← België

L. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240206.2N.3 Rolnummer: P.23.1709.N Zaak: L. contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-04-24 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-06-16 08:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.3 Fiche Uit de artikelen 2, 5° en 6°, en 3, tweede lid, Decreet Pleegzorg volgt dat een ondersteunende pleegzorger een pleegkind of pleeggast opvangt zolang als nodig; dat kan een korte aaneengesloten periode zijn, maar ook een afwisselend verblijf gedurende meerdere korte perioden zoals tijdens weekends en schoolvakanties; de ondersteuning van een pleegzorger laat dan toe dat een pleegkind of pleeggast telkenmale even in een andere omgeving verblijft; de jeugdrechter die een maatregel van ondersteunende pleegzorg onder de vorm van een afwisselend verblijf van een pleegkind of pleeggast gedurende meerdere korte perioden oplegt, is niet verplicht die beslissing in haar geheel tot een kortstondige periode te beperken; de jeugdrechter oordeelt met betrekking tot die maatregel onaantastbaar over de totale duur die hij passend acht

(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg - 29-06-2012 - Art. 2, 5° en 6° - 13 ELI link Pub nr 2012035934 Decreet van de Vlaamse Overheid van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg - 29-06-2012 - Art. 3, tweede lid - 13 ELI link Pub nr 2012035934 Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Art. 48, eerste lid, 9° - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Decreet 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp - 12-07-2013 - Art. 48/1 - 43 ELI link Pub nr 2013035791 Tekst van de conclusie P.23.1709.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De duur van de ondersteunende pleegzorg voor een minderjarige die hoofdzakelijk in een internaat verblijft (art. 48, 9° Decreet Integrale Jeugdhulp en art. 2, 5° Decreet Pleegzorg)”. 1. Het bestreden arrest bevestigt de plaatsing in het internaat MFC (Multifunctioneel centrum) De Ark, met opvang bij eiser buiten de schoolperiodes, niet alleen om reden dat een gewoon internaat (zoals Regina Caeli) minder multifunctionele omkadering biedt, maar ook wegens het perspectief op korte termijn van overplaatsing van het kind naar OC (Orthopedagogisch centrum) Huize Terloo, waarmee alle partijen akkoord gaan. Vanwege dit vooruitzicht is het volgens de jeugdkamer niet in het belang van het kind S. om haar kort aan een pleegouder of een gewoon internaat toe te vertrouwen. Het eerste middel over o.a. art. 15 Europees Sociaal Handvest
(1)lijkt mij te berusten op een onvolledige lezing van het arrest, en mist feitelijke grondslag.
  1. Voorts heeft de jeugdkamer wel onderzocht of de minderjarige zou kunnen verblijven in een gewoon internaat voorgesteld door eiser, zoals Regina Caeli, waar er (volgens eiser) meer aandacht zou zijn voor de kwaliteit van het onderwijs en de individuele noden van het kind. Het arrest oordeelt dat MFC De Ark een andere visie heeft dan eiser, wat betreft schoolprestaties, maar toch de nodige waarborgen biedt voor de ontwikkelingskansen van het kind (blz. 12). In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Voor het overige komt het middel op tegen een onaantastbaar oordeel over het belang van het kind en het aanbod en kwaliteit van de zorg in vermelde instellingen, en is het niet-ontvankelijk.
  2. De maatregel van jeugdbescherming of module van ‘verblijf’, als module bepaald in artikel 48, eerste lid, 9° Decreet Integrale Jeugdhulp, kan de plaatsing van het kind in een pleeggezin inhouden, volgens één van de vier typemodules van pleegzorg
(2), met begeleiding van een dienst pleegzorg. De typemodule
(3)van ondersteunende pleegzorg is volgens artikel 2, 5° Vlaams Decreet Pleegzorg van 29 juni 2012 (BS 16 augustus 2012) een vorm van ondersteuning van het gezin van het pleegkind voor ofwel een korte aaneengesloten periode ofwel een afwisselend verblijf in het gezin van het kind en in het pleeggezin voor meerdere korte periodes. De module van perspectiefbiedende pleegzorg houdt volgens art. 2, 6° van dit Decreet in de “pleegzorg met een continu en langdurig karakter”
(4). Daaruit volgt m.i. dat een ondersteunende pleegzorger een pleegkind opvangt zolang dit in het belang van het kind nodig blijkt, ook als het kind afwisselend verblijft in een schoolinternaat en bij de pleegzorger tijdens weekends en schoolvakanties. De ondersteuning door een pleegzorger belet niet dat het kind tijdens de schoolperiode in een internaat verblijft
(5). 4. De jeugdrechter die de typemodule van ondersteunende pleegzorg oplegt, onder de vorm van afwisselend verblijf bij de pleegzorger gedurende meerdere korte periodes, lijkt mij niet verplicht die maatregel te beperken tot één korte aansluitende periode. Het is niet omdat ondersteunende pleegzorg verbonden aan plaatsing in een internaat al eens bij arrest is verlengd voor één jaar (art. 51 Decreet Integrale Jeugdhulp), dat de jeugdrechter bij de volgende verlenging moet overschakelen naar de modaliteit van ‘perspectiefzoekende pleegzorg’. De jeugdrechter oordeelt met betrekking tot die maatregel onaantastbaar over de totale duur ervan die hij passend acht. De vereiste van een ‘continu en langdurig’ karakter van perspectiefbiedende pleegzorg laat ruimte voor interpretatie
(6). In zoverre faalt het tweede middel over artikel 2 Decreet Pleegzorg naar recht. Voor het overige komt eiser op tegen een onaantastbaar oordeel over de verlenging van de ondersteunende pleegzorg bij eiser, reeds bevolen in 2021, en is het middel niet-ontvankelijk.
  1. Anders dan het derde middel aanvoert, heeft de jeugdkamer voldoende de mening beoordeeld van de minderjarige, die ter zitting aangaf niet graag in het internaat MFC De Ark te verblijven. Het arrest neemt aan dat de minderjarige zich niet verzet tegen de overplaatsing naar het internaat OC Huize Terloo en in afwachting daarvan nog in MFC De Ark wil blijven, met ondersteunende pleegzorg door eiser. Mij lijkt dat de mening van de minderjarige S. niet zomaar ter zijde is geschoven en er ook is gelet op haar onderscheidingsvermogen, zoals reeds werd beoordeeld bij de vorige beslissingen over de plaatsing met ondersteunende pleegzorg. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Het is ook niet omdat de minderjarige verklaart niet graag in een specifiek internaat te verblijven, dat de jeugdrechter verplicht zou zijn een andere maatregel van jeugdbescherming op te leggen, in het belang van het kind (art. 3 Kinderrechtenverdrag)
(7). Het hoorrecht van de minderjarige (beschermd door het ingeroepen artikel 12 Kinderrechtenverdrag en art. 22bis Grondwet), houdt geen beslissingsrecht in van het kind, maar alleen de verplichting voor de rechter om een passend belang te hechten aan de mening van de minderjarige, in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en onderscheidingsvermogen
(8). In zoverre faalt het middel naar recht. Voor het overige komt het middel op tegen een onaantastbaar oordeel over de keuze van een maatregel, en is het niet-ontvankelijk. 7. Het arrest stelt dat geen enkele partij, dus ook niet eiser, zich verzet tegen de overplaatsing van de minderjarige naar OC Huize Terloo, op korte termijn, en dat alle partijen vroegen om in afwachting daarvan de minderjarige toe te vertrouwen aan eiser (blz. 6). Het bestreden arrest stelt dat eiser een hechtingsfiguur is voor de kinderen, maar de instelling De Ark ten onrechte bestempelt als een instelling voor zwaar gehandicapte kinderen en punten die niet aan zijn ideaalbeeld voldoen ‘uitvergroot’, zonder oog te hebben voor de impact van zijn juridische strijd op de kinderen, wat vragen doet rijzen (blz. 11). De Jeugdkamer acht een ‘neutrale plaats buiten de familiale context’ in het belang van de minderjarigen, temeer daar er geen enkel objectief bewijs voorligt van tekortkomingen in MFC De Ark op het vlak van zorg en onderwijs (blz. 12). Mij komt voor dat het arrest een verblijf van het kind bij eiser wel in overweging heeft genomen en de keuze voor een internaat met ondersteunende pleegzorg, als tijdelijke maatregel voldoende heeft gemotiveerd
(9), zodat het vierde middel niet kan worden aangenomen. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren en ik besluit tot verwerping van het cassatieberoep. ______________________________
(1)“Iedere minder-valide heeft recht op zelfstandigheid, op sociale integratie en op deelname aan de samenleving” (art. 15). Volgens eiser (pleegouder) is niet onderzocht of een gewoon internaat mits bijkomende ondersteuning of een redelijke aanpassing, inclusief onderwijs aan te bieden aan de minderjarige met een handicap type I.
(2)J. PUT, Handboek Jeugdbescherming, die Keure 2021, 227. Bij uithuisplaatsing moet de jeugdrechter de voorkeur geven aan pleegplaatsing boven plaatsing in een instelling (art. 48 en 48/1 Decreet Integrale Jeugdhulp, A. DE PUYDT, C. D’HOOGHE en V. VANDUFFEL, “Capita selecta”, in Handboek voor de advocaat-stagiair. Jeugdrecht, Kluwer 2020, 219; I. DE JONGHE en L. UYTTENHOVE, Hulpverlening en recht, Intersentia 2020, 218.
(3)Bij pleegplaatsing houdt de ‘typemodule’, zoals thans gedefinieerd in art. 2, 53° Decreet Integrale Jeugdhulp, in: “een eenheid van hulpverlening binnen een vorm van pleegzorg, gebaseerd op een functie of op een specifiek omschreven kernproces van pleegzorg” (Voorstel van Decreet houdende de organisatie van pleegzorg, 7 mei 2012, Zitting 2011-12, Doc 1597/1, p.4, www.vlaamsparlement.be).
(4)J. VANDERFAILLIE, F. VAN HOLEN en F. VANSCHOONLANDT (eds.), Op weg met pleegzorg: kansen en risico’s, Acco, 2012, p. 491; J. PUT, Handboek Jeugdbescherming, die Keure 2021, 232; C. CANNAERT en L. DE WILDE, “Pedagogische vraagstukken in juridische taal. Pleegzorg en/in het belang van het kind”, TJK 2023, 128-134.
(5)Voorstel van Decreet houdende de organisatie van pleegzorg, 7 mei 2012, Zitting 2011-12, Doc 1597/1, p. 9, www.vlaamsparlement.be: “Tot ondersteunende pleegzorg behoren onder meer pleegzorg tijdens weekends of vakanties, opvang in een logeergezin en andere vormen van kortdurende, situationele opvang waarbij het duidelijk is dat na de opvang het pleegkind of de pleeggast gewoon opnieuw kan worden opgevangen in het gezin waar hij regulier verblijft. Deze vorm van pleegzorg moet per definitie laagdrempelig en vlot toegankelijk zijn”, en p. 10: “Perspectiefbiedende pleegzorg is pleegzorg met een continu en langdurig karakter. Het doel van perspectiefbiedende pleegzorg is het creëren van continuïteit, opvoedingszekerheid en optimale ontwikkelingskansen”.
(6)J. PUT, Handboek Jeugdbescherming, die Keure 2021, 232: “Wanneer een kind over een lange periode tijdens de week in een internaat en tijdens weekends en vakantieperiodes blij een pleegzorger verblijft, is er sprake van perspectiefbiedende pleegzorg (met lage frequentie), niet van ondersteunende pleegzorg”.
(7)Over art. 3 Kinderrechtenverdrag zie alg. P. SENAEVE, “Het belang van het kind niet het enige beoordelingscriterium bij vorderingen aangaande de verblijfsregeling van een minderjarige”, T. Fam. 2020, 292-298; G. MATHIEU en A. RASSON, “Le droit de la famille à l’aune du respect de l’intérêt supérieur de l’enfant”, Act.dr. fam. 2021, 167-189.
(8)Cass. 13 april 2021, AR P.21.0045.N, AC 2021, nr. 261, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.8. Zie L. CAPPON en F. VANDER LAENEN, “Gehoord worden is nog geen inspraak: perspectieven van minderjarigen en ouders op de beslissingen genomen door de jeugdrechter”, TJK 2015, 3-19; S. RAP, “Heilige graal of werkelijkheid? Het recht om gehoord te worden voor kinderen in juridische procedures”, TJK 2019, 131-133; F. SWENNEN, Het personen-en familierecht, Intersentia 2021, 175-176; C. MOL, “Het mensenrechtelijke kader inzake de procespositie van de minderjarige: normen voortvloeiend uit het IVRK, het EVRM en andere Europese bronnen”, T. Fam. 2022, 124-131; N. MASSAGER, “L’enfant et ses droits. La prise en considération de l’opinion de l’enfant mineur”, For. Fam. 2023, 1-22.
(9)Over het belang van het kind als reden om pleegzorg te verkiezen boven een terugkeer naar het ouderlijk milieu, zie ook Jeugdkamer Brussel 1 april 2021, TJK 2023, 120; Jeugdkamer Brussel 10 juni 2021, TJK 2023, 123; Jeugdkamer Brussel 1 december 2022, TJK 2023, 126 noot C. CANNAERT en L. DE WILDE. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240206.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.