← België

M. contra WEAREONE.world bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.4 Rolnummer: C.22.0390.N Zaak: M. contra WEAREONE.world bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2024-05-07 Raadplegingen: 361 - laatst gezien 2026-06-15 06:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.4 Fiches 1 - 2 Het Hof wenst door het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te vernemen of artikel 1, lid 1, EVO en Rome I-Verordening aldus dient te worden uitgelegd dat de vraag naar de titulariteit van een auteursrecht van een werk dat is gecreëerd in uitvoering van een verbintenis uit een arbeid- of opdrachtenovereenkomst, dit is de vraag wie de oorspronkelijke titularis is en of en in welke mate dit recht overdraagbaar is aan een volgende titularis, onder het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” valt

(1)?
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 1, eerste lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 1, eerste lid Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.165, § 2 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. 167, § 1, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 1, eerste lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 1, eerste lid Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.165, § 2 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. 167, § 1, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.23.0390.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: Het tweede onderdeel van het middel, de beide subonderdelen samen. (...) De gegrondheid. 5. Artikel 1, lid 1, EVO bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin het recht van verschillende landen moet worden gekozen. Krachtens artikel 1, lid 1, Rome I-Verordening
(1)is deze verordening, in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken. Artikel 2 WIPR bepaalt dat deze wet, onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, van het recht van de Europese Unie of van bepalingen in bijzondere wetten, voor internationale gevallen, de aanwijzing regelt van het toepasselijk recht. Krachtens artikel 93, lid 1, Wetboek IPR worden de intellectuele eigendomsrechten beheerst door het recht van de Staat voor het grondgebied waarvan de bescherming van de eigendom wordt gevraagd. Lid 2 van voormeld artikel bepaalt dat de vaststelling wie de oorspronkelijke titularis is van een industrieel eigendomsrecht evenwel wordt beheerst door het recht van de Staat waarmee de intellectuele activiteit de nauwste banden heeft. Wanneer de activiteit plaatsvindt in het kader van contractuele betrekkingen wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed dat voornoemde Staat die is waarvan het recht op die betrekkingen van toepassing is. Krachtens artikel 94, §1, Wetboek IPR bepaalt het recht dat krachtens deze afdeling van toepassing is, met name: 1° of een goed roerend of onroerend is; 2° het bestaan, de aard, de inhoud en de omvang van de zakelijke rechten die op een goed kunnen worden gevestigd, alsook van de intellectuele eigendomsrechten; 3° de titularissen van die rechten; 4° de beschikbaarheid van die rechten; 5° de wijzen van ontstaan, wijziging, overdracht en tenietgaan van die rechten; 6° de tegenwerpbaarheid van een zakelijk recht aan derden. Inzake intellectuele eigendomsrechten moet een onderscheid worden gemaakt tussen het intellectueel eigendomsrecht zelf, dit is het zakelijk statuut van dit recht, en contracten in verband met intellectuele eigendom. Volgens een traditionele IPR-regel heeft de territorialiteit van de bescherming van de intellectuele eigendom immers als noodzakelijk gevolg dat op problemen met betrekking tot het zakelijk statuut van de intellectuele eigendomsrechten, dit is betreffende het ontstaan, de overdraagbaarheid en het tenietgaan van die rechten, het recht wordt toegepast van het land dat de bescherming verleent (de lex loci protectionis)
(2). Deze regel is thans verankerd in artikel 93, lid 1, WIPR, dat bepaalt dat de intellectuele eigendomsrechten worden beheerst door het recht van de Staat voor het grondgebied waarvan de bescherming van de eigendom wordt gevraagd
(3). Intellectuele eigendomsrechten zijn immers een juridische creatie en men dient naar een toepasselijk recht te verwijzen om de inhoud, duur, draagwijdte en eigenschappen van de rechten te kennen en in het bijzonder om te bepalen of ze al dan niet overdraagbaar zijn. Dit vormt het recht op zich (de zakenrechtelijke aspecten), dat beheerst wordt door artikel 93, lid 1, WIPR, in tegenstelling tot de overdracht van het recht (de contractuele aspecten)
(4). Het EVO en de Rome I-Verordening zijn krachtens hun artikel 1, lid 1, daarentegen van toepassing op “verbintenissen uit overeenkomst”. Zoals het Giuliano/Lagarde verslag bij het EVO benadrukt, vloeit hieruit logischerwijze voort dat het verdrag (en de verordening) van toepassing zullen zijn op intellectuele eigendomscontracten, terwijl de niet-contractuele aspecten verder zullen blijven vallen onder het recht dat van toepassing is op de intellectuele eigendom zelf
(5). Dit verslag vermeldt immers: “aangezien het Verdrag uitsluitend betrekking heeft op verbintenissen uit overeenkomst, spreekt het vanzelf dat zakelijke rechten en rechten op het gebied van de intellectuele eigendom niet door deze bepalingen worden bestreken”
(6). Het is niet altijd eenvoudig om een onderscheid te maken tussen de intellectuele eigendomsrechten zelf, dit is het zakelijk statuut ervan, waarop de lex loci protectionis van toepassing is, krachtens artikel 93, lid 1, WIPR, en de contracten in verband met die rechten, die onderworpen zijn aan de lex contractus volgens de verwijzingsregels van het EVO en de Rome I-Verordening. In het antwoord van de European Max-Planck Group for Conflicts of Laws in Intellectual Property, kortweg “CLIP”, op het voorstel voor een Rome I-Verordening, wordt gesteld dat vragen van karakterisering kunnen ontstaan: “Which aspects of a contract relating to intellectual property right are contractual by nature and thus fall under the scope of the lex contractus? Which issues are on the other hand governed by the law that governs the intellectual property right itself and are these issues still outside the scope of the instrument? These questions are of particular importance when it comes to issues which concern the intellectual property right itself but which are closely linked to the respective contracts like the transferability of the right, the conditions under which licenses can be granted and whether the transfer or license can be invoked against third parties. These issues do not fall under the lex contractus; they are governed by the law that governs the intellectual property right. Courts should be careful in considering these questions of characterisation”
(7). Volgens het CLIP antwoord zijn bepaalde aspecten die het intellectuele eigendomsrecht zelf betreffen, dit is het zakelijk statuut, maar nauw verbonden zijn met het contract, zoals de overdraagbaarheid van het recht, de voorwaarden waaronder een overdracht of licentie kan plaatsvinden of de vraag of een overdracht of licentie kan worden ingeroepen jegens derden, aldus duidelijk niet onderworpen aan de verwijzingsregels van het EVO of de Rome I-Verordening, maar worden deze beheerst door het recht van het land waarvoor de bescherming wordt gevraagd (de lex loci protectionis). Indien daarentegen een contract inzake intellectuele eigendomsrechten bestaat, dat voldoet aan de voorwaarden van overdraagbaarheid van die rechten conform de lex loci protectionis, zal de lex contractus in het bijzonder van toepassing zijn op de contractuele aspecten, met name de interpretatie van het contract, de uitvoering van de contractuele verplichtingen, de verschillende wijzen waarop deze verplichtingen kunnen worden vervuld, de gevolgen van contractbreuk of de verjaring van de contractuele vorderingen
(8). Wat de karakterisering van bepaalde kwesties inzake het intellectuele eigendomsrecht betreft, werd in de rechtsleer reeds vóór de invoering van de artikelen 93 en 94 WIPR betoogd dat vragen inzake de (oorspronkelijke) titulariteit van het intellectuele eigendomsrecht of de toelaatbaarheid van de overdracht niet-contractuele aspecten van het intellectuele eigendomsrecht zijn, waarop de lex loci protectionis van toepassing is
(9). Krachtens de artikelen 8, lid 1, EVO en 10, lid 1, Rome I-Verordening worden het bestaan en de geldigheid van de overeenkomst of een bepaling daarvan weliswaar beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn. Inzake intellectuele eigendomscontracten omvat de vraag van de geldigheid van het contract, die wordt beheerst door de lex contractus, evenwel niet de vraag of de overdracht van de intellectuele rechten al dan niet geoorloofd of toelaatbaar is, dit is de mate waarin of de voorwaarden waaronder een overdracht van bepaalde intellectuele eigendomsrechten toelaatbaar is. Die vraag betreft immers een aspect van het intellectuele eigendomsrecht zelf, dit is van het zakelijk statuut, waarop het recht van het beschermingsland van toepassing is
(10). Thans geeft artikel 94, § 1, WIPR een duidelijke opsomming van de aspecten die onder het toepassingsgebied van het recht van het beschermingsland vallen, krachtens artikel 93, lid 1, WIPR. Het betreft alle zakenrechtelijke aspecten van intellectuele eigendomsrechten. Enkel buiten dit toepassingsgebied is er plaats voor contractuele aspecten, waarop de lex contractus van toepassing is, volgens de verwijzingsregels van het EVO en de Rome I-Verordening
(11). Artikel 5.2 van de Conventie van Bern bepaalt dat de “omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen” door het recht van het land van bescherming worden bepaald. In de rechtsleer werd echter betwist of de kwestie van de titulariteit van intellectuele eigendomsrechten ook binnen het toepassingsgebied van dit artikel 5.2 van de Conventie van Bern viel. Ten gevolge van de artikelen 93 en 94 WIPR is de aanknopingsfactor evenwel duidelijk: het recht van de Staat waar bescherming wordt gevraagd, bepaalt wie de titularis van de litigieuze rechten is
(12). Wat de oorspronkelijke titulariteit van industriële eigendomsrechten betreft, bevat artikel 93, lid 2, WIPR weliswaar een specifieke regel: indien de intellectuele activiteit plaatsvindt in het kader van een contractuele betrekking, wordt de vaststelling wie de oorspronkelijke titularis is, beheerst door het recht dat van toepassing is op dit contract, dit is het recht van de Staat waarmee de activiteit (op weerlegbare wijze) wordt vermoed de nauwste banden te hebben. Deze regel heeft evenwel enkel betrekking op industriële eigendomsrechten, zoals een octrooi, een merk, een kwekersrecht of een model. Artikel 93, lid 2, WIPR geldt dan ook niet om de oorspronkelijke titularis van een auteursrecht of een naburig recht te bepalen. De intellectuele eigendomsrechten stricto sensu (auteursrechten en naburige rechten, databankbescherming, enz.) vallen dus onder het toepassingsgebied van artikel 93, lid 1, WIPR. De oorspronkelijke titularis wordt daar territoriaal bepaald op basis van het recht van het land waar de bescherming wordt gevraagd
(13). Dit wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding bij art. 93 WIPR, waarin wordt vermeld dat artikel 93, lid 2, WIPR “niet geldt voor het auteursrecht en de naburige rechten, waarvoor de aard van de recente bepalingen van de wet van 30 juni 1994 de handhaving van het territorialiteitsbeginsel verantwoordt”
(14).Vermoedelijk werd gevreesd dat in de praktijk de nauwste band kan worden gemanipuleerd in het voordeel van een land met een work for hire doctrine en was dat in een civielrechtelijke auteurscontext als de onze onwenselijk
(15). Uit het bovenstaande volgt dat, krachtens de artikelen 93, lid 1, en 94, § 1, Wetboek IPR het gehele zakelijke statuut van de auteursrechten, met inbegrip van vragen inzake de oorspronkelijke titulariteit en de overdraagbaarheid ervan, met name de voorwaarden waaronder een overdracht of licentie mag plaatsvinden, wordt beheerst door het recht van het beschermingsland (lex loci protectionis). Deze vragen betreffen immers niet-contractuele aspecten, waarop de lex contractus, bepaald volgens de verwijzingsregels van het EVO of de Rome I-Verordening, niet van toepassing is. In casu stellen de appelrechters vast dat eiser (een Nederlander) van 2009 tot 2017 met verweerster samenwerkte, een Belgische vennootschap die jaarlijks het festival Tomorrowland organiseert. In uitvoering van een mondeling met verweerster gesloten opdrachtovereenkomsten, ontwierp eiser in Nederland creaties (waaronder logo’s, de hoofdpodia en de festivaldecoratie). Na beëindiging van de samenwerking in 2017 meent eiser dat zijn auteursrechten, te weten zijn vermogensrechten en morele rechten, op de creaties geschonden zijn en vordert hij voor de Belgische rechter schadevergoeding voor het vermeende onrechtmatige gebruik door verweerster van zijn creaties tijdens en na de beëindiging van de overeenkomst. De appelrechters stellen niet nader vast wat er precies in die overeenkomsten werd bepaald. Deze waren mondeling; zij werden niet schriftelijk vastgelegd. De appelrechters stellen echter vast dat eiser jaarlijks na de organisatie van het festival een bedrag van 100.000 euro aan verweerster factureerde
(16). De vraag rijst naar de titulariteit van de auteursrechten, namelijk
(1)wie de oorspronkelijke titularis is van die rechten en
(2)of zij op een toelaatbare wijze konden worden overgedragen en onder welke voorwaarden. Dit betreft het zaakstatuut van de auteursrechten, waarop het recht van het beschermingsland van toepassing is, in casu het Belgisch recht. Zo had de eerste rechter op het vraagstuk van de titulariteit van de auteursrechten op correcte wijze het Belgisch recht toegepast. Krachtens artikel XI.170 WER is de oorspronkelijke titularis de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd, dit is eiser. In België is de rechtsfiguur van een fictief makerschap, op grond waarvan de opdrachtgever onder bepaalde voorwaarden als oorspronkelijke titularis van het werk beschouwd wordt, zoals krachtens artikel 8 Nederlandse auteurswet, onbekend. Vervolgens moet naar Belgisch recht worden beoordeeld of in de voorliggende omstandigheden een geldige/toelaatbare overdracht of licentie van de auteursrechten heeft plaatsgevonden van eiser naar verweerster. Deze beoordeling raakt immers aan de vraag van de overdraagbaarheid van de auteursrechten en aan de voorwaarden waaronder die rechten kunnen worden overgedragen, wat een zakenrechtelijk aspect is. Een overdracht van vermogensrechten dient naar Belgisch recht te voldoen aan de vereisten van artikel XI.167, § 1, WER. Deze vereisten gelden voor alle auteurscontracten, dit is zowel voor contracten waarbij vermogensrechten worden overgedragen als voor deze waarbij al dan niet exclusieve licenties worden verleend
(17). Krachtens artikel XI.167, § 1, lid 4, WER moeten voor elke explotatiewijze in verband waarmee gecontracteerd wordt, de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald. Dit is de specificeringsplicht. Krachtens artikel XI.167, § 1, lid 2, WER moeten alle contracten ten aanzien van een auteur schriftelijk worden bewezen. Het vereiste van een geschrift is echter een bewijsregel en geen geldigheidsvereiste. Hieruit volgt dat het geschrift ook na de verlening van de rechten kan worden opgesteld. Het geschrift dient niet noodzakelijk een onderhandse of authentieke akte te betreffen. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een factuur die uitgaat van de auteur die rechten verleent, een bestelbon of een prijsofferte
(18). Dat er in casu geen schriftelijke overeenkomst is gesloten inzake een overdracht of licentie van vermogensrechten op de creaties, maar slechts mondelinge dienstverleningsovereenkomsten bestaan, behoeft dus niet noodzakelijk een probleem te zijn, indien de overdracht of licentie van bepaalde exploitatiewijzen naderhand door schriftelijke akten bewezen kan worden, bijvoorbeeld door facturen. Zo leidde de eerste rechter het bestaan van een gebruikslicentie van de vermogensrechten op de creaties voor verweerster onder meer af uit de jaarlijkse facturen uitgegeven door eiser, waarop hij melding maakte van de webcampagnes en de merchandising
(19). Krachtens artikel XI.165, § 2, WER zijn morele rechten daarentegen onvervreemdbaar en is de globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht nietig. A contrario betekent dit dat een welomschreven toestemming voor een actuele uitoefening van een moreel recht wel degelijk geldig is. Het principe van de onvervreemdbaarheid van morele rechten geldt dus alleen voor contracten waarbij de exploitant zou pogen om de auteur op voorhand en zonder precisering van zijn fundamentele rechten te beroven
(20). De eerste rechter oordeelde dat de morele rechten niet werden overgedragen, maar dat de eiser geen concrete inbreuk op zijn morele rechten met betrekking tot precieze werken bewijst. Zo kwam de eerste rechter in toepassing van het Belgisch auteursrecht tot het besluit dat verweerster geen schadevergoeding verschuldigd was aan eiser wegens schending van zijn auteursrechten. Mijns inziens hebben de appelrechters de regels inzake het toepasselijke recht op de vraag van de titulariteit van de auteursrechten daarentegen niet op een juiste wijze toegepast. Enerzijds erkennen zij zelf dat “de problematiek in essentie van auteursrechtelijke aard is” en onder meer “het vraagstuk omtrent de titulariteit van de rechten verbonden aan de creaties” betreft en oordelen zij dat “het geschil daarnaast een contractueel luik betreft met betrekking tot de beëindiging van de samenwerking tussen partijen”
(21). Hier lijken zij dus wel een onderscheid te maken tussen het intellectuele eigendomsrecht zelf en de contractuele aspecten. Ook in r.o. 11 van het bestreden arrest spreken de appelrechters enerzijds over de titulariteit van de auteursrechten en, anderzijds, over het contractuele luik. In de daaropvolgende overwegingen (r.o. 12 e.v.) brengen zij echter zowel de contractuele als de niet-contractuele aspecten onder dezelfde noemer en passen zij op het geheel de lex contractus toe, namelijk het Nederlands recht, dit is het recht van de plaats waar eiser de meest kenmerkende prestatie heeft geleverd, krachtens art. 4, lid 1 en 2, EVO, en het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft, krachtens art. 4, lid 1, b), Rome I-VO. Uiteindelijk lijken de appelrechters de kwestie van de titulariteit van de auteursrechten dus toch als een contractueel aspect te kwalificeren, waarop de lex contractus van toepassing is. Zij bestempelen het fictief makerschap van artikel 8 Nederlandse Auteurswet – op grond waarvan verweerster als opdrachtgever als oorspronkelijke titularis van de auteursrechten wordt beschouwd – zelfs als een rechtsfeit waardoor de dienstverleningsovereenkomsten worden gedicteerd
(22). Ik meen dat deze redenering niet naar recht verantwoord is. Zoals hiervoor reeds vermeld, betreft de titulariteit een zakenrechtelijk (niet-contractueel) aspect van het intellectuele eigendomsrecht, dat buiten het toepassingsgebied van het EVO of de Rome I-Verordening valt en waarop de lex loci protectionis van toepassing is. De appelrechters hebben dus een onjuiste karakterisering gegeven van de kwestie van de titulariteit van de auteursrechten, namelijk als een contractueel aspect of zelfs een rechtsfeit dat de contractuele verhouding dicteert, in plaats van een zakenrechtelijk aspect, en passen vervolgens de verkeerde verwijzingsregels inzake het toepasselijke recht toe, namelijk de lex contractus in plaats van de lex loci protectionis. Door op grond hiervan te oordelen dat artikel 8 Nederlandse auteurswet van toepassing is en dat verweerster op grond hiervan als fictief maker (dit is de oorspronkelijke titularis van de auteursrechten) moet worden beschouwd, zodat zij beschikt over de vermogensrechten op de creaties en eiser zich niet langer kan beroepen op de morele rechten hierop, verantwoorden de appelrechters hun beslissing mijns inziens dus niet naar recht. Opgemerkt moet worden dat de appelrechters naar ik meen wél terecht het Nederlands recht (de lex contractus) hebben toegepast op het contractuele aspect van de onrechtmatige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomsten. De eerste rechter lijkt op deze vraag daarentegen verkeerdelijk het Belgisch recht te hebben toegepast. Verweerster voert in de memorie aan dat de appelrechters, anders dan het onderdeel aanvoert, zich helemaal niet hebben uitgesproken over de zakenrechtelijke aspecten of de wijze van ontstaan van de ingeroepen vermogensrechten op de creaties. Zij hebben volgens verweerster slechts geoordeeld dat de bredere dienstverleningsovereenkomst beheerst wordt door het Nederlands recht en dat de verbintenissen uit die overeenkomst gedicteerd worden door de fictie van artikel 8 Nederlandse Auteurswet als rechtsfeit
(23), zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Het is juist dat de appelrechters zich niet hebben uitgesproken over de zakenrechtelijke aspecten van de ingeroepen auteursrechten, maar dat is nu net het probleem. Zij hadden mijns inziens de titulariteit van de auteursrechten als zakenrechtelijk aspect moeten karakteriseren, te onderscheiden van de contractuele aspecten, en hierop het recht van het beschermingsland moeten toepassen (de lex loci protectionis). Ik meen dat het nu net hierin is dat de onjuistheid van de redenering van de appelrechters lijkt te liggen. Zelfs in de hypothese dat het eindresultaat van het bestreden arrest gevoelsmatig “juist” zou aanvoelen, hadden de appelrechters naar ik meen niet de lex contractus (het Nederlandse recht) ook op de vraag van de titulariteit van de auteursrechten mogen toepassen, om reden dat de regel van het fictief makerschap van de opdrachtgever (artikel 8 Nederlandse auteurswet) naar hun oordeel een bevredigend resultaat opleverde, op grond waarvan alle auteursrechten ab initio (dus vanaf de creaties) bij verweerster lagen. Ook in het Nederlands recht wordt deze regeling trouwens als vrij bot ervaren en staat die behoorlijk onder kritiek
(24). Ook indien het Belgisch recht zou worden toegepast op het vraagstuk van de titulariteit van de auteursrechten, zou hetzelfde eindresultaat kunnen worden bereikt, in de hypothese dat de feitenrechter dit als juist zou aanvoelen, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, namelijk dat verweerster geen schadevergoeding verschuldigd is aan eiser wegens schending van de auteursrechten. De eerste rechter kwam trouwens tot deze oplossing op grond van de toepassing van het Belgisch auteursrecht (zie supra). Ten slotte lag voor de appelrechters ook de discussie voor of verweerster (opdrachtgever) als ontwerper van een tekening of een model kon worden beschouwd, krachtens artikel 3.8, lid 2, BVIE en haar, krachtens artikel 3.29 BVIE, dan ook het auteursrecht inzake die tekening of dit model toekwam, en of zij dit auteursrecht dan ook kon uitoefenen tegen de eiser (de eigenlijke maker) of enkel tegen derden. De appelrechters oordelen in het bestreden arrest dat er geen tekening- en modelbescherming bestaat voor de logo’s en het “artwork” gecreëerd voor verweerster, maar met betrekking tot de andere creaties laten zij die vraag nog open. Zij formuleren in dat kader prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof, maar achten het niet nuttig om deze te stellen nu op grond van artikel 8 Nederlandse auteurswet volgens hen al zou vaststaan dat de verweerster de (oorspronkelijke) titularis is van de auteursrechten. In de hypothese dat het Hof dit oordeel vernietigt, rijst opnieuw de vraag of verweerster ten aanzien van eiser als titularis van het auteursrecht van de andere creaties kan worden beschouwd, op grond van artikel 3.8, lid 2, en 3.29 BVIE. De rechter naar wie de zaak in de voormelde hypothese zou worden terugverwezen, zal hierover uitspraak moeten doen en desgevallend prejudiciële vragen stellen aan het Benelux-Gerechtshof. 6. De aanknopingsfactoren van de verwijzingsregels in het WIPR kunnen worden beschouwd als “onweerlegbare vermoedens” ter aanwijzing van het land dat de nauwste band heeft met de betrokken rechtsverhouding. Dit bevordert de rechtszekerheid en uniformiteit. Krachtens de uitzonderingsclausule van artikel 19, § 1, WIPR kan in zeer uitzonderlijke omstandigheden echter van die vermoedens worden afgeweken, om de toepassing te verzekeren van het recht dat in concreto de nauwste band heeft met de te regelen situatie. Dit artikel fungeert dus als een soort veiligheidsklep
(25). Voor de toepassing van deze uitzonderingsclausule gelden, krachtens artikel 19, § 1, lid 1, WIPR twee cumulatieve voorwaarden. Ten eerste moet kennelijk blijken uit het geheel van de omstandigheden dat het geval slechts een zeer zwakke band heeft met de Staat waarvan het recht is aangewezen. Ten tweede moet eveneens kennelijk blijken uit het geheel van omstandigheden dat het geval zeer nauw verbonden is met een andere Staat. Deze restrictieve formulering wijst erop dat de uitzonderingsclausule daadwerkelijk slechts uitzonderlijk kan worden ingeroepen om het normaal toepasselijke recht uit te schakelen
(26). Om dit artikel te kunnen toepassen, moet de rechter alle omstandigheden van de specifiek voorgelegde casus in acht nemen. Slechts indien de normale verwijzing (conform de bepalingen van het WIPR) geheel ongepast zou zijn, kan hij hiervan afwijken. De rechter moet dit artikel dan ook met de nodige terughoudendheid toepassen
(27). Deze restrictieve formulering vertolkt de bezorgdheid van de wetgever om de normale werking van de verwijzingsregels in het Wetboek IPR te behouden
(28). In de parlementaire voorbereiding bij artikel 19 WIPR wordt dan ook vermeld dat “praktisch beschouwd deze clausule van uitzonderlijke aard (moet) blijven, hetgeen in de beperkende bewoordingen tot uiting komt. De beslissing die er gebruik van maakt, behoort dan ook de naleving van die voorwaarden strikt te motiveren”
(29). De verwijzingsregels van het WIPR gelden dus niet als eenvoudig weerlegbare vermoedens. Zij moeten worden toegepast, behoudens zeer duidelijke, sterke contra-indicaties. De rechtsleer benadrukt dat de uitzonderingsclausule een veel restrictievere benadering inhoudt dan bijvoorbeeld artikel 4, lid 5, EVO. Krachtens die bepaling gelden de vermoedens van de nauwste band van leden 2, 3 en 4 niet “wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land”. Deze formulering is dus ruimer dan de uitzonderingsclausule van artikel 19, § 1, WIPR
(30). Ook de beklemtoning in artikel 19, § 1, lid 2, WIPR dat bij de toepassing van het eerste lid inzonderheid rekening moet worden gehouden met “de nood aan voorspelbaarheid van het toepasselijk recht” houdt een waarschuwing in voor de rechter om de uitzonderingsclausule niet lichtvaardig toe te passen
(31). Daarnaast moet krachtens artikel 19, § 1, lid 2, WIPR rekening worden gehouden met de geldige totstandkoming van de rechtsverhouding volgens de IPR-regels van Staten waarmee ze verbonden was bij die totstandkoming. Dit betreft de erkenning van in een andere Staat reeds verworven rechten
(32). Wanneer in een bepaalde Staat een rechtsverhouding geldig tot stand is gekomen, en op grond daarvan rechten en plichten zijn ontstaan, creëert dit voor de Belgische rechter een nieuw feit waarmee hij bij de toepassing van het Wetboek IPR rekening moet houden
(33). De voorwaarden van het eerste lid blijven echter gelden: de krachtens het recht van een bepaalde Staat verworven rechten kunnen slechts uit dien hoofde worden gerespecteerd indien kennelijk een zeer nauwe band bestaat met die Staat en een zeer zwakke band met de Staat waarvan het recht door de verwijzingsregels van het Wetboek IPR wordt aangewezen
(34). De appelrechters lijken de uitzonderingsclausule van artikel 19, § 1, WIPR, in strijd met bovenstaande uitleg van die bepaling, te lichtvaardig te hebben toegepast. Zij oordelen dat, zelfs indien het Belgisch recht krachtens artikel 93, lid 1, WIPR van toepassing zou zijn op het vraagstuk inzake de titulariteit van de auteursrechten, dit recht krachtens artikel 19 WIPR nog steeds, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, moet wijken voor het recht waarmee het geval “een nauwere band” heeft, in dit geval het Nederlands recht omdat de plaats van de creaties in Nederland is. De appelrechters lijken aldus een onjuiste toets van de uitzonderingsclausule te hebben doorgevoerd: zij hanteren het criterium van “een nauwere band” (zoals in artikel 4, lid 5, EVO) in plaats van de hierboven besproken restrictievere cumulatieve voorwaarden, op grond waarvan
(1)“kennelijk” een “zeer zwakke band” met België moet bestaan en
(2)“kennelijk” een “zeer nauwe” band met Nederland. Dit moet blijken uit het geheel van de omstandigheden. De appelrechters onderzoeken evenwel niet of deze restrictieve criteria vervuld zijn. Zij stellen slechts vast dat Nederland het land is waarin de eiser de creaties heeft ontworpen. De creaties werden evenwel gebruikt in België en in dat land werd de bescherming van de intellectuele eigendom gevraagd. Artikel 93, lid 1, WIPR heeft precies betrekking op grensoverschrijdende situaties, waarin een werk in een bepaalde Staat wordt gecreëerd, maar de bescherming ervan wordt ingeroepen op het grondgebied van een andere Staat. De aanknopingsfactor is dan volgens artikel 93, lid 1, WIPR het recht van het beschermingsland, waarmee het geval wordt geacht de nauwste band te hebben. Indien het loutere gegeven dat het werk in een ander land werd gecreëerd, zou volstaan om dit vermoeden van nauwste band te doorbreken, zou dit de aanknopingsfactor van artikel 93, lid 1, WIPR volledig uithollen. Zoals hierboven aangetoond, is dat net niet de bedoeling van de uitzonderingsclausule van artikel 19, § 1, WIPR. In de memorie van antwoord voert verweerster aan dat de appelrechters wel degelijk rekening hebben gehouden met het geheel van omstandigheden. De memorie verwijst echter mijns inziens naar overwegingen in het bestreden arrest, waarin de ingeroepen omstandigheden andere hypothesen betreffen, die geen verband houden met de specifieke toepassing van artikel 19, §1, WIPR. In het kader van de analyse van de toepasselijkheid van deze uitzonderingsclausule, zijn die eerdere overwegingen van de appelrechters dan ook niet relevant en kan hiermee naar ik meen geen rekening worden gehouden. Zo is de overweging dat in Nederland de meest kenmerkende prestatie heeft plaatsgevonden (bestreden arrest, p. 15) niet relevant, nu deze een andere aanknopingsfactor betreft, namelijk het vermoeden van de nauwste band in de zin van art. 4, lid 2, EVO, om het recht te bepalen dat van toepassing is op de dienstverleningscontracten. De appelrechters oordelen ook dat het gebruik van de auteursrechten op Belgisch grondgebied niet volstaat om een nauwere band met België te bewijzen, maar die overweging betrof de vraag of het vermoeden van art. 4, lid 2, EVO uitzonderlijk kon worden doorbroken, op grond van artikel 4, lid 5, EVO (bestreden arrest, p. 19 en 20) of op grond van een “nauwe band” met Belgische dwingende wetsbepalingen (artikel 7, lid 2, EVO, dat de appelrechters mijns inziens overigens niet juist toepassen, bestreden arrest p. 19). Ook de nood aan voorspelbaarheid, waarmee de appelrechters volgens de memorie van antwoord rekening zouden hebben gehouden, betreft andere hypothesen, met name de vraag of de Belgische regels inzake titulariteit bijzonder dwingend recht uitmaken in de zin van de artikelen 7 EVO en 9 Rome I-VO, op grond waarvan van de lex contractus zou kunnen worden afgeweken (bestreden arrest, p. 18 en 19). Ik meen dat dit niet pertinent is, nu de titulariteit van de auteursrechten – als zakenrechtelijk aspect – sowieso buiten het toepassingsgebied van het EVO of de Rome I-verordening valt (zie supra). Het onderdeel voert dan ook mijns inziens terecht de schending aan van artikel 19, § 1, WIPR, doordat de appelrechters geen rekening houden met het geheel van omstandigheden en de nood aan voorspelbaarheid van het toepasselijk recht en aldus de restrictieve toepassingsvoorwaarden van deze uitzonderingsclausule, krachtens lid 1 van die bepaling, hebben miskend, zodat hun beslissing niet naar recht verantwoord is. 7. Gelet op hetgeen voorafgaat, is mijn inziens het onderdeel in de beide subonderdelen gegrond. De overige grieven van eiser. 8. Het komt mij voor dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest. _____________________________________
(1)De Rome I-Verordening vervangt het EVO met ingang van 17 december 2009.
(2)G. VAN HECKE en K. LENAERTS, Internationaal privaatrecht in APR, Antwerpen, Story-Scientia 1989, 312, nr. 665; J. ERAUW en H. STORME, Internationaal privaatrecht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XVII, Mechelen, Kluwer 2009, 703, nr. 622; P. TORREMANS, “Intellectuele eigendomsrechten en de Rome I-Verordening”, TBH 2009, 538-539.
(3)M. PERTEGÁS, “Artikel 93” in J. ERAUW e.a. (eds.), Het Wetboek internationaal privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia 2006, 478.
(4)Zie P. TORREMANS, “Art. 93 WIPR” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal Privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 753.
(5)P. TORREMANS, o.c., 539.
(6)M. GIULIANO en P. LAGARDE, “Rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst”, Pb. 1980, C-282/10.
(7)CLIP, European Max-Planck Group for Conflict of Laws in Intellectual Property, “Comments on the European Commission’s Proposal for a Regulation on the Law Applicable to Contractual Obligations (“Rome I”) of December 15, 2005 and the European Parliament Committee on Legal Affairs’ Draft Report on the Proposal of August 22, 2006”, 4 januari 2007.
(8)Zie art. 10 EVO en 12 Rome I-VO; P. TORREMANS, o.c., 540.
(9)G. VAN HECKE en K. LENAERTS, o.c., 314, nr. 670; F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Brussel, Bruylant 2000, 650, nr. 806.
(10)In die zin: F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, o.c., 644, nr. 800: “toutefois, est généralement admis que la lex loci protectionis s’applique à (…) la licéité ou admissibilité du contrat, et plus précisément la mesure admissible de la cession ou concession de tel ou tel droit”.
(11)Zie P. TORREMANS, “Art. 94 WIPR” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal Privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 754.
(12)M. PERTEGÁS, “Artikel 93” in J. ERAUW e.a. (eds.), Het Wetboek internationaal privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia 2006, 479.
(13)M. PERTEGÁS, “Artikel 93” in J. ERAUW e.a. (eds.), Het Wetboek internationaal privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2006, 477; P. TORREMANS, “Art. 94 WIPR” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal Privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 754.
(14)Toelichting bij wetsvoorstel houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, Parl. St. Senaat BZ 2003, nr. 3-27/1, p. 119.
(15)P. TORREMANS, “Art. 94 WIPR”, o.c., 754.
(16)Zie bestreden arrest, p. 4 bovenaan.
(17)H. VANHEES, “Art. XI.167 WER” in F. BRISON en H. VANHEES (eds.), Jan Corbet Huldeboek. Het Belgische auteursrecht, Artikelsgewijze commentaar, Brussel, Larcier 2018, 78.
(18)H. VANHEES, o.c., 79.
(19)Zie beroepen vonnis, r.o. 16.
(20)F. GOTZEN, “Art. XI.165 WER” in F. BRISON en H. VANHEES (eds.), Jan Corbet Huldeboek. Het Belgische auteursrecht, Artikelsgewijze commentaar, Brussel, Larcier 2018, 66-67.
(21)Bestreden arrest, r.o. 10.
(22)Bestreden arrest, p. 19, eerste zwarte bullet en p. 20, eerste witte bullet.
(23)Memorie van antwoord, p. 13 onderaan.
(24)J.H. SPOOR, D.W.F. VERKADE en D.J.G. VISSER, Auteursrecht, Deventer, Kluwer 2019, 53-54; P.G.F.A. GEERTS en G.A.C. VAN DEN HOUT, “Het openbaarmakingsrecht: een (hernieuwde) oproep tot een restrictieve uitleg van art. 8 Aw”, IER 2015/38.
(25)J. MEEUSEN, “Art. 19” in J. ERAUW e.a. (eds.), Het Wetboek internationaal privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia 2006, 103.
(26)J. MEEUSEN, o.c., 103.
(27)E. CASIER, “artikel 19 WIPR” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal Privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 648; J. ERAUW en H. STORME, Internationaal privaatrecht in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XVII, Mechelen, Kluwer 2009, 383; B. VOLDERS en L. SAMYN, Belgisch internationaal privaatrecht, Antwerpen, Maklu 2009, 703.
(28)J. MEEUSEN, o.c., 103-104; zie advies Raad van State 268-273.
(29)Toelichting bij wetsvoorstel houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, Parl. St. Senaat BZ 2003, nr. 3-27/1, p. 44.
(30)J. MEEUSEN, o.c., 104; P. WAUTELET, v° Conflits de lois in H. BOULARBAH (ed.), “Le nouveau droit international privé belge”, JT 2005, 181.
(31)J. MEEUSEN, o.c., 104.
(32)E. CASIER, o.c., 648; J. MEEUSEN, o.c., 104.
(33)J. MEEUSEN, o.c., 104.
(34)J. MEEUSEN, o.c., 104. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.