id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.2 Rolnummer: C.23.0103.N Zaak: TONY RUS ACTIVITIES contra T. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-04-23 Raadplegingen: 358 - laatst gezien 2026-06-17 01:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.2 Fiche Het aangaan van overeenkomsten tussen meerdere personen in verband met de exploitatie van kansspelen is in principe niet verboden, tenzij die zouden leiden tot het direct of indirect houderschap door een zelfde persoon van meerdere welbepaalde vergunningen of het feitelijk uitbaten van een kansspelinrichting zonder de vereiste vergunning
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 4 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 25 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 27, eerste lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 65 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Tekst van de conclusie C.23.0103.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen de arresten van het Hof van Beroep Brussel, gewezen op 14 februari 2022 en 9 januari
- Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
- Wat betreft het eerste middel. De grief in het middel richt zich niet tegen het oordeel van de appelrechters inzake de inhoud van de overeenkomst te weten dat [eiseres] met de samenwerkingsovereenkomst van 19 april 2005 niet louter speeltoestellen ter beschikking stelde (zoals [eiseres] blijft beweren) maar in werkelijkheid de gezamenlijke uitbating van de kansspelinrichting organiseerde en op zich nam”
(1)
(2). De grief betreft het gegeven dat de Kansspelwet zich geenszins verzet tegen een samenwerkingsovereenkomst in verband met de exploitatie van kansspelen. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters oordelen dat de samenwerkingsovereenkomst betrekking zou hebben op de exploitatie van kansspelen gaat het uit van een onjuiste lezing van de bestreden beslissing. De appelrechters oordelen immers dat er sprake is van de exploitatie van een kansspelinrichting. In zoverre mist het feitelijke grondslag. De kansspelwet is van openbare orde. In het kader van huidig geschil zijn de artikelen 4, 25, 27 en 65 Kansspelwet
(3)relevant. Het artikel 4 stipuleert dat de, rechtstreekse of onrechtstreekse, exploitatie van kansspelen of een kansspelinrichting onderworpen is aan een voorafgaande vergunning. De soorten vergunningen worden bepaald in artikel 25. Er zijn diverse klassen van vergunningen, doch in het kader van huidig geschil zijn enkel de klassen A, B, C, D en E relevant met deze specificatie dat de eerste vier betrekking hebben op het uitbaten van een kansspelinrichting en de laatste vereist is voor de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer en de productie van kansspelen, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen
(4). In artikel 27 is er te lezen dat het verboden is om rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon de vergunningen A tot D te cumuleren met een vergunning E. Dus enerzijds is er op grond van artikel 4 een vergunningplicht terwijl artikel 27 een cumulverbod weerhoudt voor bepaalde types van vergunningen. Eén en ander wordt strafrechtelijk beteugeld op grond van artikel 63. De vergunningsplicht van artikel 4 verbiedt dat op onrechtstreekse wijze er een exploitatie zou plaatshebben zonder in het bezit te zijn van een vergunning. Terwijl artikel 27 stelt dat het verboden is om “rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon te cumuleren”. Beide bepalingen verzetten zich dus tegen iedere constructie, bij wijze van overeenkomst of anders, die de facto tot gevolg zou hebben dat er sprake is van een exploitatie zonder vergunning of een niet toegelaten cumul in hoofde van één en dezelfde persoon. Dus waar de wet zich, in de regel, niet verzet tegen een overeenkomst tussen een houder van een vergunning type A tot D en een houder van een vergunning type E zal er sprake zijn van een wetsovertreding indien die overeenkomst in feite tot gevolg heeft dat er door een persoon een uitbating plaats heeft zonder dat deze over de vereiste vergunning beschikt of er een verboden cumul tot stand komt
(5). Het is dus de strekking van de overeenkomst die zal bepalen of ze strijdig is met de wettelijke bepalingen. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
- Wat betreft het tweede middel. (...)
- Conclusie: Cassatie, zonder verwijzing, op het tweede middel en verwerping voor het overige. ____________________________________
(1)Bestreden beslissing van 9 januari 2023 pagina 9.
(2)Er wordt geen schending van de bewijskracht van de overeenkomst van 19 april 2005 aangevoerd.
(3)Voor huidig geschil betreft dit de bepalingen van de Kansspelwet in de versie vóór de wijziging door de wet van 10 januari 2010.
(4)Uit de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan, blijkt dat eiseres houdster was van een vergunning E terwijl verweerster over een vergunning B beschikte.
(5)Zie desbetreffende de conclusie van advocaat-generaal TIMPERMAN voor uw arrest van 29 april 2008. Dit heeft weliswaar betrekking heeft op de vergunningen type C en F, waar het in huidig geschil gaat om B en F, doch waarvan de principes dezelfde zijn. Inzonderheid betreft dit randnummer 25 van de conclusie waar de advocaat-generaal stelde: “Artikel 27 Kansspelwet verbiedt echter niet dat terzake een overeenkomst wordt afgesloten tussen een vergunninghouder klasse C en een vergunninghouder klasse E voor zover elk van beiden geen andere activiteiten uitoefent die vallen onder deze waarvoor een andere vergunning vereist is”. (Cass 29 april 2008, P.07.1718.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080429.2, AC 2008, nr. 258) PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080429.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div