de vordering van (verweerder), (...) de heer W.H., die de overeenkomst onderschreef als zaakvoerder van de toenmalige (NV BERDAHUIS), gemachtigd (was) om het beroep van vastgoedmakelaar uit te oefenen”
(11). De partijen voerden dienaangaande geen betwisting voor de appelrechter. De appelrechter oordeelt dat “Aldus (...) de (NV BERDAHUIS) op 24 juni 2008 zonder enige twijfel belang (had) bij het instellen van de vordering. De elementen die (eiseressen) in dit verband aanvoeren, zoals de uitvoerig besproken bestuurswissels en de (interne) (beweerde onregelmatige) overdrachten van schuldvordering, (...) dan ook niet dienend (zijn)”
(12). De appelrechter oordeelt daarmee dat de NV BERDAHUIS een rechtmatig belang heeft bij haar vordering en verklaart deze vordering ontvankelijk. Hij oordeelt tevens dat de vordering niet zonder voorwerp is geworden. Het middel dat in geen van beide onderdelen aanvoert dat de NV BERDAHUIS op enig ogenblik met haar vordering een onrechtmatig voordeel nastreeft dan wel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde, faalt mijns inziens naar recht. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. ______________________________________
(1)M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond”, RW 2022-23, 1563-1578.
(2)M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond”, RW 2022-23, 1568; J. LAENENS e.a., Handboek gerechelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, 80-81, nr. 132.
(3)Zie o.m. Cass. 11 december 2020, AR C.20.0155.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201211.1N.3, AC 2020, nr. 769.
(4)Zie o.m. Cass. 8 maart 2018, AR C.17.0390.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3, AC 2018, nr. 163, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL en Cass. 11 december 2020, AR C.20.0155.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201211.1N.3, AC 2020, nr. 769.
(5)Vgl. o.m. Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1998, nr. 188, met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 2 maart 2006, AR C.05.0061.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.5, AC 2006, nr. 120, TBH 2007, 253, noot H. DE WULF; Cass. 28 november 2013, AR C.13.0166.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.7, AC 2013, nr. 645; Cass. 8 maart 2018, AR C.17.0390.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3, AC 2018, nr. 163, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 28 mei 2020, AR C.19.0288.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.6, AC 2020, nr. 333; Cass. 10 maart 2022, AR C.21.0317.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.2, AC 2022, nr. 188; Cass. 4 november 2022, AR C.21.0547.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.6, AC 2022, nr. 697. Zie ook: Cass. 16 juni 2014, AR C.12.0402.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140616.3, AC 2014, nr. 429, met concl. van advocaat-generaal J. GENICOT, op datum in Pas.; Cass. 8 maart 2018, AR C.17.0390.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3, AC 2018, nr. 163, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(6)Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0615.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, AC 2015, nr. 356; Cass. 24 april 2003,AR C.00.0567.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25-C.01.0004.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25, AC 2003, nr. 261, met concl. van advocaat-generaal X. DE RIEMAECKER, op datum in Pas.; Cass. 4 december 1989, AR 6848, AC 1989-90, nr. 216; Cass. 14 november 1986, AR 5112, AC 1986/87, nr. 160; Cass. 4 januari 1968, AC 1968, 599; A. SMETS, “Art. 17 Ger.W.” in P. DAUW, B. DECONINCK en B. WYLLEMAN, Duiding burgerlijk procesrecht, Brussel, Intersentia 2021, 26, nr. 3; P. VANLERSBERGHE, “Art. 17 Ger.W. ” in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH, en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, bijwerking: juli 2002, 21, nr. 13.
(7)Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0615.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, AC 2015, nr. 356; P. VANLERSBERGHE, “Art. 17 Ger.W. ” in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH, en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, bijwerking: juli 2002, 21, nr. 14.
(8)Cass. 27 september 2018, AR C.17.0669.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.4, AC 2018, nr. 507.
(9)Cass. 8 maart 2018, AR C.17.0390.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3, AC 2018, nr. 163, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(10)De “beroepsbesluiten na cassatiearrest”, zoals neergelegd op 30 november 2020, p. 12-18.
(11)Bestreden arrest, p. 10, § 3.
(12)Bestreden arrest, p. 10, § 6. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140616.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180308.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180927.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200528.1N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201211.1N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.