id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240215.1N.6 Rolnummer: C.22.0491.N Zaak: ENTACO nv contra O.F.P.-CHEMICALS Comm. V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2024-05-10 Raadplegingen: 352 - laatst gezien 2026-06-15 07:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240215.1N.6 Fiche Er kan uitspraak worden gedaan over een vordering tot staking wegens het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, ook wanneer wegens dezelfde feiten een vervolging voor de strafrechter is ingesteld en hierover nog niet definitief is beslist
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XVII.21/3, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.22.0491.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiser komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 26 september
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Situering. Het geding werd gevoerd naar aanleiding van een stakingsvordering die volgens de dagvaarding van 13 december 2019 op basis van artikel XVII.21/1 WER (m.b.t. bedrijfsgeheimen) werd opgestart door eiseres wegens vermeende schending van artikel XI.332/4 WER (onrechtmatig verkrijgen en gebruik van bedrijfsgeheimen) en van artikel VI.104 WER (oneerlijke marktpraktijken). In het bijzonder verwijt eiseres dat verweerster zich schuldig zou hebben gemaakt aan het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van haar bedrijfsgeheimen (productspecificaties, leveranciersinformatie en informatie over afnemers). Verweerster zou in het bezit gekomen zijn van die bedrijfsgeheimen via een werknemer die eiseres had ontslagen wegens dringende redenen.
- Het middel. Het middel verwijt de appelrechters artikel 4, eerste lid Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te hebben geschonden door zich uit te spreken over de stakingsvordering terwijl voor dezelfde feiten de strafvordering hangende was. Het middel kan niet worden aangenomen. Artikel 4, eerste lid Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de uitoefening van de burgerlijke rechtsvordering, afzonderlijk ingesteld, wordt geschorst zolang er geen definitieve uitspraak is over de strafvordering die ingesteld werd vóór of tijdens het uitoefenen van de burgerlijke vordering. Het is de wettelijke verankering van het adagium le criminel tient le civil en état. De regel, uitgedrukt in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering raakt de interne Belgische openbare orde
(1). De regel is ook voorgeschreven op straffe van nietigheid
(2). De wetgever wijkt echter soms af van deze regel en voorziet in uitzonderingen op de regel le criminel tient le civil en état
(3). De Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen (verder de Wet van 30 juli 2018) voerde in boek XVII, titel 1, hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht, een afdeling 3 in, luidende: "Afdeling 3. - Vordering tot staking in geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim"
(4). Artikel XVII.21/1 WER is de wettelijke grondslag voor de stakingsvordering die gebaseerd is op het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim in de zin van artikel XI.332/4 WER. Artikel XVII.21/3, tweede lid WER bepaalt dat over deze stakingsvordering uitspraak wordt gedaan, niettegenstaande enige vervolging die voor de strafrechter wordt ingesteld wegens dezelfde feiten. Deze bepaling vormt dus een afwijking op de regel le criminel tient le civil en état. Meer in het algemeen geldt voor stakingsvorderingen de regel le commercial tient le criminel en état
(5). In de memorie van toelichting bij de Wet van 30 juli 2018 wordt de noodzaak van deze stakingsvordering verantwoord door te verwijzen naar het feit dat onder bepaalde omstandigheden ook een strafrechtelijke vordering kan worden ingesteld op basis van artikel 309 Strafwetboek voor het openbaar maken van een bedrijfsgeheim en dat bijgevolg het nieuwe artikel VII.21/3 wordt ingevoegd dat analoog is aan artikel XVII.18 WER
(6). Artikel XVII.18 WER heeft betrekking op de stakingsvordering ingeval van inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht. Deze bepaling gaat wat betreft de verhouding tussen de strafvordering en de stakingsvordering terug op artikel 87, § 1, 4de lid van de Auteurswet 1994
(7), artikel 12sexies, § 1, lid 4 van de opgeheven databankenwet
(8), en artikel 128 van de Wet van 6 april betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming overeenstemmen (verder WMPC)
(9)
(10). In deze regelgeving was telkenmale ook bepaald dat over de stakingsvordering uitspraak wordt gedaan, niettegenstaande enige vervolging die voor de strafrechter wordt ingesteld wegens dezelfde feiten. Artikel 128 WMPC bepaalde dat, wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank het voorwerp zijn van een vordering tot staking, er niet kan beslist worden over de strafvordering dan nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen betreffende de vordering tot staking. Met betrekking tot de voorlopers van artikel XVII.18, tweede lid WER is er in de rechtsleer volgens mij terecht eensgezindheid dat de voorzitter de behandeling van de vordering tot staken niet mag opschorten ingeval van vervolging voor de strafrechter wegens dezelfde feiten en zelfs verplicht is om uitspraak te doen. Het is de strafrechter die de behandeling van de zaak moet opschorten in afwachting van een uitspraak over de vordering tot staking die in kracht van gewijsde is gegaan
(11). Dit geldt volgens mij eveneens voor de huidige regelgeving. De bedoeling van de wetgever met het in dit dossier toepasselijke artikel XVII.21/3 WER is dan ook dat de stakingsrechter zijn beslissing niet mag uitstellen totdat de strafrechter uitspraak heeft gedaan wanneer de strafvordering werd ingesteld voor een inbreuk op artikel 309 Strafwetboek. Uit de stukken van het dossier blijkt dat er op 13 december 2019 een vordering tot staking werd ingesteld op basis van artikel XVII.21/1 WER wegens vermeende schending van artikel XI.332/4 WER (onrechtmatig verkrijgen en gebruik van bedrijfsgeheimen) en van artikel VI.104 WER (oneerlijke marktpraktijken). Op 27 augustus 2018 legde eiseres een klacht met burgerlijkepartijstelling neer tegen de werknemer die ze had ontslagen wegens dringende redenen en van wie verweerster de bedrijfsgeheimen zou hebben gekregen. Op 30 april 2021 werd deze persoon verwezen door de raadkamer naar de correctionele rechtbank voor feiten van diefstal en voor kwaadwillige of bedrieglijke mededeling van fabrieksgeheimen (artikel 309 Strafwetboek). Op 24 mei 2022 werd de ex-werknemer veroordeeld de feiten waarvoor hij verwezen was (mits een kleine aanpassing voor de tenlastelegging diefstal). De ex-werknemer tekende hoger beroep aan tegen deze veroordeling. Dit hoger beroep is nog hangende. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters hun uitspraak over de stakingsvordering desnoods ambtshalve had moeten opschorten omdat voor dezelfde feiten de strafvordering hangende was, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting. ____________________________________
(1)Cass. 5 maart 2021, AR C.20.0447.N, AC 2021, nr. 162, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210305.1N.8, NJW 2021, afl. 446, 582, noot M. WALGRAEVE; Cass. 23 maart 1992, AR 9317, AC 1991-92, nr. 389, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920323.9.
(2)Cass 19 oktober 1981, AR 2994, AC 1981, nr. 127, ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19811019.12.
(3)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen 2014, nr. 3348; M. FRANCHIMONT A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, Brussel, 2012, 218; P. TRAEST en T. GOMBEER, “Raakvlakken tussen het strafprocesrecht en de burgerlijke rechtspleging”, 180 in P. TAELMAN, Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Reeks ‘Gandaius - Postuniversitaire Cyclus Willy Delva’, nr. 41, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen 2016, p. 800; A. VERHEYLESONNE, Manuel de l'action civile. L'action en réparation du dommage causé par une infraction pénale, Wolters Kluwer Belgium, Liège 2021, 220.
(4)BS 14 augustus 2018.
(5)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, Brussel, 2012, 218; P. TAELMAN, “Gezag van gewijsde en rechtsmiddelen”, nr. 15-19 in G. DE LEVAL, P., LEWALLE. en M.L. STORME, Het interdisciplinair geschil, Kluwer Rechtswetenschappen Antwerpen, Bruylant, Brussel 1996, p. 393; P. DE VROEDE, “Quand le commercial tient le criminel en état”. Kanttekening bij de Wet van 14 juli betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument, DAOR 1995, afl. 37, 57-60.
(6)Mvt bij het Wetsontwerp betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3154/001, 26.
(7)Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, BS 27 juli 1994.
(8)Wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, BS 14 november 1998.
(9)BS 12 april 2010.
(10)Mvt bij Wetsontwerp houdende de invoeging van boek XI, “Intellectuele eigendom” in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek en het Wetsontwerp houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek XI “Intellectuele eigendom” van het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van een bepaling eigen aan boek XI in boek XVII van hetzelfde Wetboek, en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de organisatie van de hoven en rechtbanken betreffende vorderingen inzake intellectuele eigendomsrechten en inzake transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten betreft, Parl. St. Kamer 2013-14, 53-3391/1 en 53-3392/2, 75.
(11)H. VAN HEES, “Art. XVII.14 t.e.m. XVII.20 WER”, randnr. 58 in R. STEENNOT, G. STRAETMANS, J. STUYCK en H. VANHEES, Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolter Kluwer Belgium, Mechelen, losbl.. A. PUTTEMANS, “L’action en cessation ‘comme en référé” des atteintes à un droit de propriété intellectuelle”, 389-391 in B. DUCQUIR (Coord.), Actualités en droits intellectuels, Bruylant, Brussel 2014, 448 p.; F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis du droit d’auteur et des droits voisins, Bruylant, Brussel 2000, 504-505. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240215.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240215.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19811019.12 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920323.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210305.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div