← België

KOFFIESHOP MIAMI contra O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 februari 2024

Art. 505

, eerste lid, 2°, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek stelt degenen strafbaar die goederen bedoeld in artikel 42, 3°, van dat wetboek kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren (2°), dan wel de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van dergelijke goederen verhelen of verhullen (4°), ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die goederen kenden of moesten kennen; dit laatste vereist dat de dader van het witwasmisdrijf van bij de aanvang van zijn materiële gedragingen effectief weet dat die goederen voortspruiten uit feiten die een misdrijf uitmaken op de plaats waar en in de omstandigheden waarin zij werden gepleegd, hetgeen de rechter kan afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens en voor het overige volstaat het dat de dader van het witwasmisdrijf wetens en willens heeft gehandeld; de vraag of de dader van het witwasmisdrijf erop mag vertrouwen dat hij daarvoor in België niet strafbaar is, louter omdat de vermogensvoordelen zijn verkregen uit een misdrijf dat in het land waar het is gepleegd op beleidsmatige gronden niet wordt vervolgd, is daarentegen vreemd aan de constitutieve bestanddelen van een hier bedoeld witwasmisdrijf

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

, eerste lid, 2° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 Rechtsdwaling over de strafbaarheid van een gedraging kan een schulduitsluitingsgrond vormen indien die dwaling onoverwinnelijk is, dit is wanneer de beklaagde heeft gehandeld zoals elk redelijk en voorzichtig persoon in een identieke situatie zou hebben gehandeld; de beklaagde dient de onoverwinnelijkheid van zijn dwaling aannemelijk te maken en de rechter oordeelt daarover onaantastbaar

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 5 - 7 Een persoon kan aanspraak maken op de teruggave van goederen die moeten worden verbeurdverklaard als voorwerp van een lastens een derde bewezenverklaard witwasmisdrijf wanneer hij zijn rechtmatig bezit op die goederen aannemelijk maakt en de rechter oordeelt onaantastbaar over die aannemelijkheid; de rechter kan daarbij rekening houden met alle voorliggende omstandigheden, zoals de deugdelijkheid van het voorgehouden bezit en de goede trouw van de derde en die goede trouw is aanwezig wanneer de derde kan geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen zodat het enkele feit dat de goederen in kwestie een wederrechtelijke oorsprong hebben niet volstaat om de aanspraak van de derde af te wijzen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 42

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.23.1438.N Conclusies van advocaat-generaal Winants: De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 september

  1. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  2. Op 19 oktober 2017 werd te Vorst een voertuig BMW met Nederlandse nummerplaat gecontroleerd door de politie omdat er een sterke cannabisgeur waarneembaar was. Het voertuig werd bestuurd door de genaamde K., thans niet meer betrokken bij de procedure voor uw Hof (zie infra). Bij de doorzoeking van het voertuig werden een aantal doorschijnende plasticzakken met een cannabisgeur aangetroffen alsmede een hoeveelheid cash geld ten bedrage van 15.500 euro. Betrokkene verklaarde dat hij werkzaam was in Terneuzen voor een coffeeshop en dat hij in België was om een voertuig te kopen en hier bij de genaamde O. verbleef. Bij een huiszoeking op het adres van deze laatste werd een geldsom ten bedrage van 396.620 euro aangetroffen, die volgens hem toebehoorde aan zijn broer, O. L., uitbater van de coffeeshop in kwestie, met name KOFFIESHOP MIAMI te Terneuzen.
  3. Na verwijzing door de raadkamer werden de genaamden O. en K. voor de correctionele rechtbank te Brussel vervolgd uit hoofde van: als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek, A. Verwerven criminele vermogensvoordelen. te Vorst en bij samenhang te Terneuzen (NL) op 19 oktober 2017 door O., K., zaken bedoeld in artikel 42, 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben gekocht, te hebben geruild of om niet te hebben ontvangen, te hebben bezeten, bewaard of beheerd, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen (art. 505, lid 1, 2° Sw), om namelijk geldsommen ten belope van EUR 396.620,-, dewelke sommen onwettig onttrokken werden aan een Nederlandse vennootschap, (dewelke onttrekking een misdrijf is in het buitenland gepleegd en niet in het Rijk kan vervolgd worden

(1), in bezit en beheer te hebben genomen, door deze in contanten te hebben bewaard in een woning te Vorst, Monte Carlolaan 19; B. Verbergen aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom criminele vermogensvoordelen. te Vorst en bij samenhang te Terneuzen (NL) op 19 oktober 2017 door O., K., de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3° van het Strafwetboek bedoelde zaken, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben verheeld of verhuld, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moest kennen. (art. 505, lid 1, 4°, Sw), om namelijk de geldsommen onder A omschreven te hebben verborgen in een woning te Vorst, Monte Carlolaan 19; C. Omzetting of overdracht criminele vermogensvoordelen om illegale herkomst te verbergen. te Vorst en bij samenhang te Terneuzen (NL) op 19 oktober 2017 door K., de zaken, bedoeld in artikel 42, 3° van het Strafwetboek, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden (art. 505, lid 1, 3° Sw), om namelijk een onwettig bekomen geldsom van EUR 15.500 te hebben overgedragen van Nederland naar België; D. Vergunningsplichtige wapens - dracht zonder vergunning. te Vorst op 19 oktober 2017 door O. een vergunningsplichtig vuurwapen te hebben gedragen zonder wettige reden en zonder in het bezit te zijn van een vergunning tot het voorhanden hebben van het betrokken wapen evenals van een wapendrachtvergunning (artikelen 1, 2, 3, 14, 23, 24, 25, 26, 29, 46, 47, 48 en 49 van de Wapenwet), te weten: een pistool Glock met lader; E. Deel uitmaken van een vereniging opgericht om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen. te Vorst op 19 oktober 2017door O., K., deel te hebben uitgemaakt van een vereniging opgericht met het oogmerk om op personen of op eigendommen wanbedrijven te plegen (art. 322, 323, lid 2, en 324,lid 1 en 4 Sw) om namelijk deelgenomen te hebben aan een vereniging met het oogmerk illegaal cannabis te verhandelen; met de omstandigheid dat volgende voorwerpen en overtuigingsstukken in aanmerking komen voor een bijzondere verbeurdverklaring ingevolge de artikelen 42 e.v., art. 43quater § 4 en art. 505 Strafwetboek: een geldbedrag van EUR 396.420 aangetroffen in de woning van O. en toevertrouwd aan het COIV op 20.10.2017 en een geldbedrag van EUR 15.500 aangetroffen in een voertuig bezit van K. en toevertrouwd aan het COIV op 20.10.2017. 3. Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel werden de beide beklaagden vrijgesproken, behoudens de veroordeling van O. tot een gevangenisstraf van 10 maanden met uitstel en een geldboete van 16.000 euro uit hoofde van de telastlegging D. Daarenboven werd de teruggave bevolen aan de vrijwillig tussenkomende partij KOFFIESHOP MIAMI (= O. L.) van de sommen van 396.420 euro en 15.500 euro. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie tegen de beide beklaagden voor de telastleggingen A, B en E en tegen de toewijzing aan de vrijwillig tussenkomende partij van de geldsommen. 4. Het arrest van het hof van beroep stelt vooreerst vast dat de raadkamer O. buiten vervolging had gesteld voor de telastleggingen C en E en enkel had verwezen voor A, B en D en K. buiten vervolging had gesteld voor de telastleggingen A, B, D en E en enkel had verwezen voor de telastlegging C. De eerste rechter had derhalve geen rechtsmacht om zich uit te spreken over de buitenvervolginggestelde telastleggingen ten aanzien van de beklaagden, zodat het hof van beroep enkel nog gevat was van de feiten van de telastleggingen A, B en D ten aanzien van O. Bij arrest van 28 september 2023 werd O. bij éénparigheid veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 1000 euro, gebracht op 8000 euro, met uitstel van tenuitvoerlegging voor vijf jaar en werd lastens hem het bedrag van 369.620 euro verbeurd verklaard
(2).
  1. Tegen dit arrest werden op 3 oktober 2023 twee cassatieberoepen ingesteld, één door KOFFIESHOP MIAMI als vrijwillig tussenkomende partij en één door O. als beklaagde. Eiser I voert daarbij één middel aan, terwijl eiser II twee middelen aanvoert. II. ONDERZOEK VAN DE CASSATIEBEROEPEN. Het middel van eiser I.
  2. Het middel van eiser I valt uiteen in vier onderdelen. Het eerste onderdeel voert de schending aan van de artikelen 42, 1° en 3° en 505, zesde lid, Strafwetboek omdat het arrest de eiser II veroordeelt wegens het witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek van geldsommen afkomstig van de verkoop van cannabis in een coffeeshop in Nederland (telastleggingen A, zoals heromschreven, en B) en lastens de eiser II de bijzondere verbeurdverklaring beveelt van een geldsom van 369.620,00 euro als voorwerp van die telastleggingen. Het arrest verwerpt de rechtsvordering van de eiser I tot teruggave van die geldsom omdat de eiser I ze heeft verkregen als vermogensvoordeel uit de verkoop van cannabis en derhalve uit een feit dat in Nederland strafbaar is op grond van de Opiumwet. Eiser I voert aan dat een dergelijk vermogensvoordeel evenwel geen illegaal karakter heeft en dat het dan ook niet het voorwerp kan uitmaken van witwassen. Eiser I houdt voor dat het gedoogbeleid van de Nederlandse overheid hierop neerkomt dat geen vervolging wordt ingesteld en niet strafrechtelijk zal worden opgetreden wegens de verkoop van onder meer cannabis, op voorwaarde dat de coffeeshophouder voldoet aan de criteria van de Aanwijzing Opiumwet en dat de coffeeshop beschikt over een gemeentelijke vergunning. Ter ondersteuning van zijn standpunt voert eiser I een arrest aan van de Hoge Raad der Nederlanden van 4 maart 2003 op grond waarvan kan worden aangenomen dat de vermogensvoordelen verkregen uit een handel gevoerd in het kader van dat gedoogbeleid niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. De eiser I is van mening dat het bestreden arrest, door te oordelen dat het gedoogbeleid en de aangehaalde rechtspraak losstaan van het feit dat de verkoop van cannabis in Nederland, zoals in België, overeenkomstig een duidelijke wettelijke bepaling een misdrijf is in de zin van de artikelen 42, 3° en 505 Strafwetboek, aldus geen rekening houdt met het gegeven dat de Nederlandse strafwet op grond van een officiële en erga omnes bekend gemaakte aanwijzing niet wordt toegepast en aldus in concreto niet vaststelt dat het vermogensvoordeel op de plaats waar en in de omstandigheden waarin het werd verworven een illegale oorsprong heeft. Daaruit volgt volgens eiser I dat de beslissing van het hof van beroep te Brussel volgens dewelke de verbeurdverklaarde geldsom een illegaal karakter heeft niet naar recht is verantwoord, evenmin als de beslissingen tot schuldigverklaring van de eiser II aan witwassen en de verbeurdverklaring van de betrokken geldsom als voorwerp van het witwassen alsmede de verwerping van de rechtsvordering van de eiser I tot teruggave van dit vermogensvoordeel.
  3. De witwasmisdrijven werden in het Belgisch Strafwetboek opgenomen ingevolge twee wetten, te weten de wet van 17 juli 1990
(3), waarbij het eerste witwasmisdrijf tot stand kwam (art. 505, lid 1, 2°) en vervolgens de wet van 7 april 1995
(4)die het tweede en derde witwasmisdrijf invoerde (art. 505, lid 1, 3° en 4°). De misdrijven van witwassen bestaan erin zich met de vereiste kennis van zaken en met het vereiste opzet te gedragen op een wijze zoals omschreven in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek en dit met betrekking tot de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, zijnde ‘de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en de inkomsten uit de belegde voordelen’. Op basis van artikel 505, zesde en zevende lid, Strafwetboek, heeft een schuldigverklaring wegens witwassen tot gevolg dat die zaken worden verbeurdverklaard.
  1. In de voorliggende casus zijn de geldsommen die werden aangetroffen in het appartement van eiser II afkomstig uit de opbrengsten van een coffeeshop uitgebaat door eiser I in Nederland, dit overeenkomstig het Nederlandse gedoogbeleid en met een op basis daarvan verleende gemeentelijke exploitatievergunning. Het standpunt van de appelrechters is dat het gedoogbeleid geen afbreuk doet aan de principiële strafbaarheid van de verkoop van cannabis zodat het naar Belgisch recht wel degelijk handelt om het witwassen van wederrechtelijke vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek. Deze specifieke situatie noopt alsdan tot het beantwoorden van twee vragen, met name a) of artikel 505 Strafwetboek een dubbele incriminatie vereist en b) welk de impact is van het Nederlandse gedoogbeleid.
  2. De vraag of artikel 505 Strafwetboek een dubbele incriminatie vereist houdt in dat de vermogensvoordelen zowel naar Belgisch recht als naar het recht van het land waar zij werden verworven uit een misdrijf verkregen werden. Het wordt in de rechtspraak en de rechtsleer niet betwist, dit zowel m.b.t. de klassieke heling als tot het witwassen, dat het oorspronkelijke feit of misdrijf in het buitenland kan zijn gepleegd
(5), maar de rechtspraak lijkt me minder duidelijk en expliciet te zijn over de vereiste van dubbele incriminatie. Met betrekking tot de heling stelde het Hof van Cassatie
(6)dat het volstond dat het in het buitenland gepleegde feit ‘naar de normen van het Belgisch recht een misdaad of een wanbedrijf uitmaakt’. In verband met het witwassen kan verwezen worden naar een arrest van 21 juni 2000
(7)dat stelde: ”Overwegende dat de wettigheid van een veroordeling die is uitgesproken wegens schending van artikel 505, 2° van het Strafwetboek, dat in dat wetboek is gevoegd door artikel 5 van de wet van 17 juli 1990, onder meer impliceert dat de rechter moet vaststellen dat de beklaagde de strafbare oorsprong kende van de vermogensvoordelen die hij rechtstreeks of door indeplaatsstelling gekocht, ontvangen, in bezit, bewaring of beheer heeft genomen; Overwegende dat de veroordelende beslissing evenwel geen opgave hoeft te doen van de misdaad of van het wanbedrijf aan de hand waarvan die vermogensvoordelen zijn verkregen…”. Het komt mij voor dat daarmee de vraag naar de vereiste van dubbele incriminatie niet expliciet wordt beantwoord. 10. De rechtsleer daarentegen is vrij unaniem gevestigd in de zin van de noodzaak aan dubbele incriminatie. B. SPRIET
(8)is van oordeel dat er minstens in abstracto sprake moet zijn van dubbele strafbaarstelling terwijl G. STESSENS
(9)meent dat die dubbele strafbaarstelling moet gelden, tenzij de Belgische rechter rechtsmacht heeft over het basismisdrijf
(10). Er kan wat dit laatste betreft worden verwezen naar A. DE NAUW
(11)die stelt dat er een duidelijke politiek van de wetgever bestaat om in het buitenland gepleegde feiten - zoals mensenhandel, corruptie, exploitatie van prostitutie - in België vervolgbaar te maken zonder acht te slaan op de wetgeving van het betrokken land, zodat het vreemd overkomt dat de Belgische rechter rechtsmacht zou worden ontzegd wanneer de uit dergelijke feiten verkregen vermogensvoordelen binnen de landsgrenzen witgewassen worden bij gebrek aan dubbele strafbaarstelling van het basismisdrijf, terwijl precies voor dit basismisdrijf gepleegd in het buitenland de Belgische rechter zonder het vereiste van de dubbele strafbaarstelling over rechtsmacht beschikt. Ook D. LIBOTTE en H. VAN BAVEL
(12)spreken zich uit in de zin van de vereiste van dubbele strafbaarstelling. De rechtspraak van de feitenrechters gaat eveneens in die richting
(13)en in een aantal buitenlandse wetgevingen
(14)werd het principe expliciet ingeschreven in de strafwetgeving. Concluderend over dit aspect ben ik dan ook de mening toegedaan dat er dient te worden voldaan aan de voorwaarde van dubbele incriminatie. Daarenboven zou het tegendeel staande houden ertoe leiden dat inkomsten die legaal zijn verkregen in het buitenland in België zouden worden gecriminaliseerd. 11. Vanaf het ogenblik dat er wordt uitgegaan van de noodzaak aan een dubbele incriminatie stelt zich uiteraard de tweede vraag, te weten welke de impact en het gevolg is van het Nederlandse gedoogbeleid. Uit de hierover in Nederland beschikbare informatie blijkt - en dit wordt ook in de memorie van eiser I aangehaald – dat het Nederlandse gedoogbeleid een publiek algemeen bekend- gemaakte, algemeen bindende, dwingende en in detail uitgewerkte vervolgingsregeling uitmaakt waaraan ook een eigen vergunningsstelsel is gekoppeld. Zo kan men op de website van het Nederlandse OM
(15)ondermeer het volgende lezen:” Tegen coffeeshops die op grond van een door de gemeente afgegeven vergunning, beschikking of verklaring worden gedoogd, zal niet strafrechtelijk worden opgetreden wegens de verkoop van op lijst II van bij de Opiumwet vermelde hennepproducten, zolang de AHOJGI-criteria worden nageleefd”. 12. De Hoge Raad der Nederlanden heeft zich in een arrest van 4 maart 2003
(16)hierover uitgesproken in een zaak waarin de beklaagde blijkbaar feiten had gepleegd die enerzijds binnen en anderzijds buiten de grenzen van het gedoogbeleid lagen. De Hoge Raad stelde desaangaande het volgende: “3.4.1. In de overwegingen van het Hof
(17)ligt besloten dat het tot uitgangspunt heeft genomen dat ingeval de betrokkene in verband met het desbetreffende gedoogbeleid erop mocht vertrouwen dat tegen hem niet strafrechtelijk zou worden opgetreden bij verkoop vanuit een coffeeshop van hoeveelheden softdrugs per transactie niet groter dan 30 gram, het uit zodanige kleinhandel verkregen voordeel moet worden geacht niet wederrechtelijk verkregen te zijn als bedoeld in art. 36E Sr. Dat oordeel geeft op zichzelf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 3.4.
  1. Zodanig uitgangspunt brengt mee dat in het geval de betrokkene de grenzen van dit gedoogbeleid overschrijdt – (…) – hij in beginsel niet erop mag vertrouwen dat niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. In een zodanig geval moet in beginsel al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht worden wederrechtelijk verkregen te zijn in vorenbedoelde zin”.
  2. Het komt me evenwel voor dat er met betrekking tot dit Nederlandse gedoogbeleid toch een aantal opmerkingen dienen te worden gemaakt. Gedogen betekent dat men handelingen/gedragingen/feiten – hier met betrekking tot druggerelateerde situaties - die in principe niet toelaatbaar zijn, gedoogt mits er aan bepaalde specifieke voorwaarden in combinatie met het bezitten van de nodige administratieve toelatingen en vergunningen is voldaan. Dat betekent dus impliciet dat dergelijke handelingen een strafbaar feit blijven uitmaken, hetgeen met zich meebrengt dat wanneer aan die voorwaarden en vergunningen niet is voldaan, vervolging mogelijk blijft. Het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 203 lijkt me volledig in die logica te liggen.
  3. De term ‘beleid’ geeft anderzijds aan dat het hier gaat om een beleidsmatige keuze, in dit geval de door het Nederlands openbaar ministerie gehanteerde vervolgingspolitiek inzake druggerelateerde misdrijven. Het lijkt me evident dat een dergelijke keuze zich niet opdringt aan de Belgische rechtsorde en dat dit gedoogbeleid en de eruit voortvloeiende vervolgingspolitiek geen effect kan ressorteren op Belgisch grondgebied. Er is voldaan aan de dubbele incriminatievoorwaarde en de feiten die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen situeren zich op het Belgisch grondgebied. Ten overvloede wil ik er ook op wijzen dat in bepaalde uitspraken van de feitenrechters in verband met de dubbele incriminatie wordt gesteld dat de omstandigheid dat m.b.t. bepaalde misdrijven in het land waar het basismisdrijf gepleegd werd een gedoogpolitiek wordt gevoerd, niet wegneemt dat de aldaar gepleegde feiten strafbaar zijn
(18).
  1. Opdat in het buitenland verkregen vermogensvoordelen onder het toepassingsgebied van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek kunnen vallen, is het vereist, maar volstaat het, dat de feiten waaruit die vermogensvoordelen zijn verkregen zowel in België als in het land van verkrijging een misdrijf uitmaken, zonder dat die feiten daarom in de beide landen moeten voldoen aan dezelfde constitutieve bestanddelen of het voorwerp moeten uitmaken van hetzelfde misdrijf. De omstandigheid dat de vermogensvoordelen voortkomen uit een in het buitenland gepleegd basismisdrijf dat daar onder een administratief gedoogbeleid valt, zodat dit misdrijf daar niet in aanmerking komt voor strafvervolging en het eruit verkregen vermogensvoordeel er niet als wederrechtelijk worden aanzien, belet aldus niet dat die vermogensvoordelen het voorwerp van een witwasmisdrijf in de zin van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek kunnen uitmaken.
  2. Het bestreden arrest vermeldt op de pagina’s 9-10 het volgende: “De coffeeshop te Terneuzen heeft als activiteit de verkoop van cannabis. De verkoop van cannabis is volgens de Nederlandse wetgeving onwettig. Volgens de artikelen 2 en 3 Opiumwet is het verboden om middelen vermeld in de lijsten I en II die bij deze wet zijn gevoegd “te verkopen, af te leveren, te verstrekken” en “aanwezig te hebben”. Cannabis is een verboden middel in de zin van lijst I die bij de Opiumwet is gevoegd. De verkoop van cannabis is bijgevolg bij wet verboden. Een inbreuk op de aangehaalde wettelijke bepaling wordt strafbaar gesteld door artikel 10 Opiumwet. Het betreft bijgevolg een misdrijf; Het feit dat Nederland ten aanzien van de verkoop van bepaalde verdovende middelen een gedoogbeleid voert, zoals de eisers aanvoeren, staat los van deze vaststelling. Het gedoogbeleid in Nederland heft het illegale karakter van de verkoop van cannabis niet op. De gelden afkomstig uit deze verkoop hebben een illegale oorsprong, ongeacht de vaststelling dat het openbaar ministerie in Nederland blijkbaar om beleidsmatige redenen ervoor kiest om voor dit soort feiten geen vervolging in te stellen. Gevolg gevend aan de verzoekschriften tot heropening der debatten van beklaagden O. (op 5 juni 2023 neergelegd) en tussenkomende partij Koffieshop Miami (op 12 juni 2023 neergelegd), heeft het hof kennis genomen van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 4 maart 2003 (nr. 00292/02 P) en partijen gehoord over de vraag of inkomsten afkomstig van de verkoop van drugs in Nederland waarvoor een 'gedoogbeleid' wordt gevoerd al dan niet vermogensvoordelen zijn die rechtstreeks uit een misdrijf zijn verkregen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek en het voorwerp kunnen uitmaken van de witwasmisdrijven omschreven in artikel 505 van het Strafwetboek. Het feit dat het volgens de Hoge Raad der Nederlanden in het aangehaalde arrest met het oog op de toepassing van artikel 36e van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht 'op zichzelf geen blijk [geeft] van een onjuiste rechtsopvatting' dat uit een coffeeshop verkregen vermogensvoordelen, voor zover wordt voldaan aan specifieke voorwaarden, worden 'geacht niet wederechtelijk verkregen te zijn als bedoeld in art. 36' Sr.', omdat 'de betrokkene in verband met het desbetreffende gedoogbeleid erop mocht vertrouwen dat tegen hem niet strafrechtelijk zou worden opgetreden' (overweging 3.4.1), staat los van het feit dat de verkoop van cannabis, zoals werd besproken, in Nederland, zoals in België, overeenkomstig een duidelijke wettelijke bepaling wel degelijk een “misdrijf” is in de zin van de artikelen 42, 3° en 505 Strafwetboek. Het feit dat de bedoelde gelden werden aangegeven in de boekhouding en werden belast door de Nederlandse fiscus, verandert niets aan de onwettige herkomst van de bedoelde gelden afkomstig uit een misdrijf”. Met die redenen wordt de beslissing naar recht wordt verantwoord. Het onderdeel kan derhalve niet worden aangenomen.
  3. Het tweede onderdeel voert de schending aan van de artikelen 42, 1° en 3°, 71 en 505 Strafwetboek. De appelrechters hebben geoordeeld dat de eiser II wist of als professioneel ondernemer in cannabis diende te weten dat de handel in cannabis verboden was overeenkomstig de Nederlandse wetgeving en dat de Nederlandse beleidsbeslissing om voor dit soort misdrijven geen vervolging in te stellen niet impliceert dat ook in België geen vervolging zou worden ingesteld wegens witwassen, gelet op het duidelijk Belgisch wettelijk kader en de ondubbelzinnig illegale herkomst van de verkregen vermogensvoordelen. De eiser I is de mening toegedaan dat gelet op het officiële karakter van de Aanwijzing Opiumwet eiser II erop mocht vertrouwen en ervan uitgaan dat het officiële en niet-wederrechtelijke karakter van de betrokken vermogensvoordelen in Nederland zich ertegen verzet dat het bezit van deze vermogensvoordelen in België een misdrijf zou uitmaken. De stelling gehuldigd door de appelrechters vereist dan ook een juridische kennis die verder gaat dan wat men kan vereisen van een normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden, zodat er in hoofde van de eiser II sprake is van onoverwinnelijke dwaling. Eiser I is met name de mening toegedaan dat het in artikel 505 Strafwetboek bedoelde “moeten kennen” een werkelijke kennis vereist niet alleen van de oorsprong van de vermogensvoordelen maar ook dat rekening moet worden gehouden met de regelgeving in het land van oorsprong, met inbegrip van een eventueel gedoogbeleid. Weliswaar wordt elke burger geacht de wet te kennen, maar dat houdt niet in dat hij ook de implicaties dient te kennen van een gedoogbeleid met betrekking tot de verwerving van dit vermogensvoordeel in een ander land op de strafbaarheid van een witwasmisdrijf in België. Volgens de eiser I kan dan ook niet staande gehouden worden dat de eiser II ‘wetens en willens’ zou hebben gehandeld.
  4. De misdrijven die aan eiser II worden telastegelegd betreffen artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek en stellen degenen strafbaar die zaken bedoeld in artikel 42, 3°, van dat wetboek kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren (2°), dan wel de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van dergelijke zaken verhelen of verhullen (4°), ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen. De vereiste dat de dader ‘de oorsprong kende of moest kennen’ houdt in dat hij van bij de aanvang van zijn materiële gedragingen effectief weet dat die goederen voortspruiten uit feiten die een misdrijf uitmaken op de plaats waar en in de omstandigheden waarin zij werden gepleegd en de rechter kan dit afleiden uit de hem regelmatig voorgelegde gegevens.
  5. Men moet ook met kennis van zaken handelen met de goederen waarvan de wederrechtelijke herkomst per hypothese vaststaat. Dit betekent dat de witwasser de illegale oorsprong van die zaken kende of moest kennen maar 'moest kennen' betekent niet dat het witwasmisdrijf een onachtzaamheidsmisdrijf zou zijn. Er moet altijd minstens gewoon opzet, en soms zelfs bijzonder opzet aanwezig zijn. 'Kennen of moest kennen' betekent dat het bewijs van het morele bestanddeel van het witwasmisdrijf kan worden "afgeleid uit alle feitelijke omstandigheden die noodzakelijkerwijs het wantrouwen moeten opwekken van degene die de zaken in bezit neemt en die voldoende ernstige, duidelijke en met elkaar overeenstemmende vermoedens uitmaken die het besluit wettigen dat het bestanddeel kennis wel degelijk aanwezig is
(19). Het is daarbij niet noodzakelijk vereist dat de dader de precieze oorsprong of herkomst van de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Sw. kende of moest kennen
(20).
  1. Voor het overige volstaat het dat de dader van het witwasmisdrijf wetens en willens heeft gehandeld. De vraag of de dader van het witwasmisdrijf erop mag vertrouwen dat hij daarvoor in België niet strafbaar is, louter omdat de vermogensvoordelen zijn verkregen uit een misdrijf dat in het land waar het is gepleegd op beleidsmatige gronden niet wordt vervolgd, is daarentegen vreemd aan de constitutieve bestanddelen van een hier bedoeld witwasmisdrijf. In zoverre dit onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.
  2. Wat nu meer bepaald de dwaling als schulduitsluitingsgrond betreft, die hier dus een rechtsdwaling zou zijn die betrekking heeft op de strafbaarheid van een gedraging in België, is uiteraard vereist dat de persoon die er zich op beroept zou hebben gehandeld zoals elk redelijk en voorzichtig persoon geplaatst in een identieke situatie
(21). De dwaling moet dus onoverkomelijk of onoverwinnelijk zijn
(22)en de enkele goede trouw van de dader van het feit is onvoldoende om te kunnen spreken van onoverkomelijke dwaling
(23). Diegene die zich op een dergelijke onoverkomelijke dwaling beroept dient ze aannemelijk te maken. Het gaat om een onaantastbare beoordeling door de feitenrechter met een marginale toetsing door het Hof van Cassatie.
  1. Ik meen dat aan deze voorwaarde niet is voldaan op basis van de redenen vermeld in het bestreden arrest (pp. 9-10) en die aangehaald worden in de beantwoording van het eerste onderdeel. Ik ben de mening toegedaan dat een normaal, voorzichtig en redelijke persoon, geplaatst in de omstandigheden waarin eiser II zich bevond, er niet kan van uitgaan dat het bewaren in België van in Nederland verkregen vermogensvoordelen, afkomstig uit de verkoop van cannabis, in België niet strafbaar zou zijn als witwasmisdrijf. De strafbaarheid van de gedragingen blijft in beide landen overeind, weze het dat in Nederland het gedoogbeleid onder bepaalde voorwaarden de vervolging ervan uitsluit. De redenen van het bestreden arrest die daarmee de rechtsdwaling uitsluiten verantwoorden derhalve de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
  2. Het derde onderdeel voert de schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 42, 1° en 3° en 505, zesde lid, Strafwetboek. Volgens de eiser I verwerpt het bestreden arrest zijn verzoek tot teruggave van de geldsom van 369.620,00 euro uitsluitend omdat de eiser I die geldsom heeft verworven als inkomen uit de verkoop van cannabis en hij dus geen rechten kan doen gelden op deze geldsom die wordt verbeurdverklaard. Volgens eiser I is het evenwel zo dat het feit dat de goederen die als voorwerp van het misdrijf witwassen in aanmerking komen voor de verbeurdverklaring een illegale oorsprong hebben, niet volstaat om de aanspraken van derden op die goederen zonder meer af te wijzen. De eiser I is de mening toegedaan dat rechter onaantastbaar moet beoordelen of het bezit dat derden beweren te hebben op die goederen rechtmatig is en voert hierbij aan dat het bestreden arrest de deugdelijkheid van eisers bezit noch zijn eigendomsrecht onderzoekt.
  3. Het is inderdaad zo dat een persoon aanspraak kan maken op de teruggave van goederen die moeten worden verbeurdverklaard als voorwerp van een lastens een derde bewezen verklaard witwasmisdrijf wanneer hij zijn rechtmatig bezit op die goederen aannemelijk maakt. De rechter oordeelt onaantastbaar over die aannemelijkheid en kan daarbij rekening houden met alle voorliggende omstandigheden, zoals de deugdelijkheid van het voorgehouden bezit en de goede trouw van de derde die aanspraken op die goederen doet gelden of wiens aanspraken daarop worden uitgeoefend. Die goede trouw is aanwezig wanneer de derde kan geloven in de regelmatigheid van de aard en de oorsprong van de goederen. Dit alles houdt dus in dat het enkele feit dat de goederen in kwestie een wederrechtelijke oorsprong hebben, derhalve niet volstaat om de aanspraak van de derde af te wijzen. Anderzijds is het ook zo dat het feit dat de derde zelf niet is veroordeeld voor het witwasmisdrijf of het eraan ten grondslag liggende basismisdrijf evenmin volstaat om het bezit van de goederen rechtmatig te maken
(24).
  1. Ik verwijs hier naar hetgeen wordt aangehaald ter beantwoording van het eerste en tweede onderdeel van het middel. Daarenboven stelt het arrest op de pagina’s 8-9 vast dat de eiser II aan de politie heeft verklaard dat de in zijn appartement aangetroffen geldsom van 369.620,00 euro afkomstig was van de uitbating van de coffeeshop door zijn broer, de eiser I, in Terneuzen (Nederland), hetgeen door eiser I aan de politie werd bevestigd, daaraan toevoegend dat deze inkomsten in de boekhouding van de coffeeshop werden opgenomen. Met die redenen, die betrekking hebben op de beide eisers, geeft het arrest te kennen dat de eiser I geen rechtmatig bezit op de verbeurd te verklaren geldsom van 369.620,00 euro kan doen gelden omdat hij hier, evenmin als de eiser II, kon geloven in de wettelijkheid van de oorsprong van die geldsom. Het arrest dat aldus de vordering van de eiser I tot vrijgave van de geldsom verwerpt, niet enkel op grond van de illegale oorsprong van die geldsom, maar ook op grond van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de aanspraken van die eiser, verantwoordt de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
  2. Het vierde onderdeel voert schending aan van de artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 1° en 3° en 505, zesde lid, Strafwetboek. Volgens de eiser I onderzoekt het bestreden arrest, met de enkele reden dat hij de geldsom van 369.620,00 euro heeft verworven als inkomen uit de verkoop van cannabis en hij dus geen rechten kan doen gelden op deze geldsom die wordt verbeurdverklaard, niet of het voorgehouden bezit van de eiser I deugdelijk is en of eiser I een derde te goeder trouw is. Eiser I houdt voor dat deze goede trouw kan worden afgeleid uit het feit dat hij de betrokken vermogensvoordelen heeft verworven in overeenstemming met het gedoogbeleid van de Nederlandse overheid, door hem uitvoerig toegelicht in de appelconclusie. Het bestreden arrest onderzoekt en beantwoordt volgens eiser I dit verweer niet.
  3. Het komt mij voor dat de redenen die ik heb aangehaald onder het derde onderdeel aantonen dat het bestreden arrest wel degelijk eisers vermelde verweer onderzoekt en verwerpt, zodat het dat verweer beantwoordt zonder te moeten ingaan op elke bijzonderheid ervan of te moeten antwoorden op elk argument ter ondersteuning ervan dat geen afzonderlijk verweer uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het derde onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. De middelen van eiser II.
  4. Het eerste middel van eiser II valt uiteen in twee onderdelen waarbij schending wordt aangevoerd van artikel 6.3.a EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 1° en 3°, 71 en 505 Strafwetboek. Het eerste onderdeel stelt dat het arrest de eiser II schuldig verklaart aan witwassen en lastens hem de verbeurdverklaring van een geldsom van 369.620,00 euro als voorwerp van de bewezen verklaarde witwasmisdrijven beveelt, daar waar die geldsom toebehoort aan de eiser I als opbrengst van de coffeeshop die deze eiser in Nederland exploiteert in overeenstemming met het daar algemeen geldende gedoogbeleid. Gelet op dit beleid is volgens eiser II die geldsom geen illegaal vermogensvoordeel op de plaats waar en in de omstandigheden waarin zij werd verworven, zodat het arrest dat met die omstandigheden geen rekening houdt, op onaanvaardbare wijze vermogensvoordelen die in een ander land legitiem zijn gegenereerd criminaliseert. Het tweede onderdeel stelt dat het arrest oordeelt dat de eiser II wist of als professioneel ondernemer in cannabis diende te weten dat de handel in cannabis verboden was overeenkomstig de Nederlandse wetgeving. De eiser II houdt hierbij voor dat hij op zijn minst mocht vertrouwen op de gevolgen van het gedoogbeleid waaraan de coffeeshop beantwoordde, met name dat de niet-wederrechtelijke oorsprong van de vermogensvoordelen in het land waar zij werden verworven een witwasmisdrijf onmogelijk maakte, zodat hij niet wetens en willens gehandeld heeft.
  5. Ik meen dat dit middel in zijn beide onderdelen dezelfde strekking heeft als het eerste en tweede onderdeel van het middel van eiser I en derhalve om de aldaar aangehaald redenen niet kan worden aangenomen.
  6. Het tweede middel van de eiser II voert de schending aan van artikel 8 Probatiewet omdat het arrest een uitstel van tenuitvoerlegging van de aan de eiser II opgelegde geldboete verleent voor een duur van vijf jaar daar waar het maximale uitstel van de tenuitvoerlegging van een geldboete slechts drie jaar bedraagt. Aangezien artikel 8, § 1, zevende lid, Probatiewet stelt dat de duur van het uitstel niet meer dan drie jaar mag bedragen voor de geldstraffen schendt het arrest dat dit uitstel van tenuitvoerlegging voor vijf jaar verleent die bepaling. Het middel is gegrond.
  7. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden. Ik concludeer derhalve tot de vernietiging met verwijzing van de beslissing waarbij aan de eiser II een geldboete wordt opgelegd, en dientengevolge tot de vernietiging van de beslissing waarbij die eiser tot straf en het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds wordt veroordeeld,. Deze vernietiging laat evenwel de beslissingen over zijn schuldigverklaring en over de rechtsvordering van de eiser I onaangetast. ________________________________
(1)Het bestreden arrest heeft deze telastlegging heromschreven door de zinsnede’ dewelke sommen onwettig onttrokken werden aan een Nederlandse vennootschap, dewelke onttrekking een misdrijf is in het buitenland gepleegd en niet in het Rijk kan vervolgd worden’ te vervangen door de zinsnede ‘afkomstig van de verkoop van cannabis in een coffeeshop in Nederland’.
(2)Dit lijkt me op het eerste zicht een verschrijving te zijn gelet op het aangetroffen bedrag van 396.620. euro.
(3)Wet tot wijziging van de artikelen 42, 43 en 505 van het strafwetboek en tot invoeging van een artikel 43bis in hetzelfde wetboek, BS 15 augustus 1990. Zie F. DERUYCK, ‘Witwassen’, Comm. Straf. , pp. 230-251.
(4)Wet tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, BS, 10 mei 1995; zie R. VERSTRAETEN en D. DEWANDELEER, “Witwassen na de wet van 7 april 1995: kan het nog witter?”, RW 1995-1996, 689-702.
(5)A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Wolters Kluwer 2020, p. 532, nr. 627, voor wat betreft de heling en p.542, nr. 642 voor wat betreft het witwassen. Zie ook P. WAETERINCK en K. DE SCHEPPER, ‘Witwassen in België van illegale vermogensvoordelen gehaald uit een buitenlands basismisdrijf na de wet van 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake heling en inbeslagneming en het arrest C-367/05 van het Hof van Justitie’, RABG 2008/1.
(6)Cass. 17 augustus 1982, AC 1982, nr. 671.
(7)Cass. 21 juni 2000, AR P.99.1285.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30-P.00.0351.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30-P.00.0856.F, AC 2000, nr. 387.
(8)B. SPRIET, “Recente rechtspraak omtrent vermogensmisdrijven uit het Strafwetboek”, in L. DUPONT, R. VERSTRAETEN, en F. HUTSEBAUT, Straf(proce)srecht, Themis Cahiers 2000-2001, Brugge, die Keure 2000-01, pp. 78-79.
(9)G. STESSENS, De nationale en internationale bestrijding van het witwassen, Antwerpen-Groningen, Intersentia 1997, pp. 363-365.
(10)Art. 10quater V.T.Sv. dat betrekking heeft op de meeste gevallen van publieke omkoping dat als basismisdrijf van witwassen kan gelden.
(11)A. DE NAUW, “Enkele nieuwe knelpunten betreffende vermogensmisdrijven uit het Strafwetboek”, in A. DE NAUW, Strafrecht van nu en straks, Brugge, die Keure 2003, 152-156; A. DE NAUW en F. DERUYCK, o.c., p. 543, nr. 642; zie P. WAETERINCK, ‘De verwatering van het basismisdrijf als constitutief bestanddeel van het witwasmisdrijf’, in A. DE NAUW (ed.), De groeipijnen van het strafrecht, die Keure 2007, p. 43; J. ROZIE, “Actualia witwassen”, in CBR-jaarboek, Antwerpen, Intersentia 2007, nr. 8-11; A. DE NAUW, “Aspecten van het fiscaal materieel strafrecht”, Strafrecht en strafprocesrecht 2005-2006, XXXIIste Postuniversitaire Cyclus Willy Delva, Mechelen, Kluwer 2006, 32.
(12)D. LIBOTTE en H. VAN BAVEL, “Het wel en wee van het witwasmisdrijf”, T. Straf. 2007/6, pp. 345 e.v.
(13)Corr. Antwerpen 23 februari 1993, TRV 1994, 195, noot W. en A. DEVROE-ROMBOUTS; Corr. Tongeren 16 november 2001, Limb.Rechtsl. 2002, 223, noot L. DELBROUCK; Antwerpen 2 oktober 2002, Limb.Rechtsl. 2003, 115; Corr. Antwerpen 14 april 1994, RW 1994-1995, 508, noot G. STESSENS en TRV 1994, 285, noot F. HELLEMANS.
(14)Art. 506-3 van de Luxemburgse Code pénal en art. 305bis 3 van het Zwitsers Strafwetboek, geciteerd door P. WAETERICNK en K. DE SCHEPPER, o.c. en G. STESSENS, o.c..
(15)https://www.om.nl/onderwerpen/beleidsregels/aanwijzingen/algemeen/aanwijzing-opiumwet-2015a003
(16)ECLI:NL:HR:2003:AF1965.
(17)Het gaat hier over de uitspraak in beroep van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 februari 2001.
(18)Corr. Antwerpen 23 februari 1993, TRV 1994, 195, noot W. en A. DEVROE-ROMBOUTS; Corr. Tongeren 16 november 2001, Limb.Rechtsl. 2002, 223, noot L. DELBROUCK; Antwerpen 2 oktober 2002, Limb.Rechtsl. 2003, 115; Corr. Antwerpen 14 april 1994, RW 1994-1995, 508, noot G. STESSENS en TRV 1994, 285, noot F. HELLEMANS.
(19)Cass. 29 september 2010, AR P.10.0566.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1, AC 2010, nr. 559; Cass. 28 november 2006, AR P.06.1129.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.9, AC 2006, nr. 606.
(20)Cass. 19 september 2006, AR P.06.0608.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060919.5, AC 2006, nr. 425; E. FRANCIS, “Witwassen”, Moreel bestanddeel, Duiding Strafrecht Larcier 2018.
(21)Cass. 18 november 2013, AR S.12.0076.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.4, AC 2013, nr. 612, JTT, 2014, p. 72, noot. J. GENICOT; Cass 28 maart 2012, AR P.11.2083.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3, AC 2012, nr. 202, JT 2012, p. 6481, noot F. KONING.
(22)Cass. 6 februari 1987, AR 800, AC 1986-84, nr. 336.
(23)A. DE NAUW, “La bonne foi en droit pénal”, RDP 1992, pp. 815-828.
(24)Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1171.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9, AC 2021, nr. 169, met concl. van advocaat-generaal SCHOETERS; Cass. 13 december 2016, AR P.15.1646.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.8, AC 2016, nr. 724 met concl. van advocaat-generaal TIMPERMAN. Cass. 15 december 2015, AR P.15.1142.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.1, AC 2015, nr. 753; Cass. 4 maart 2014, AR P.13.1852.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.4, AC 2014, nr. 170; Cass. 14 januari 2004, AR P.03.1185.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040114.15, AC 2004, nr. 20 met concl. van advocaat-generaal R. LOOP, op datum in Pas.; E. FRANCIS, ‘Witwassen’, Verbeurdverklaring, derden, Duiding Strafrecht Larcier 2018; A. DE NAUW en F. DERUYCK, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Wolters Kluwer 2020, p. 568, nrs. 654-655. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240220.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.22 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040114.15 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060919.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120328.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131118.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151215.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9 ECLI:NL:HR:2003:AF1965 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.