id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.6 Rolnummer: F.22.0063.N Zaak: V. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2024-05-07 Raadplegingen: 490 - laatst gezien 2026-06-15 06:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.6 Fiche 1 Als bezoldigingen van werknemers in de zin van de artikelen 30 en 31, eerste lid, WIB92 moeten worden beschouwd, niet alleen de beloningen ontvangen door werknemers die onderworpen zijn aan de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten, maar ook de beloningen ontvangen door werknemers die zonder door een eigenlijke arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander verrichten, zoals de ambtenaren en beambten van de openbare sector, wiens arbeidsvoorwaarden, rechten en plichten zijn vastgelegd in een publiekrechtelijk statuut, vervat in een wet, een decreet, een koninklijk besluit of een besluit van een Gewestregering
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 30 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 31 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Schepenen zijn belast met een uitvoerend mandaat onder het gezag van de gemeente en hun arbeidsvoorwaarden, rechten en plichten zijn vastgelegd in het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017; de vergoedingen die zij ontvangen als tegenprestatie voor hun mandaat, moeten bijgevolg worden beschouwd als bezoldigingen van werknemers in de zin van de artikelen 30 en 31, eerste lid, WIB92 en niet als baten in de zin van artikel 27, eerste lid, WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Bezoldigingen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 30 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 31 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 3 - 7 Het Hof stelt aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 51 WIB92 het door de gecoördineerde Grondwet in de artikelen 10, 11 en 172 gewaarborgde gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, in zoverre de belastingplichtige die bezoldigingen van werknemers uit verschillende activiteiten ontvangt voor alle ontvangen bezoldigingen hetzij voor de aftrek van werkelijke beroepskosten hetzij voor de aftrek van forfaitaire beroepskosten dient te kiezen, zonder over de mogelijkheid te beschikken om voor de bezoldigingen uit de ene activiteit te opteren voor de aftrek van forfaitaire beroepskosten en voor de bezoldigingen uit de andere activiteit voor de aftrek van werkelijke beroepskosten, terwijl de belastingplichtige die werknemersbezoldigingen en baten ontvangt, de aftrek van werkelijke beroepskosten verbonden aan de werknemersbezoldigingen mag combineren met de aftrek van forfaitaire beroepskosten verbonden aan baten en vice versa?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 51 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 51 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 51 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 51 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 51 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.22.0063.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (….) 1. Situering. De betwisting betreft aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016. Eiser is sedert 2013 schepen in de gemeente Beernem. Hij combineert zijn mandaat als schepen met zijn job als leerkracht. In zijn aangifte in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2015 en 2016 heeft hij enerzijds werkelijke kosten in aftrek gebracht van zijn bezoldigingen verkregen uit het mandaat van schepen en anderzijds forfaitaire kosten aangerekend met betrekking tot de bezoldigingen verkregen uit zijn functie als leerkracht. De administratie heeft de aangegeven werkelijke kosten met betrekking tot het mandaat van schepen beperkt tot het bijzonder forfait. Volgens de administratie kan binnen één soort van beroepsinkomen de forfaitaire aftrek niet gecombineerd worden met de aftrek van bewezen kosten. Voor de inkomsten van burgemeesters, schepenen of OCMW-voorzitters, die beschouwd moeten worden als bezoldigingen in de zin van artikel 31 WIB92, wordt bij wijze van administratieve tolerantie een combinatie van kostenaftrek toegestaan, doch enkel de combinatie van het bijzonder kostenforfait voor de bezoldigingen uit het mandaat als burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter met de aftrek van de werkelijke beroepskosten voor de bezoldigingen (te dezen als leerkracht), dus niet andersom. De gerechtelijke betwisting van de gevestigde aanslagen leidde tot een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 12 oktober 2021
(1). Eisers komen op tegen dit arrest met drie middelen tot cassatie. (….)
- Bespreking van het tweede middel. 3.
- Het tweede middel voert aan dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat de inkomsten die eiser verkregen heeft uit hoofde van het uitvoerend ambt van schepen geen baten zijn, maar kwalificeren als bezoldigingen. Volgens eisers moeten inkomsten uit een politiek mandaat, zoals dat van schepen, als baten worden beschouwd. (Schending van de artikelen 27 en 31 WIB92) 3.
- Krachtens artikel 27 WIB92 zijn baten alle inkomsten uit een vrij beroep, een ambt of post en alle niet als winst of als bezoldigingen aan te merken inkomsten uit een winstgevende bezigheid. Overeenkomstig artikel 30 WIB92 omvatten bezoldigingen, ongeacht de schuldenaar of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend: 1° bezoldigingen van werknemers; 2° bezoldigingen van bedrijfsleiders; 3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten". Artikel 31, eerste lid WIB92 bepaalt dat alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever bezoldigingen zijn. Artikel 31, eerste lid, WIB92 vereist een gezagsrelatie, maar vereist niet dat die gezagsrelatie voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst. 3.
- De fiscale administratie gaat er m.i. terecht van uit dat als bezoldiging van werknemers in de zin van artikel 31 WIB92 moeten worden beschouwd, niet alleen de bezoldigingen ontvangen door werknemers die door een arbeidsovereenkomst gebonden zijn, maar ook de bezoldigingen ontvangen door statutaire ambtenaren. Er is immers geen enkele reden waarom het loon van een werknemer in arbeidsrechtelijke zin en het loon van een statutair ambtenaar fiscaal anders zouden moeten worden behandeld. De tekst van artikel 31, tweede lid, WIB92 lijkt dit standpunt te bevestigen. Volgens artikel 31, tweede lid, WIB92 behoren inzonderheid tot de notie ‘bezoldigingen van werknemers’ “wedden, lonen, commissies, gratificaties, premies, vergoedingen en alle soortgelijke beloningen, (…)”. Met de notie ‘wedde’ wordt doorgaans bedoeld de beloning ontvangen door een statutaire ambtenaar; met de notie ‘loon’ wordt doorgaans gedoeld op de beloning ontvangen door een werknemer gebonden door arbeidsovereenkomst. Ook de parlementaire voorbereiding van het WIB64 lijkt te bevestigen dat onder de notie ‘bezoldigingen van werknemers’ niet alleen de beloningen ontvangen door werknemers gebonden door een arbeidsovereenkomst moeten worden verstaan en vermeldt dat het gaat om: “(…) de verschillende bezoldigingen van alle personen bezoldigd door een derde, zonder verbonden te zijn door een aannemingscontract”
(2). 3.
- Zoals verweerder terecht opwerpt in zijn memorie, dient om te bepalen of inkomsten uit een politiek mandaat als baten dan wel als bezoldigingen kwalificeren, het onderscheid gemaakt te worden tussen uitvoerende en niet-uitvoerende mandaten. Het onderscheid tussen uitvoerende en niet-uitvoerende mandaten houdt verband met het al dan niet voorhanden zijn van een ondergeschikt verband. Een niet-uitvoerend mandaat betreft een louter vertegenwoordigend mandaat waarbij de vertegenwoordiger vrij is te handelen zoals hij wil en dus niet onder gezag staat. Bij een uitvoerend mandaat treedt de politiek mandataris op als orgaan van een overheidsbestuur aan wiens gezag hij is onderworpen. Het onderscheid in fiscale behandeling van inkomsten uit enerzijds uitvoerende mandaten en anderzijds vertegenwoordigende mandaten komt tot uiting in de artikelen 27, tweede lid, 5° en 6°, WIB92 en artikel 31, vierde lid, WIB
- Krachtens artikel 27, tweede lid, 5° en 6°, WIB92 omvatten baten: * de vergoedingen van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de gemeenschaps- en gewestparlementen en het Europees Parlement, alsmede de vergoedingen voor de uitoefening van bijzondere functies in de vergaderingen, met uitzondering van de terugbetalingen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de gemeenschaps- en gewestparlementen en het Europees Parlement van gedane kosten; * de vergoedingen van de leden van de provincieraden. Krachtens artikel 31, vierde lid, WIB92 zijn eveneens als bezoldigingen belastbaar, de wedden en vergoedingen van de leden van de bestendige deputatie, met uitzondering van de terugbetalingen van de kosten verbonden aan de uitoefening van het ambt. Uit deze artikelen blijkt duidelijk dat op het niveau van de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de Europese Unie en de provincies, een onderscheid wordt gemaakt tussen niet-uitvoerende politieke mandaten en uitvoerende politieke mandaten. De beloningen ontvangen door niet-uitvoerende politieke mandatarissen zijn baten; de beloningen ontvangen door uitvoerende politieke mandatarissen zijn bezoldigingen. Mutatis mutandis lijkt mij dit ook op gemeentelijk vlak te moeten gelden. 3.
- Binnen de gemeente worden de uitvoerende mandaten uitgeoefend door de burgemeester en de schepenen, terwijl gemeenteraadsleden een niet-uitvoerend mandaat bekleden. De burgemeester en de schepenen oefenen hun mandaat uit in opdracht van de gemeente en handelen in die zin in ondergeschikt verband van de gemeente die hen als tegenprestatie daarvoor een vergoeding toekent. Dit komt duidelijk tot uiting in artikel 149 van het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, luidende: "De burgemeester en de schepenen, uitgezonderd de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst die met toepassing van artikel 42, § 1, derde lid, schepen is, krijgen ten laste van de gemeente een wedde, een vakantiegeld, een eindejaarspremie en een uittredingsvergoeding. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, §1, derde lid, krijgt ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een wedde, een vakantiegeld, een eindejaarspremie en een uittredingsvergoeding". 3.
- Het middel dat aanvoert dat alle inkomsten uit een politiek "ambt" als baten moeten worden gekwalificeerd, zonder dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de inkomsten verkregen uit een uitvoerend mandaat en de inkomsten verkregen uit een niet-uitvoerend mandaat, faalt m.i. naar recht.
- Bespreking van het derde middel. 4.
- Eiser voert aan dat de onmogelijkheid om het wettelijk kostenforfait te combineren met de werkelijke kosten uit het mandaat van schepen een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel (Schending van de artikelen 10, 11, 172 G.W. en 49 juncto 51 WIB92). 4.
- In zoverre eisers aanvoeren dat de administratieve tolerantie een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel in zoverre het niet mogelijk is om het wettelijk forfait voor de functie als leerkracht te combineren met de werkelijke kosten voor het mandaat van schepen, terwijl indien eiser geen leerkracht zou zijn geweest, maar een vrije beroeper, hij wel die mogelijkheid zou hebben gehad, kan het m.i. niet worden aangenomen. De toetsing aan de grondwettelijke regel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist immers dat de categorieën van personen ten aanzien waarvan een discriminatie wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn
(3). De appelrechter verantwoordt m.i. zijn beslissing naar recht, met de motieven p. 7 in r.o. 7, dat de door eisers ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel niet kan worden gevolgd in zoverre aan de vergelijkbaarheidstoets niet is voldaan zodat het niet noodzakelijk noch nuttig voorkomt prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De appelrechter stelt bovendien terecht dat uit het feitelijk gegeven dat de administratie in situaties een administratieve tolerantie toepast door burgemeesters en schepenen een bijkomend bijzonder forfait van kosten toe te staan, eiser geen rechten kan putten om die tolerantie uit te breiden naar situaties die niet voorzien zijn in de circulaire en niet door de wet worden toegestaan en dat de feitelijke handelswijze op basis van een administratief gedoogbeleid geen rechtsgrond is tot vaststelling van een schending van het gelijkheidsbeginsel. (p. 6, laatste al.). 5. Besluit: Verwerping. _______________________________
(1)Zie voor een bespreking van het bestreden arrest VAN CROMBRUGGE S., "Het bijzonder forfait voor schepenen blijft toch overeind", Fiscoloog 2021, nr. 1726, p. 8-9.
(2)Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 16 januari 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, Parl. St. Kamer, zitting 1961-1962, nr. 264/1, p. 58.
(3)Zie Cass. 24 mei 2019, AR F.17.0158.N, AC 2019, nr. 321, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5 :"Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10 en 11 Grondwet te beoordelen, moet eerst worden onderzocht of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn. De beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veronderstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden behandeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het vergelijkingspunt moet nagaan. Indien de verschillende categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan het verschil in behandeling niet verder worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel". PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.6 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251211.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div