← België

ROYAL ANTWERP FOOTBALL CLUB nv contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240215.1N.7 Rolnummer: C.23.0080.N Zaak: ROYAL ANTWERP FOOTBALL CLUB nv contra R. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2024-05-10 Raadplegingen: 658 - laatst gezien 2026-06-19 02:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240215.1N.7 Fiches 1 - 2 De sluiting van de vereffening van een vennootschap maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van deze vennootschap; de vereffende vennootschap wordt geacht voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers conform artikel 2:143, § 1, WVV tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap, alsook ten aanzien van vorderingen die reeds voor de sluiting van de vereffening tegen de vennootschap werden ingesteld; dit geldt ook in geval van een onmiddellijke sluiting van de vereffening in toepassing van de artikelen 2:80 en 2:81 WVV

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 7 november 2019, AR C.19.0052.N, AC 2019, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.14, met concl. van advocaat-generaal A. Van Ingelgem. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:80 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:81 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:80 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:81 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiches 3 - 4 Het passief voortbestaan, dat de bescherming beoogt van de schuldeisers van de vennootschap, laat de vereffende vennootschap ook toe om een rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordelende rechterlijke beslissing gewezen na de sluiting van de vereffening in een procedure die nog lopende was ten tijde van de vereffening
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 7 november 2019, AR C.19.0052.N, AC 2019, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.14, met concl. van advocaat-generaal A. Van Ingelgem. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiches 5 - 6 Het passief voorbestaan laat de vereffende vennootschap niet toe om een rechtsmiddel in te stellen tegen een rechterlijke beslissing, gewezen na de sluiting van de vereffening, op vordering van de vennootschap zelf
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 20 september 2019, AR C.18.0448.F, AC 2019, nr. 470, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190920.2; Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N, AC 2012, nr. 106, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120214.4. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiche 7 De omstandigheid dat de tegenpartij van de vereffende vennootschap een tegenvordering instelde waarover nog geen uitspraak werd gedaan en waarbij desgevallend compensatie kan plaatsvinden met de vordering van de vennootschap, doet daaraan geen afbreuk en leidt met name niet ertoe dat de vordering van de vennootschap wordt geherkwalificeerd als een verweer
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1289 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiche 8 De mogelijkheid tot het instellen van een zijdelingse vordering is geen reden op grond waarvan een vordering, uitgaande van een vereffende vennootschap, kan worden geherkwalificeerd als een verweer
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1166 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:76, eerste lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:413, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Tekst van de conclusie C.23.0080.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 26 september
  1. Door eiseres wordt één middel aangevoerd.
  2. Situering. Eiseres was met verweerster in een geschil verwikkeld waarbij verweerster eiseres dagvaardde tot betaling van een aantal onbetaalde facturen. Eiseres stelde een tegenvordering in met het oog op de betaling van de eigen facturen en tot terugbetaling van gelden die verweerster zich onrechtmatig zou hebben toegeëigend. Bij tussenvonnis van 20 januari 2006 werd eiseres veroordeeld tot betaling van een provisie van 30.000 euro. Bij tussenvonnis van 9 maart 2016 werd de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werd eiseres veroordeeld tot het betalen van het saldo van welbepaalde facturen (verminderd met de provisie van 30.000 euro). Bij eindvonnis van 21 december 2018 werd de hoofdvordering ten dele gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. De behandeling van de tegenvordering werd opgeschort. Verweerster werd ontbonden en in vereffening gesteld met onmiddellijke sluiting van de vereffening op 26 maart
  3. Verweerster stelde op 28.02.2022 hoger beroep in tegen het vonnis van 21 december
  4. Dit hoger beroep werd door het bestreden arrest toelaatbaar verklaard. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan.
  5. Bespreking van het middel. In het tweede onderdeel van het middel verwijt eiseres de appelrechter de artikelen 2:76, eerste lid, 2:80, 2:81 en 2:143, § 1, vijfde streepje van het Wetboek van Vennootschappen te hebben geschonden door het hoger beroep van verweerster toelaatbaar te verklaren en dit terwijl het passief voorbestaan van de vereffende vennootschap enkel toelaat een rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordelende rechterlijke beslissing gewezen na de sluiting van de vereffening in een procedure die nog lopende was ten tijde van de vereffening en niet toelaat om een rechtsmiddel in te stellen tegen een rechterlijke beslissing, gewezen na de sluiting van de vereffening, op vordering van de vennootschap zelf. In deze betwisting rijst dus de vraag of een vennootschap (in casu een besloten vennootschap) waarvan de vereffening werd afgesloten na het vonnis in eerste aanleg, hoger beroep kan instellen tegen het vonnis waarbij de eigen hoofdvordering van de vennootschap gedeeltelijk ongegrond werd verklaard. Volgens artikel 2:76, eerste lid Wetboek van Vennootschappen wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening tot aan de sluiting daarvan. Krachtens artikel 2:143, § 1, vijfde streepje Wetboek van Vennootschappen verjaren de rechtsvorderingen ingesteld tegen de vereffenaars als zodanig, of bij ontstentenis van vereffenaars, tegen de personen die krachtens artikel 2:85 Wetboek van Vennootschappen als vereffenaars worden beschouwd, door verloop van vijf jaren, te rekenen van de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 2:102 Wetboek van Vennootschappen. Uit deze regel volgt volgens Uw rechtspraak dat de vereffende vennootschap wordt geacht voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap en dat de sluiting van de vereffening niet tot gevolg heeft dat lopende procedures niet meer kunnen worden voortgezet tegen de vennootschap, in de persoon van haar vereffenaars
(1). Deze regels gelden ook wanneer bij toepassing van de artikelen 2:80 en 2:81 Wetboek van Vennootschappen er een onmiddellijke sluiting van de vereffening wordt uitgesproken. In Uw arrest van 7 november 2019 werd er geoordeeld dat het passief voorbestaan, dat de bescherming beoogt van de schuldeisers van de vennootschap, de vereffende vennootschap toelaat om ook een rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordelende rechterlijke beslissing gewezen na de sluiting van de vereffening in een procedure die nog lopende was ten tijde van de vereffening
(2). Advocaat-generaal VAN INGELGEM stelde in zijn conclusie bij het arrest van 7 november 2019 terecht: “Het komt mij dan ook voor dat zodra men aanvaardt dat het “verweer” dat is toegelaten na het sluiten van de vereffening ook het aanwenden van een rechtsmiddel omvat, dit veronderstelt dat de vennootschap hoger beroep kan instellen tegen een vonnis gewezen in het kader van een procedure die werd opgestart na het sluiten van de vereffening, als tegen een vonnis gewezen in een procedure die nog lopende was op het ogenblik van de sluiting van de vereffening”
(3). In Uw rechtspraak werd ook reeds beslist ook dat de vennootschap in vereffening na de sluiting van de vereffening geen rechtsvordering kan instellen noch de verderzetting ervan kan benaarstigen omdat de vennootschap waarvan de vereffening is afgesloten enkel blijft voortbestaan om zich te verweren tegen vorderingen die door de schuldeisers tegen die vennootschap worden ingesteld in de persoon van haar vereffenaars
(4). In Uw arrest van 20 september 2019 werd eveneens geoordeeld dat de rechtsvordering die de vereffende vennootschap heeft ingesteld voor de afsluiting van haar vereffening, noch door haar vereffenaars noch door haar vennoten, die niet kunnen worden beschouwd als haar rechtsverkrijgenden ten algemene titel, kan worden voortgezet
(5). De omstandigheid dat er zoals in dit dossier nog geen uitspraak werd gedaan over de tegenvordering van eiseres tegen de vereffende vennootschap heeft mijns inziens niet tot gevolg dat de hoofdvordering van de vereffende vennootschap kan worden geherkwalificeerd als een “verweer”, zelfs niet wanneer men rekening houdt met de desgevallende gerechtelijke schuldvergelijking met de hoofdvordering. Schuldvergelijking (artikel 1289 Oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 5.254 Burgerlijk Wetboek) of compensatie is een wijze van tenietgaan van verbintenissen die inhoudt dat indien twee personen elkaars schuldeiser (en dus ook schuldenaar) zijn, de twee schuldvorderingen (en dus ook de schulden) onder bepaalde voorwaarden teniet gaan ten belope van het geringste bedrag. Bij schuldvergelijking is er dus eigenlijk sprake van een fictieve wederzijdse betaling of een betaling met gesloten beurs
(6). Een eventuele compensatie heeft enkel tot gevolg dat de schuldvordering van eiseres geheel of gedeeltelijk “betaald” zal worden met de schuldvordering van verweerster. Deze vorm van betaling in dit dossier via gerechtelijke schuldvergelijking heeft geen invloed op het karakter van de vordering van verweerster en maakt van haar vordering geen “verweer”
(7). Ook de omstandigheid dat de zijdelingse vordering (artikel 1166 Oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 5.242 Burgerlijk Wetboek) de schuldeisers van verweerster zou toelaten om betaling van de schuld van eiseres te benaarstigen, heeft niet tot gevolg dat de hoofdvordering van verweerster als een “verweer” zou moeten worden beschouwd. Bij een zijdelingse vordering oefenen de schuldeisers immers alle rechten en vorderingen van hun schuldenaar uit zoals die zich in zijn vermogen bevinden, met uitzondering van die welke die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn. Bij het uitoefenen van een zijdelingse vordering is de tegenpartij van de onderschuldenaar niet de schuldeiser, maar gewoon de hoofdschuldenaar
(8). De schuldeiser oefent immers gewoon de vordering van de hoofdschuldenaar uit, in diens naam en voor diens rekening, krachtens een eigen recht dat hem door de wet wordt toegekend
(9). Het vonnis van 21 december 2018 waartegen verweerster hoger beroep instelde deed enkel uitspraak over de door haar ingestelde hoofdvordering tegen eiseres en is dus geen veroordelend vonnis ten aanzien van de vereffende vennootschap met onmiddellijke sluiting. Er kon dan ook geen hoger beroep worden ingesteld door de verweerster tegen dit vonnis. De appelrechter verantwoordt zijn beslissing dat het hoger beroep toelaatbaar is met de motivering vermeld in de vijfde alinea op pagina 5 van het bestreden arrest, dan ook niet naar recht. Het tweede onderdeel van het middel is gegrond. ___________________________________
(1)Cass. 17 april 2008, AR C.07.0054.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.11, AC 2008, nr. 231; JDSC 2009, 283, noot P. JEHASSE; TBH 2008, afl. 10, 870 en TRV 2010, afl. 2, 150, noot C. CLOTTENS.
(2)Cass. 7 november 2019, AR C.19.0052.N, AC 2019, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.14 met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM, JDSC 2020, afl. 1, 249, noot M. LEMAL; TBH 2020, afl. 5, 654 en http://www.rdc-tbh.be/ (29 oktober 2020), noot R. AYDOGDU; TRVRPS 2020, afl. 5, 610, noot C. BERCKMANS; zie ook Cass. 14 februari 2020, AR C.19.0108.F, AC 2020, nr. 132, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200214.1F.7, RGCF 2020, afl. 3, 213, noot N. PIROTTE.
(3)Conclusie van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM in Cass. 7 november 2019, AR C.19.0052.N, AC 2019, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191107.14.
(4)Cass. 14 februari 2012, AR P.11.1181.N, AC 2012, nr. 106, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120214.4.
(5)Cass. 20 september 2019, AR C.18.0448.F, AC 2019, nr. 470, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190920.2, JDSC 2020, afl. 1, 247, noot M. LEMAL; zie ook Cass. 17 juni 1965, Pas. 1968, 1134, ECLI:BE:CASS:1965:ARR.19650617.3.
(6)ROODHOOFT, J., “Schuldvergelijking”, V.3.-12 in X., Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl.
(7)Bij een wettelijke schuldvergelijking (artikel 1290 Oud Burgerlijk Wetboek (thans artikel 5.255. Burgerlijk Wetboek)) zou de oplossing anders kunnen zijn. Indien een partij zich beroept op de wettelijke schuldvergelijking en aan alle toepassingsvoorwaarden is voldaan, moet de rechter louter vaststellen dat de schuldvergelijking heeft plaatsgevonden. Of wettelijke schuldvergelijking plaatsvindt, hangt dus niet af van de rechter. (R. STEENNOT, “Schuldvergelijking”, randnr. 2, in M. DAMBRE, E. DIRIX en B. TILLEMAN, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 13 dln.). Wanneer een schuldeiser toch overgaat tot gerechtelijke invordering van de schuld, zal de wettelijke schuldvergelijking die wordt ingeroepen door de tegenpartij moeten worden beschouwd als een verweer. Als de rechter dit verweer volgt en de wettelijke schuldvergelijking vaststelt, werkt deze wat haar gevolgen betreft terug tot op het moment van het vervuld zijn van de voorwaarden (ROODHOOFT, J., “Schuldvergelijking”, V.3.-22-23). Ook een ontbonden vennootschap met onmiddellijke sluiting van vereffening kan volgens mij dergelijke verweer voeren of een rechtsmiddel aanwenden tegen het vonnis dat weigert de ingeroepen wettelijke schuldvergelijking vast te stellen.
(8)Cass. 5 januari 1961, Pas. 1961, I, 485.
(9)Cass. 6 januari 1984, AR 3993, AC 1984, nr. 234. F. HELSEN, “Zijdelingse vordering”, randnr. 1, in M. DAMBRE, E. DIRIX en B. TILLEMAN, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 13 dln. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240215.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240215.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1965:ARR.19650617.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.11 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120214.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190920.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191107.14 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191107.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200214.1F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.