← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240130.2N.13 Rolnummer: P.23.1697.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-04-16 Raadplegingen: 621 - laatst gezien 2026-06-16 11:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.13 Fiche 1 Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid is een beveiligingsmaatregel en geen straf zodat de rechter deze maatregel dan ook niet kan opleggen om het gedrag van de betrokkene te sanctioneren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Fiches 2 - 4 Het uitspreken van de beveiligingsmaatregel van verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vereist de ondubbelzinnige vaststelling dat de betrokkene lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig, alsook de grond voor die beslissing zodat de rechter in zijn beslissing de gegevens moet vermelden waaruit hij de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig afleidt opdat het Hof zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen; de rechter oordeelt in beginsel onaantastbaar of die lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig vaststaat op het ogenblik van zijn beslissing en hij kan voor dat oordeel steunen op alle hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de betrokkene tegenspraak heeft kunnen voeren waarbij een medisch, psychologisch of psychiatrisch deskundigenonderzoek niet noodzakelijk is, maar in het licht van de omstandigheden aangewezen kan zijn; de rechter kan zijn oordeel over het voorhanden zijn van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig gronden of medegronden op gerechtelijke veroordelingen, voor zover uit de aard van de bewezenverklaarde misdrijven een dergelijke ongeschiktheid kan worden afgeleid, zoals onder meer veroordelingen waaruit een verslaving blijkt aan alcohol, medicijnen of drugs maar het loutere bestaan van een dergelijke veroordeling volstaat daartoe niet zodat de rechter de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig niet kan afleiden uit het gegeven dat een veroordeelde herhaaldelijk werd veroordeeld wegens overtredingen van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten ervan. aangezien het doel van de door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde maatregel de samenleving te beschermen niet toelaat deze maatregel, die een verplicht karakter heeft, toe te passen buiten de door de wetgever bepaalde strikte voorwaarde van een daadwerkelijke lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.23.1697.N Conclusie van advocaat-generaal A. Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  1. Eiser werd voor de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gedagvaard uit hoofde van de hiernavolgende telastleggingen: A. terwijl hij veroordeeld was bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde op 23 oktober 2018, tot een vervallenverklaring van het recht een voertuig of een luchtschip te besturen, een rijdier te geleiden, of een bestuurder te begeleiden met het oog op de scholing, namelijk alle motorvoertuigen, voor een duur van onbeperkt (LO), waarvan de kennisgeving aan hem is gedaan overeenkomstig artikel 40 van de Wegverkeerswet op 23 oktober 2018, om in te gaan op 23 oktober 2018, op een openbare plaats een voertuig, of een luchtschip te hebben bestuurd, een rijdier te hebben geleid of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, namelijk VW Touareg, behorende tot een van de categorieën waarop de beslissing van de vervallenverklaring slaat. (art. 48, lid 1, 10 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) met de omstandigheid dat betrokkene zich in staat van herhaling bevindt door de overtreding te hebben begaan binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin hij op 19 februari 2019 door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen veroordeeld werd wegens overtreding van artikel 48 van de Wegverkeerswet. (art. 48, lid 2 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) met de omstandigheid dat betrokkene zich iin staat van nieuwe herhaling bevindt door de overtreding te hebben begaan binnen drie jaar na een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan en waarin hij, door toepassing te maken van het artikel 38, § 6, 2de of 3de lid van de Wegverkeerswet, op 19 februari 2019 door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen veroordeeld werd voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, lid 1, 29, § 3, lid 3, 30, §§ 1, 2 of 3, 33, §§ 1 of 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 of 62bis van voornoemde wet, of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (art. 38, § 6, lid 3 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) B. als bestuurder van een motorvoertuig op de openbare weg, het voertuig te hebben bestuurd terwijl hij leed aan een van de lichaamsgebreken of aandoeningen, bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 23, § 1, 3° van de Wegverkeerswet, of niet voldaan had aan het geneeskundig onderzoek, door de Koning opgelegd in de gevallen die Hij bepaalt, (art. 30, § 1, 4 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) met de omstandigheid dat betrokkene zich in staat van nieuwe herhaling bevindt door de overtreding te hebben begaan binnen drie jaar na een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan en waarin hij, door toepassing te maken van het artikel 38, § 6, 2de of 3de lid van de Wegverkeerswet, op 19 februari 2019 door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen veroordeeld werd voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, lid 1, 29, § 3, lid 3, 30, §§ 1, 2 of 3, 33, §§ 1 of 2, 34 § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 of 62bis van voornoemde wet, of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (art. 38 § 6 lid 3 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) C. op de openbare weg een motorvoertuig te hebben bestuurd van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring, of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, zonder het krachtens artikel 38, § 3 van de Wegverkeerswet voorgeschreven onderzoek, tegen hem uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen op 19 februari 2019, met goed gevolg te hebben ondergaan. (art. 38, § 3, en 48, lid 1, 2° van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) met de omstandigheid dat betrokkene zich in staat van herhaling bevindt door de overtreding te hebben begaan binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin hij op 19 februari 2019 door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen veroordeeld werd wegens overtreding van artikel 48 van de Wegverkeerswet (art. 48, lid 2 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) met de omstandigheid dat betrokkene zich in staat van nieuwe herhaling bevindt door de overtreding te hebben begaan binnen drie jaar na een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan en waarin hij, door toepassing te maken van het artikel 38, § 6, 2de of 3de lid van de Wegverkeerswet, op 19 februari 2019 door de Politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen veroordeeld werd voor den van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, lid 1, 29, § 3, lid 3, 30, §§ 1, 2 of 3, 33, §§ 1 of 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 of 62bis van voornoemde wet, of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (art. 38, § 6, lid 3 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer) D. behoudens de uitzonderingen voorzien in artikel 2, § 2 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, een voertuig in het verkeer te hebben gebracht, terwijl het niet was ingeschreven, en/of niet de nummerplaat droeg die bij de inschrijving werd toegekend. (art. 2, § 1 van het KB van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen; art. 29, § 1, lid 3, en 38, § 1.3° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer - KB tot coördinatie van 16 maart 1968) met de omstandigheid dat betrokkene een overtreding van de politie over het wegverkeer of een verkeersongeval te wijten aan zijn persoonlijk toedoen heeft begaan en hij lichamelijk of geestelijk ongeschikt is bevonden tot het sturen van een motorvoertuig. (art. 42, lid 1 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer)
  2. Bij vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 oktober 2022 werd de eiser uit hoofde van de telastleggingen A, B en C veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 8000 euro (1000 euro verhoogd met 70 opdeciemen) en tot een ontzetting uit het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van vijf jaar, waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor het theoretisch, praktisch, medisch en psychologisch onderzoek. Voor de telastlegging D werd de betrokkene veroordeeld tot een geldboete van 400 euro (50 euro verhoogd met 70 opdeciemen). Hij werd eveneens verplicht tot de betaling van de bijdragen, de vaste vergoeding en de kosten werd. Het vonnis oordeelde daarenboven dat er toepassing diende te worden gemaakt van artikel 42 Wegverkeerswet en stelde vast dat de eiser lichamelijk en geestelijk ongeschikt is om een voertuig te besturen en verklaarde hem vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen.
  3. De eiser tekende op 2 november 2022 hoger beroep aan tegen dit vonnis maar niet wat betreft de bewezenverklaring en de schuld, zodat de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, enkel nog was gevat van de strafmaat en de beveiligingsmaatregel. Bij vonnis van 20 oktober 2023 hervormde de correctionele rechtbank het vonnis van de politierechtbank en veroordeelde eiser uit hoofde van de telastleggingen A, B en C tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van 8000 euro en tot een ontzetting uit het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van drie jaar, waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor het theoretisch, praktisch, medisch en psychologisch onderzoek. Voor de telastlegging D werd de betrokkene veroordeeld tot een geldboete van 400 euro (50 euro verhoogd met 70 opdeciemen). Hij werd eveneens verplicht tot de betaling van de bijdragen, de vaste vergoeding en de kosten. De correctionele rechtbank maakte eveneens toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet en verklaarde de eiser dan ook lichamelijk en geestelijk ongeschikt tot het besturen van een voertuig.
  4. Tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 20 oktober 2023 werd cassatieberoep aangetekend op 6 november
  5. De eiser heeft evenwel geen middel aangevoerd. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  6. Ik ben de mening toegedaan dat zich in deze zaak een ambtshalve middel opdringt, met name de schending van artikel 42 Wegverkeerswet. Artikel 42 Wegverkeerswet luidt als volgt: ‘Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig. De uitspraak van dit verval is mogelijk in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld. De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen’.
  7. Artikel 44 Wegverkeerswet luidt als volgt: ‘Hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open. Wordt het verzoek afgewezen dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voordat een termijn van zes maanden te rekenen van de datum van de afwijzing, is verstreken’.
  8. Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijk ongeschiktheid is geen straf maar een beveiligingsmaatregel
(1), zodat de rechter deze maatregel dan ook niet kan opleggen als een loutere sanctionering van het gedrag van de betrokkene. Voorheen werd geoordeeld dat wanneer alleen de beklaagde in hoger beroep kwam, de appelrechters enkel kennis konden nemen van de zaak in zoverre ze de belangen van de beklaagde raakte en zij de toestand van de beklaagde niet mochten verzwaren. Wanneer de eerste rechter geen verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid had uitgesproken, konden de appelrechters de beklaagde, op zijn hoger beroep, geen dergelijke beveiligingsmaatregel opleggen, ook al stelden ze vast dat er voldaan was aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke beveiligingsmaatregel
(2). Ook werd geoordeeld dat hoewel het verval van het recht een voertuig te besturen wegens lichaamsongeschiktheid een beveiligingsmaatregel is en geen straf, de rechter in hoger beroep die deze maatregel, die niet door de eerste rechter opgelegd werd, uitspreekt met behoud van de eerder uitgesproken straffen, de toestand van de beklaagde
(3)verzwaart zodat de rechter in hoger beroep deze maatregel, die niet opgelegd werd door de eerste rechter, allen maar met eenparigheid kan opleggen
(4). Ingevolge de wet van 6 maart 2018 bepaalt de Wegverkeerswet inmiddels uitdrukkelijk dat de uitspraak van het verval mogelijk is in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld
(5), hetgeen mogelijkerwijze een impact zou kunnen hebben op de beoordeling van de hogervermelde problematieken, maar dit is in de onderhavige zaak niet aan de orde. 7. De centrale vraag in de voorliggende zaak lijkt me de motivering te zijn die wordt gegeven om deze beveiligingsmaatregel uit te spreken aangezien dit de ondubbelzinnige vaststelling vereist dat de betrokkene lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig. Daarenboven moet de rechter in die beslissing ook de grond waarop zij wordt gesteund vermelden, alsmede de gegevens waaruit hij de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid afleidt, zodat het Hof zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen
(6). Het is niet zonder belang hierbij te onderstrepen dat het Hof hiermee blijkbaar afstapt van het principe dat bij afwezigheid van een conclusie de beslissing die vaststelt dat de toepassings- voorwaarden zijn verwezenlijkt niet nader moet worden gemotiveerd
(7). 8. In beginsel oordeelt de rechter onaantastbaar of de lichamelijke of geestelijke ongeschikt- heid tot het besturen van een motorvoertuig vaststaat op het ogenblik van zijn beslissing
(8)en om zich dat oordeel te vormen kan hij steunen op alle elementen en gegevens van het dossier, voor zover de beklaagde daarover tegenspraak heeft kunnen voeren. Het bestaan van een medisch, psychologisch of psychiatrisch deskundigenonderzoek is daar- voor niet onontbeerlijk, maar het kan in het licht van de omstandigheden van de zaak wel aangewezen zijn
(9). Het is de rechter dus niet verboden om het bestaan van een lichamelijke of geestelijke onge- schiktheid tot het besturen van een motorvoertuig te grondenop het bestaan van gerechtelijke veroordelingen, maar alsdan is wel vereist dat uit die veroordelingen en de ermee bewezen verklaarde misdrijven een dergelijke ongeschiktheid ook effectief kan worden afgeleid. Dit kan met name het geval zijn wanneer uit die veroordelingen een verslaving blijkt aan alcohol, medicijnen of drugs. 9. Derhalve kan de rechter de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid niet louter en alleen afleiden uit de omstandigheid dat de betrokkene reeds herhaaldelijk werd veroordeeld wegens overtredingen van de Wegverkeerswet of de uitvoeringsbesluiten daarvan
(10). De door artikel 42 Wegverkeerswet bepaalde beveiligingsmaatregel heeft tot doel de verkeersveiligheid te verbeteren
(11)en aldus de samenleving te beschermen, maar dat houdt mijns inziens niet in dat een dergelijke maatregel – die daarenboven verplicht dient te worden opgelegd - zonder meer zou kunnen worden doorgetrokken en toegepast buiten het kader van de door de wetgever strikt bepaalde voorwaarde van een daadwerkelijke vastgestelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, temeer omdat de hier beoogde veiligheidsmaatmaatregel toch een verregaande impact heeft op de individuele vrijheid van de betrokkene en ook van aard kan zijn zijn sociale- en beroepssituatie aan te tasten.
  1. Het voorhanden zijn van veroordelingen uit hoofde van inbreuken op de wegverkeerswetgeving is een gegeven dat door de rechter in acht kan/moet worden genomen in het kader van de regels betreffende de herhaling, die reeds een strafverzwaring tot gevolg hebben, maar het kan mijns inziens op zichzelf niet volstaan om daarenboven, zonder dat er argumenten worden aangedragen die toelaten daaruit een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid effectief vast te stellen of af te leiden, toepassing te maken van artikel 42 Wegverkeerswet. Omgekeerd betekent dat ook dat de afwezigheid van enige voorafgaande veroordeling principieel geen beletsel vormt om toepassing te maken van artikel 42 Wegverkeerswet, indien uit de omstandigheden de rechter kan afleiden dat de persoon lichamelijk of geestelijk ongeschikt is om een voertuig te besturen. Zo zouden mijns inziens de bijzondere omstandigheden van een veroordeling op basis van de artikelen 418-419 Strafwetboek of van een veroordeling uit hoofde van een gewone verkeersinbreuk een toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet kunnen rechtvaardigen, indien uit die omstandigheden een lichamelijke en/of geestelijke ongeschiktheid kan worden afgeleid. Gelet op het toch zeer ingrijpend karakter van de door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde veiligheidsmaatregel meen ik dan ook dat het primordiaal is dat de rechter die een dergelijke maatregel oplegt de grond van zijn beslissing moet vermelden alsmede de motieven, gegevens of elementen waaruit hij de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid afleidt.
  2. Ik verwijs ter zake naar de op pagina 9 van het bestreden vonnis
(12)vermelde argumentatie om tot het opleggen van de beveiligingsmaatregel bepaald in artikel 42 Wegverkeerswet te besluiten en die luidt als volgt: “Niettegenstaande de gedaagde aan geen enkel deskundig onderzoek werd onderworpen, blijkt uit het strafverleden van de gedaagde dat hij niet rijgeschikt is. Het loutere feit alleen al dat de gedaagde blijkens de gegevens van het strafregister, welke door hem niet tegengesproken worden, op 26-jarige leeftijd reeds zestien maal veroordeeld werd voor verkeersgerelateerde feiten, en zich nu opnieuw dient te verantwoorden voor bijzonder ernstige feiten, noopt op zich reeds tot de vaststellingen dat de gedaagde onvoldoende maturiteit en geestelijke capaciteiten beschikt om zich als bestuurder van een motorvoertuig in het hedendaagse verkeer te begeven. De rechtbank dient vast te stellen dat voor de gedaagde geen enkel gebod of verbod geldt. Zowel de verkeersreglementering op zich als het politioneel apparaat worden door de gedaagde naast zich neergelegd — getuige daarvan o.a. de veelvuldige veroordelingen wegens een overtreding van art. 48 lid 1, 1° en 2° Wegverkeerswet etc. De gedaagde waant zich blijkbaar onaantastbaar en toont geen bezorgdheid, noch om de algemene verkeersveiligheid (zie de veroordelingen wegens intoxicatie, drugs, niet-verzekering, niet-inschrijving), noch om de andere weggebruikers. Het is voor de rechtbank vaststaand dat de gedaagde geen enkele vorm van zelfcontrole bezit. Een dergelijk egocentrisch en normvervagend gedrag impliceert een geestelijke ongeschiktheid om op een verantwoorde en veilige wijze aan het wegverkeer deel te nemen als bestuurder van een motorvoertuig. Dergelijke weggebruikers dienen uit het huidig druk gemotoriseerd wegverkeer te worden geband precies omdat ze een bijzonder ernstige risicofactor vormen. De rechtbank neemt dan ook aan dat er in hoofde van de gedaagde sprake is van een dermate normvervagend gedrag in het algemeen en in het wegverkeer in het bijzonder dat hierdoor zijn geestelijke geschiktheid tot het besturen van een voertuig wordt aangetast. Gelet op deze elementen in hun onderlinge samenhang beschouwd, kan de rechtbank er niet omheen dat de houding van de gedaagde in het verleden getuigt van een volgehouden geestelijke én lichamelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen. De gedaagde kreeg al herhaaldelijk de kans om zijn gedrag bij te sturen, maar wil dat blijkbaar helemaal niet doen”. 12 Uit deze redengeving lijkt me te volgen dat de rechter, zich steunend op het strafrechtelijk verleden van de eiser, oordeelt dat deze laatste ‘niet rijgescchikt’ is, hetgeen nadien wordt beschouwd als een geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig om tenslotte te worden veralgemeend naar een lichamelijke én geestelijke ongeschiktheid. De rechter laat hierbij evenwel na om de redenen en de elementen aan te geven waaruit hij specifiek deze lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid vaststelt of afleidt, zodat de beslissing mij niet naar recht verantwoord lijkt. III. CONCLUSIE. 13. Ik meen derhalve dat er op basis van dit ambtshalve middel aanleiding is tot een vernietiging met verwijzing van het bestreden vonnis, maar beperkt tot de verklaring van lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig op basis van artikel 42 Wegverkeerswet. Voor het overige dient het cassatieberoep te worden verworpen. ___________________________________
(1)Cass. 9 mei 2017, AR P.16.0476.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170509.2, AC 2017, nr. 318; Cass. 22 oktober 2008, AR P.08.0822.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081022.6, AC 2008, nr. 573; Cass. 30 januari 2007, AR P.06.1496.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.4, AC 2007, nr. 57; zie ook C. VAN ROY, “Kroniek wegverkeersrecht 2010-2013: overzicht van de belangrijkste evoluties in wetgeving en rechtspraak”, RW 2013-2014/34, pp. 1334-1335 en Kroniek wegverkeersrecht 2014-2016: overzicht van de belangrijkste evoluties in wetgeving en rechtspraak, RW 2016-2017/33, p. 1288; L. BREWAEYS en M. STERCKENS, “Verval van het recht tot sturen (38-49/1 Wegverkeerswet)”, Bestendig handboek verkeer, Afl. 28 (1 december 2023), pp. 301-309; L. BREWAEYS, “Rechtspraak van het Hof van Cassatie betreffende de straftoemeting”, VAV 2022/6, p. 22-23; L. BREWAEYS, “Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid”, VAV 2018/3, p. 9; L. BREWAEYS, “Ruimere waaier aan bestraffingsmogelijkheden voor verkeersmisdrijven na Potpourri II”, VAV 2016/3, pp. 16-17.
(2)Cass. 11 mei 2010, AR P.10.0079.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100511.2, AC 2010, nr. 328.
(3)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0641.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.4, AC 2015, nr. 454 (hoger beroep tegen verzetvonnis - geen hoger beroep OM tegen verstekvonnis).
(4)Cass. 10 januari 2012, AR P.11.0868.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.4, AC 2012, nr. 17.
(5)Wet ter verbetering van de verkeersveiligheid, BS 15 maart 2018.
(6)Cass. 9 januari 2024, AR P.23.1375.N, AC 2024, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.3;Cass. 28 november 2023, AR P.23.1274.N, AC 2023, nr. 785, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.17; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0793.N, AC 2022, nr. 619, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8.
(7)Cass. 13 februari 2018, AR P.17.0612.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.4, arrest niet gepubliceerd.
(8)Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0211.N, AC 2022, nr. 388, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.8; Cass. 14 september 2021, AR P.21.0109.N, AC 2021, nr. 546, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.4, T. Pol. 2022, 55. Zie Ph. TRAEST, Topics verkeers(straf)recht, Intersentia 2020, 23-30; Cass. 27 februari 1979, AC 1978-79, 768.
(9)Cass. 11/10/2022, P.22.0793.N, AC 2022, nr. 619, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8; Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0211.N, AC 2022, nr. 388, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.8; Cass. 29 maart 2022, AR P.21.1473.N, AC 2022, nr. 222, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.26; Cass. 14 september 2021, AR P.21.0109.N, AC 2021, nr. 546, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.4, T. Pol. 2022, 55.
(10)Cass. 9 januari 2024, AR P.23.1375.N, AC 2024, nr. 20, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.3; Cass. 28 november 2023, AR P.23.1274.N, AC 2023, nr. 785, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.17.
(11)Dat is ook de titel van de wet van 6 maart 2018. Zie C. VAN ROY, “De wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders”, RW 2018-19/4, pp. 131-132.
(12)Er kan ter zake worden opgemerkt dat het beroepen vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 oktober 2022 zich zeer laconiek had beperkt tot de redengeving dat ‘uit de voorhanden zijnde inlichtingen af te leiden is dat de beklaagde momenteel niet geschikt is om een motorvoertuig te besturen’. De inlichtingen waarover het ging betroffen ‘de ernst van de gedragingen, de feitelijke gegevens van de zaak, de persoon en het gerechtelijk verleden van de beklaagde’ (p. 4 beroepen vonnis). PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240130.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070130.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081022.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100511.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120110.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170509.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.26 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.