id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240222.1N.4 Rolnummer: C.22.0154.N Zaak: ROGUES CONSULT nv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-10 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-06-15 04:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.4 Fiche Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt kennelijk dat, wanneer een belastingplichtige aanvoert goederen of diensten te verwerven in het kader van een economische activiteit in opstart, teneinde de btw die op die goederen of diensten verschuldigd is, in aftrek te kunnen nemen, het de nationale rechter toekomt na te gaan of de wilsverklaring van de belastingplichtige om met economische activiteiten aan te vangen die zullen leiden tot belaste handelingen, gelet op de omstandigheden van de zaak, wordt ondersteund door objectieve gegevens en te goeder trouw is afgelegd
(1).
(1)Ziz concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 4 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie C.22.0154.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: 1. Situering. Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent dd. 7 december 2021 waarin werd geoordeeld dat de BTW die haar werd aangerekend op de facturen voor decoratieve werken en kunstwerken, aangekocht in de periode van 2013 tot 2015, niet aftrekbaar is bij gebrek aan bewijs van het bestaan van een economische activiteit in de zin van artikel 4 WBTW met betrekking tot deze decoratieve werken en kunstwerken. Eiseres voert in haar verzoekschrift één middel tot cassatie aan. 2. Bespreking van het enig middel. 2.1. In het enig middel wordt door eiseres aangevoerd dat de appelrechter het begrip "belastingplichtige" in de zin van artikel 4 WBTW heeft miskend door te oordelen dat niet is aangetoond dat eiseres een "economische activiteit" had in de zin van voormelde bepaling. Uit de overwegingen en feitelijke vaststellingen van de appelrechter zou immers blijken dat eiseres met betrekking tot decoratieve werken een economische activiteit had verricht, met name waar de appelrechter vaststelt dat (
- i)verweerder toegeeft dat, vanaf 2019, eiseres de decoratieve en kunstwerken in huur heeft gegeven en/of verkocht en sindsdien een economische activiteit uitoefent, (
- ii)verweerder vanaf 2016 een reeks (gedetailleerde) facturen van verhuringen heeft voorgelegd, en (iii) het bestuur van de directe belastingen had aanvaard dat de helft van het gebouw in Merelbeke bedrijfsmatig was gebruikt "voor de economische activiteit met betrekking tot decoratie en kunst". (Schending van de artikelen 4 en 45 WBTW). In ondergeschikte orde wordt het Hof verzocht overeenkomstig artikel 267 VWEU een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 2.2. Artikel 45, § 1, 1°, WBTW bepaalt dat elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek mag brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Volgens artikel 4, § 1, WBTW is belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, levering van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend. 2.3. Het BTW-wetboek bevat geen definitie van het begrip "economische activiteit", in tegenstelling tot artikel 9, § 1, tweede lid BTW-richtlijn
(1)waarin dit begrip wordt omschreven als "alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen". 2.4. In de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt geoordeeld dat enkel iemand die belastingplichtig is en als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed of dienst aanschaft, een recht op aftrek heeft voor dit goed of die dienst en dat de vraag of de belastingplichtige op het tijdstip waarop een goed of een dienst aan hem werd geleverd, heeft gehandeld als belastingplichtige ten behoeve van een economische activiteit, een feitelijke kwestie is die de nationale rechter dient te onderzoeken in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen of diensten en het tijdsverloop tussen de verwerving van de goederen of diensten en hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige
(2). Het is daarbij op zich niet van belang dat het goed in kwestie niet onmiddellijk is gebruikt voor belaste handelingen, daar het daadwerkelijke gebruik van het goed enkel bepalend is voor de omvang van de aftrek of de eventuele daaropvolgende herziening, maar niet van invloed is op het ontstaan van het recht op aftrek
(3). Voorbereidende handelingen moeten reeds tot de economische activiteit worden gerekend
(4). Het volstaat dus dat de belastingplichtige daadwerkelijk het voornemen had om de betrokken goederen en/of diensten te gebruiken om een economische activiteit te verrichten opdat hij zijn recht op aftrek van voorbelasting kan uitoefenen. Daarbij wordt in de rechtspraak van het Hof van Justitie wel verduidelijkt dat de belastingdienst de belastingplichtige kan verzoeken om aan te tonen dat zijn voornemen door objectieve gegevens wordt bevestigd. In dat verband moet worden benadrukt dat de hoedanigheid van belastingplichtige slechts definitief verworven wordt, indien de verklaring van het voornemen om een aanvang te maken met de beoogde economische activiteiten, door de belanghebbende te goeder trouw is afgelegd. De belastingdienst kan, in geval van fraude of misbruik, wanneer de belastingplichtige heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten doch in werkelijkheid goederen of diensten ten aanzien waarvan aftrek mogelijk is, in zijn privévermogen heeft pogen op te nemen, met terugwerkende kracht terugbetaling van de afgetrokken bedragen vorderen omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen is verleend
(5). 2.
- In het licht van deze rechtspraak verantwoordt de appelrechter m.i. zijn beslissing naar recht, met de redenen vermeld op p. 8, laatste alinea tot en met p. 10, tweede alinea van het arrest, dat de beperkte verhuring, uitsluitend aan gelieerde ondernemingen zonder verkoop, met uitzondering van één factuur, zonder enige publiciteit en met een uiterst minimale omzet in verhouding tot de waarde van de aangekochte schilderijen, aantoont dat eiseres in werkelijkheid in 2014 en 2015 geen economische activiteit had met betrekking tot de decoratieve werken. 2.
- De appelrechter oordeelt tevens naar recht op p. 11, derde alinea, dat het feit dat naderhand, enkele jaren later, wel door eiseres een economische activiteit werd ontwikkeld met betrekking tot de decoratieve werken, in de gegeven omstandigheden niet volstond om die eerdere jaren als een periode van "aanloop" of "opstart" te beschouwen. Waar eiseres immers zelf gewaagt van een "voorzichtige opstart" valt dit volgens de appelrechter, gelet op de grote financiële middelen waarover eiseres blijkens de gedane aankopen blijkt te hebben kunnen beschikken, niet op economische of financiële gronden te verklaren. De verhuring aan gelieerde ondernemingen was in de opvatting van de appelrechter bovendien niets meer dan een "pose" om te doen uitschijnen dat er wel een economische activiteit was, dit in weerwil van de werkelijkheid. Volgens de appelrechter was het enkel onder invloed van de controle door verweerder dat eiseres de beslissing nam om, voorbij de "pose", de omslag te maken om naderhand wel daadwerkelijk een economische activiteit uit te werken. 2.
- Met betrekking tot de aftrek van BTW verbonden aan de kosten van de woning in Merelbeke kan de appelrechter worden bijgetreden waar hij oordeelt dat verweerder voor wat de jaren 2014 en 2015 betreft, niet gebonden is aan het stilzwijgend akkoord in de vennootschapsbelasting voor de inkomstenjaren 2011 en 2012, waarbij werd aanvaard dat de kosten voor de woning voor 50 procent aftrekbaar waren, vermits er in de periode 2014 en 2015 geen economische activiteit bestond met betrekking tot de aan eiseres toebehorende kunst- en decoratieve werken en het akkoord dus gesteund was op een onjuiste beoordeling van de feiten. 2.
- De appelrechter die aldus beslist dat verweerder voor de betreffende jaren 2014 en 2015 de aftrek van de voorbelasting met reden heeft verworpen, lijkt mij zijn beslissing naar recht te verantwoorden. Het middel kan niet worden aangenomen. 2.
- In zoverre de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag in verband met het begrip "belastingplichtige" bedoeld in artikel 9 van de Richtlijn 2006/112/EG voorbijgaat aan de vereiste dat in de opstartfase moet worden aangetoond dat er een intentie is om een economische activiteit te verrichten, berust deze vraag op een verkeerde rechtsopvatting en lijkt er bijgevolg geen grond te zijn tot het stellen van deze prejudiciële vraag. Het Hof is overigens niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen wanneer de vraag niet relevant is, de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof van Justitie is uitgelegd of wanneer de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan
(6). 3. Besluit: Verwerping. ____________________________________
(1)Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
(2)Zie o.a. HvJ 21 september 2017, C-441/16, SMS Group GmbH, r.o. 47; HvJ 25 juli 2018, C-140/17, Szef Krajowej Administracji Skarbowej, r.o. 34-39.
(3)HvJ 14 oktober 2021, E en Z tegen Finanzamt N en Finanzamt G, C-45/20 en C-46/20, r.o. 45 en 46.
(4)Zie o.a. HvJ 14 februari 1985, 268/83, Rompelman, r.o. 22-24; HvJ 11 juli 1991, C-97/90, Lennartz, r.o. 13-17; HvJ 29 februari 1996, C-110/94, Inzo, r.o. 15; HvJ 17 oktober 2018, C-249/17, Ryanair Ltd, r.o. 18.
(5)HvJ 21 maart 2000, C-110/98 en C-147/98, Gabalfrisa SL, r.o. 45-46; HvJ 8 juni 2000, C-400/98, Breitsohl, r.o. 34-40; HvJ 1 maart 2012, C-280/10, Kopalnia Odkrywkowa Polski Trawertyn P. Granatowicz, M. Wasiewicz spólka jawna, r.o. 37; HvJ 12 november 2020, C-734/19, ITH Commercial Timisoara SRL, r.o. 37-38.
(6)Zie bijvb. HvJ, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, C-561/19, r.o. 33. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240222.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div