id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.10 Rolnummer: F.20.0138.N Zaak: ORANGE BELGIUM nv contra GEMEENTE VOEREN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-05-16 Raadplegingen: 1019 - laatst gezien 2026-06-18 20:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240229.1N.10 Fiches 1 - 3 De in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen die zich in dezelfde toestand bevinden gelijkelijk worden behandeld maar sluiten niet uit dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 4 - 6 De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of van de ingestelde belasting; het gelijkheidsbeginsel wordt eveneens miskend indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en de beoogde doel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Aaaaart. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Aaaaart. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 7 De objectieve en redelijke verantwoording voor de verschillende behandeling van belastingplichtigen in een gemeentelijke belastingverordening dient in beginsel te blijken uit de bestreden verordening zelf of uit het dossier op grond waarvan de gemeenteraad besliste tot de invoering van de belasting, maar kan ook worden afgeleid uit de aard en de context zelf van de gemaakte differentiatie wanneer het motief voor de verschillende behandeling zo voor de hand liggend is dat geen andere uitlegging ervoor mogelijk is en het duidelijk is dat de gemeenteraad die maatregel op grond van die reden heeft goedgekeurd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Annotaties Publicaties: Fiscologue-Fiscologue - 2024, n° 1829, p. 1-
- - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Note'Cassation et justification de l'inégalité: le réchauffement climatique aussi' Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2024, nr. 1829, p. 1-
- - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Noot'Cassatie laat impliciete verantwoording ongelijkheid toe: ook klimaatopwarming' T.Gem.-Tijdschrift voor gemeenterecht - 2024, nr. 4, p. 260-
- - GJUROVA, Alexandra; Noot'Toelaatbaarheid ex-post-motivering van gemeentelijke belastingverordening' Tekst van de conclusie F.20.0138.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: De motivering van de doelstelling en uitzonderingen in lokale belastingreglementen. Inhoud 1 Situering 2 2 De motivering van de doelstelling en uitzonderingen in lokale belastingreglementen 3 2.1 De materiële en formele motiveringsplicht 4 2.2 De (vindplaats van de) motivering van de doelstelling en de uitzonderingen 5 2.3 De doelstellingen van de belasting en de doelstellingen van uitzonderingen 7 2.4 De ‘in concreto-toets’ 8 2.5 De gevolgen van een onverantwoorde of niet te verantwoorden differentiatie 10 3 Bespreking van de middelen 12 3.1 Eerste middel: motivering vrijstelling windmolens 12 3.2 Tweede middel: motivering vrijstelling openbare diensten 12
- Situering.
- Het geschil heeft betrekking op een gemeentebelasting op masten en pylonen, waarin de eiseres werd aangeslagen voor het aanslagjaar 2013, zoals bevestigd door het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 september
- De eiseres komt tegen dit arrest op met drie middelen.
- In het eerste middel voert de eiseres de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Door vast te stellen dat het belastingreglement geen verantwoording voorziet voor de vrijstelling van windmolens en vervolgens te beslissen dat die verantwoording kan worden afgeleid uit de aard van de gemaakte differentiatie of uit de context van de belastingverordening, meent de eiseres dat de appelrechters hun beslissing dat de belastingvrijstelling voor windmolens het gelijkheidsbeginsel niet schendt, niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet).
- Ook het tweede middel voert de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. De schending bestaat er volgens de eiseres in de beslissing dat er weliswaar geen redelijke verantwoording wordt gegeven voor de vrijstelling van masten en pylonen, geplaatst door diensten van openbare besturen en andere openbare inrichtingen en vrijstellingen, maar de eiseres niet te beschouwen is als een openbaar bestuur, inrichting of instelling en dus niet onder de toepassing van de vrijstelling kan ressorteren, zodat zij zich niet op deze vrijstelling kan beroepen en dus ook niet op een schending van het gelijkheidsbeginsel (schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet).
- Het derde middel voert in het bijzonder de schending aan van artikel 1022 Ger.W., namelijk doordat de appelrechters het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hebben toegepast op het bedrag van de aanslag ten bedrage van 2.500,00 euro vermeerderd met nalatigheidsintresten, terwijl de eiseres geen nalatigheidsintresten heeft gevorderd.
- De motivering van de doelstelling en uitzonderingen in lokale belastingreglementen.
- Het cassatieberoep omvat in het bijzonder de vraag naar de wijze van verantwoording van een differentiatie in een belastingreglement, meer bepaald de verantwoording van de vrijstelling voor windmolens die groene stroom produceren en de vrijstelling voor openbare besturen en instellingen.
- Het Hof heeft zich over de problematiek van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in lokale belastingreglementen reeds meermaals uitgesproken. De klassieke regel is dat de in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen, die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld, maar niet uitsluiten dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of van de ingestelde belasting. Het gelijkheidsbeginsel wordt eveneens miskend, indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel
(1).
- In de rechtspraak van het Hof lijkt een divergentie te bestaan over de wijze waarop het doel van het belastingreglement en kan worden vastgesteld.
- Bij arrest van 3 september 2015 oordeelde de Nederlandstalige eerste kamer van het Hof dat “wanneer de verantwoording voor de verschillende behandeling van belastingplichtigen niet expliciet is vermeld in de aanhef of de tekst van de getoetste belastingverordening of in de stukken van het dossier dat werd voorgelegd aan de provincieraad, […] de rechter [moet] nagaan of de door de provinciale overheid tijdens de procedure aangevoerde verantwoording kan worden afgeleid uit de aard van de gemaakte differentiatie of gedragen wordt door de context van de belastingverordening of van het bijhorende dossier”
(2). 10. Volgens de Franstalige eerste kamer van het Hof hoeft de doelstelling die het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling redelijkerwijs kan verantwoorden niet onmiddellijk uit de bestreden verordening zelf te blijken, maar moet die blijken uit het dossier dat tijdens de behandeling ervan is samengesteld of moet zij kunnen worden afgeleid uit het administratief dossier dat door de auteur ervan is samengesteld
(3). Bij arrest van 23 februari 2018 oordeelde de Franstalige eerste kamer van het Hof in de volgende bewoordingen dat de doelstelling van de belasting niet kan blijken uit de aard of de context van de belasting: “Le moyen, qui revient à soutenir qu’il n’y a pas lieu de se cantonner au préambule du règlement-taxe, à son texte ou encore au dossier soumis au conseil provincial mais, en sa première branche, que le but de la taxe en regard duquel il convient d’apprécier le caractère raisonnable de la différence de traitement doit pouvoir se déduire de la nature ou du contexte de la taxe (…) manque en droit.”
(4). In twee arresten van 20 december 2018 verduidelijkt de eerste Franstalige kamer deze visie in de volgende bewoordingen: “Le moyen, qui, en cette branche, soutient qu’il n’y a pas lieu de se cantonner au préambule du règlement-taxe, à son texte ou encore au dossier administratif constitué par son auteur mais que la justification de la différence de traitement proposée en cours de procédure par l’autorité taxatrice doit pouvoir se déduire tant de la nature de cette différence que du contexte de l’adoption du règlement-taxe, manque en droit”
(5).
- De vraag stelt of de motivering van de doelstelling van een belasting en een onderscheiden behandeling al dan niet tijdens de procedure kan worden aangevoerd en kan worden afgeleid uit de aard van de gemaakte differentiatie of gedragen wordt door de context van de belastingverordening of van het bijhorende dossier. 2.1 De materiële en formele motiveringsplicht.
- Bij arrest van 1 oktober 1999 oordeelde het Hof dat een objectieve en redelijke verantwoording niet inhoudt dat de overheid die een onderscheid maakt tussen belastingplichtigen het bewijs moet leveren dat dit onderscheid of de afwezigheid ervan noodzakelijk bepaalde gevolgen zouden hebben; dat het volstaat om te kunnen beslissen of het maken van categorieën objectief en redelijk is, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën
(6).
- De overweging dat het volstaat dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor het gemaakte onderscheid, wijst op het onderscheid tussen de materiële en de formele motivering van een norm. De beslissing dat het volstaat dat een (materiële) verantwoording kan bestaan, erkent dat die niet noodzakelijk vooraf (formeel) moet zijn uitgedrukt.
- Volgens de Raad van State is een belastingreglement niet onderworpen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen
(7). 15. Hoewel de vergelijking met de administratieve rechtshandeling hier niet opgaat
(8), past het om de concepten van materiële en formele motivering kort te duiden. De materiële motiveringsplicht slaat op de interne wettelijkheid van de akte (het negotium) en vormt geen formele vormvereiste sensu stricto als dusdanig. Ze houdt in dat de norm moet steunen op draagkrachtige motieven die zowel in feite als in rechte aanvaardbaar zijn
(9). De formele motiveringsplicht slaat op de externe wettelijkheid van de administratieve rechtshandeling. De formele motivering bestaat erin dat de motieven waarop de beslissing is gegrond, worden veruitwendigd in een geschreven "instrumentum". Opmerkelijk is de vaststelling dat zelfs inzake de administratieve rechtshandeling (en toepassing van artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen) de Raad van State herhaaldelijk beslist dat het weglaten van de formele motivering in de administratieve rechtshandeling van individuele strekking niet tot haar vernietiging leidt zo het doel van de formele motivering of uitdrukkelijke motiveringsplicht (uiteindelijk) werd bereikt, m.n. de betrokken burger een zodanig inzicht verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die hem worden verschaft. Hij die de motieven van de beslissing kent, zelfs al is die niet formeel gemotiveerd, kan zich niet nuttig op de schending van de verplichting tot formele motivering beroepen
(10). 16. Met betrekking tot de vrijstelling voorzien voor de parkingplaatsen die zijn voorzien voor de diensten van openbaar nut, oordeelt de Raad van State als volgt: “qu’une telle affectation constitue une différence de nature qui justifie l’exonération prévue. Lorsqu’un service est reconnu comme d’utilité publique, cette circonstance justifie l’exemption de charges fiscales qui sont imposées elles aussi en vue de l’utilité publique et aucune motivation spéciale n’est requise sur ce point. Aucune violation du principe d’égalité ne peut être déduite d’une telle exonération»
(11). (eigen onderlijningen) 17. Ook in een arrest van 8 juni 2011 gaat de Raad van State na of de verschillende behandeling van de belastingplichtigen kan worden afgeleid uit de aard van de differentiatie en evidente context
(12)los van de vraag of de verantwoording uit het reglement zelf of uit het dossier dat tijdens het ontwerpen ervan is aangelegd of nog uit het administratief dossier kan worden afgeleid
(13). 2.2 De (vindplaats van de) motivering van de doelstelling en de uitzonderingen. 18. In het voormelde arrest van 3 september 2015 oordeelde het Hof dat de motivering of verantwoording van de doelstelling en de vrijstellingen of verminderingen kan blijken uit de gemaakte differentiatie zelf en de (ruime) context van het belastingreglement. Die verantwoording kan volgens die rechtsprak door de overheid nog tijdens de procedure worden aangevoerd
(14). 19. In zijn conclusie bij het arrest van 3 september 2015 gaat advocaat-generaal THIJS een stap verder. Hij stelde dat er geen redelijke verantwoording is om ten aanzien van de lokale wetgever een strengere houding aan te nemen dan ten aanzien van de nationale belastingwetgever
(15): “Het Grondwettelijk Hof besliste wat die laatste betreft dat het niet zou kunnen besluiten tot de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de redelijke verantwoording van een verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit immers niet uit dat aan een maatregel een legitieme doelstelling ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden
(16). Een strengere houding ten aanzien van gemeenten of provincies werd in de rechtsleer reeds als 'discriminerend' omschreven
(17)”.
- Anderzijds moet worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 5 november 2003 de volgende overweging maakte: “B.10.
- De fiscale bevoegdheid die bij artikel 170, §§ 3 en 4, van de Grondwet aan de provincies en de gemeenten wordt toegekend, kan niet zinvol worden vergeleken met de fiscale bevoegdheid van de federale Staat of van de gewesten: enerzijds, blijkt uit de voormelde grondwetsbepaling dat de bevoegdheid van de provincies en de gemeenten in die aangelegenheid ondergeschikt is aan die van de federale Staat, waarbij hun bevoegdheid om bepaalde belastingen op te leggen bij wet kan worden beperkt; anderzijds, brengt het statuut van de gewesten als deelentiteit specifieke gevolgen met zich mee op het vlak van hun fiscale bevoegdheid die hen, wat dat betreft, in een situatie plaatst die essentieel verschilt van die van de provincies en de gemeenten, die gedecentraliseerde entiteiten zijn”. Het Grondwettelijk Hof heeft zich in deze overweging niet uitgesproken over de beoordeling van het gelijkheidsbeginsel waardoor deze overweging geen rechtsgrond verstrekt aan de voormelde strengere houding ten aanzien van de motivering van de fiscale wetgeving van de lokale overheden. De door het Grondwettelijk Hof aangehaalde beperkingen op de fiscale autonomie van de lokale overheden verantwoordt niet dat de fiscale autonomie waarover ze (dan wel) beschikken aan andere motiveringsvereisten zou moeten voldoen. Verder stelt zich de vraag of ingevolge de toenemende decentralisatie en autonomie van de lokale besturen deze overweging uit 2003 thans nog draagkrachtig is
(18).
- De lokale wetgever dient mijns inziens net zoals de nationale wetgever over de mogelijkheid te beschikken om ook tijdens de procedure argumenten aan te voeren om het objectieve en redelijke karakter van de differentiatie (formeel) te rechtvaardigen, ook al worden deze argumenten niet gedragen door de vermeldingen in het initiële belastingdossier of het belastingreglement zelf.
- Gelet op het grondwettelijk statuut van het gelijkheidsbeginsel lijkt de verschillende wijze waarop dit grondrecht mag worden getoetst, namelijk afhankelijk van welke democratisch verkozen beraadslagende vergadering de maatregel uitvaardigde, geen pertinent criterium van onderscheid. De essentie bij de beoordeling van een ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel is het antwoord op de vraag of het gemaakte onderscheid naar redelijkheid kan worden verantwoord. Het volstaat dat er een redelijke verantwoording voor het onderscheid bestaat of kan bestaan. Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in vereenvoudigde categorieën; de regels van gelijkheid en discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval
(19). 2.3 De doelstellingen van de belasting en de doelstellingen van uitzonderingen. 23. Waar de doelstelling van het belastingreglement essentieel is voor de verantwoording van de belasting en de uitzonderingen, past het om daarbij een nuance te maken, die ook in deze zaak relevant is
(20). 24. Bij arrest van 29 januari 2021 oordeelde het Hof dat “een vrijstelling die duidelijk niet verenigbaar is met de doelstelling van de belasting niet wettelijk [is] en de omstandigheid dat de vrijstelling berust op sociale overwegingen kan daaraan in beginsel geen afbreuk doen”
(21). Deze overweging van het Hof wijst op het groot belang van de verantwoording van het doel van de belasting, in het bijzonder omdat ook de vrijstelling moet worden verantwoord in het licht van die doelstelling.
- Een al te strikte interpretatie van deze overweging zou afbreuk kunnen doen aan de grondwettelijk verankerde fiscale autonomie en beleidsvrijheid van de lokale overheden. De in de belastingreglementen voorziene vrijstellingen zijn veelal een uiting van een politiek compromis en beleidskeuze. Een vrijstelling kan blijk geven van een andere doelstelling of een ander (hoger) belang dat de overheid wil nastreven en een uitzondering vormt op de doelstelling van het belastingreglement. Daarmee kan de lokale wetgever te kennen geven dat de doelstelling van de belasting niet absoluut is en het aanvaardt dat die doelstelling niet volledig kan worden bereikt omdat die gedeeltelijk moet wijken voor andere (hogere) belangen en doelstellingen. Om die reden verdient de hoger weergegeven overweging in het arrest van 29 januari 2021 nuancering in de situatie waarin de gemaakte differentiatie redelijk kan worden verantwoord door het nastreven van een andere doelstelling, een (hoger) belang of beleidskeuze, anders dan het (eigen) belang dat de doelstelling van het belastingreglement nastreeft.
- Uiteraard laat dit geen willekeur toe en dient de vrijstelling, die een uitzondering voorziet op de regel van de belasting, redelijk te worden verantwoord. Die verantwoording dient echter niet enkel worden beoordeeld in het licht van de doelstelling van de belasting zelf, maar ook in het licht van een eventuele (aannemelijke redelijk verantwoorde) eigen doelstelling van de vrijstelling die op dezelfde (hoger vermelde) wijze kan worden verantwoord als de (eigen) doelstelling van het belastingreglement.
- Het is vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dat de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De maatschappelijke keuzes die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de bevoegde wetgever. Het Grondwettelijk Hof en de hoven en rechtbanken, in toepassing van artikel 159 van de Grondwet, vermogen een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn
(22). Die overwegingen van het Grondwettelijk Hof gelden m.i. onverminderd voor lokale gemeenteraden. 2.4 De ‘in concreto-toets’. 28. Het is van belang te herhalen dat het niet volstaat vast te stellen dat de verantwoording van de gunstige regeling ook geldt voor andere belastingplichtigen die niet kunnen genieten van de gunstige regeling. Het Hof maakte die overweging in het voormelde arrest van 3 september 2015, meer bepaald in de context van het verlaagde tarief in de algemene provinciebelasting voor agrarische bedrijven. Louter het gegeven dat bijvoorbeeld ook de uitbater van een zonnepark behoefte heeft aan grote oppervlakten grond om voldoende rendabel te zijn zoals agrarische bedrijven, volstaat niet om een schending van het gelijkheidsbeginsel vast te stellen en het belastingreglement buiten toepassing te laten
(23). Recent oordeelde het Hof dat de enkele reden dat de belastingplichtige die aanvoert dat er sprake is van een discriminatoire vrijstelling geen deel uitmaakt van de categorie die van de belasting is vrijgesteld, (op zich) niet volstaat om te kunnen besluiten dat het gelijkheidsbeginsel niet is miskend
(24). 29. De zogenaamde ‘in concreto-toets’ dient in elk geval te worden gemaakt
(25). De toets houdt in dat de rechter moet onderzoeken of de belastingplichtige die de schending aanvoert in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van het standaardtarief omdat hij deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van de vrijstelling kan inroepen
(26). Dit houdt in dat er alleen sprake kan zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel als de belastingplichtige die van de gunstregeling is uitgesloten, concreet en op gelijke gronden vergelijkbaar is met de categorie die wel de gunstregeling geniet
(27).
- In de voorliggende zaak stelt de eiseres dat de vrijstelling voor openbare besturen niet kan worden verantwoord in het licht van de doestelling van het belastingreglement. Die redenering kan op het eerste zicht worden gevolgd gelet op het doel van de belasting op de masten in pylonen zoals aangegeven in de aanhef van het belastingreglement. Daarin wordt gewezen op het feit dat masten en pylonen de vrije open ruimte bederven en worden ervaren als landschapsverstorend en hinder meebrengend voor de plaatselijke gemeenschap.
- Ten aanzien van deze motivering dient vooraf te worden opgemerkt dat de overheid de juistheid ervan niet concreet moet bewijzen en “dat het volstaat om te kunnen beslissen of het maken van categorieën objectief en redelijk is, dat in redelijkheid blijkt dat er een objectieve verantwoording bestaat of kan bestaan voor die categorieën”
(28).
- Evenwel kan niet ernstig worden betwist dat de voormelde doelstelling van de belasting evenzeer geldt voor de masten en pylonen geplaatst door openbare diensten. In het licht van de doelstelling is er op zich geen redelijke verantwoording voor de vrijstelling van de masten en pylonen van openbare diensten: ze zijn even visueel en psychisch storend als de masten en pylonen van de eiseres. Die vaststelling volstaat op zich niet om wel of niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel te kunnen besluiten. De appelrechters hebben de ‘in concreto-toets’ toegepast en gemotiveerd (zie verder bij de bespreking van het middel).
- Thomas DE JONCKHEERE stelt zich de vraag of de ‘in concreto-toets’ inhoudt dat de belastingplichtige moet bewijzen dat zijn situatie feitelijk identiek is aan de situatie van de vrijstelling. Volgens deze auteur kan de vrijstelling zodanig uniek zijn zodat ze niet meer zou moeten worden gemotiveerd en belastingplichtigen die zich toch in een gelijkaardige situatie bevinden, alsnog ongelijk zouden worden behandeld. Hij vreest dat een onverantwoorde ongelijke behandeling (“onwettige vrijstellingen”) niet meer zal leiden tot een strijdigheid van het gelijkheidsbeginsel indien of omdat de ‘in concreto-toets’ te streng wordt toegepast
(29). Ten aanzien van deze bezorgdheid past het vooraf in herinnering te brengen dat het vaste rechtspraak is van het Grondwettelijk Hof dat de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt
(30). Het Grondwettelijk Hof en de hoven en rechtbanken mogen in toepassing van artikel 159 van de Grondwet een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn. Een gemotiveerde afweging door de rechter over de verantwoordingen van de doelstellingen en de uitzonderingen van de belasting dienen de door de auteurs DE JONCKHEERE gevreesde bezorgdheid te ontmoeten. Het komt het Hof toe het wettigheidstoezicht uit te oefenen en na te gaan of de rechter op basis van de vastgestelde feiten de gevolgen afleidt die naar recht zijn verantwoord
(31). 2.5 De gevolgen van een onverantwoorde of niet te verantwoorden differentiatie. 34. Indien de verschillende behandeling niet naar redelijkheid kan worden verantwoord, stelt zich de vraag naar de gevolgen daarvan
(32). Op grond van artikel 159 van de Grondwet dient de rechter de plaatselijke verordeningen die niet overeenstemmen met de wetten buiten toepassing te laten. Het zonder meer buiten toepassing laten van het belastingreglement kan er echter toe leiden dat de gediscrimineerde belastingplichtige geen belasting meer verschuldigd is in vergelijking met zijn zelfde categorie van belastingplichtigen voor wie de differentiatie zich kan uiten in een belastingvermindering of verlaagd tarief. Door in die situatie zonder meer het belastingreglement buiten toepassing te laten, bestaat de mogelijkheid van een nieuwe ongelijkheid, namelijk dat de gediscrimineerde beter wordt behandeld. Een grondig onderzoek van de draagwijdte van artikel 159 van de Grondwet en wat in die situatie de taak, rechtsmacht en bevoegdheid van de rechter is, overstijgt echter het voorwerp van het huidig cassatieberoep. 35. Indien enkel voor de onderscheiden behandeling geen verantwoording blijkt
(33), maar de belastingschuldige niet slaagt in de ‘in concreto-toets’, bevat het bestreden arrest de volgende interessante overwegingen over de gevolgen daarvan: - ofwel de onwettige vrijstelling buiten toepassing laten, maar daarmee zou het toepassingsgebied van het reglement worden uitgebreid en zou de rechter zou zich op de stoel van het bestuur plaatsen
(34); - ofwel een uitbreiding van de vrijstelling naar alle belastingplichtigen, maar daarmee zou het reglement zinledig worden; - ofwel het reglement buiten toepassing laten: enkel indien het reglement onbestaanbaar is zonder de vrijstelling, kan gesproken worden van onsplitsbaarheid en kan het geheel buiten toepassing worden gelaten
(35).
- Met betrekking tot de afweging van de al dan niet onsplitsbaarheid van het belastingreglement verwijst het bestreden arrest naar het arrest van het Hof van 18 november
- In dat arrest oordeelde het Hof dat het betrokken belastingreglement een ondeelbaar geheel vormt en het gebrek van grondwettigheid het reglement in zijn geheel nietig maakt
(36). De appelrechters overwegen mijns inziens terecht dat “met deze oplossing dient voorzichtig te worden omgesprongen, gelet op de fiscale autonomie van de gemeenten (artikel 170, § 4 Grondwet). Enkel indien het reglement onbestaanbaar is zonder de vrijstelling, kan gesproken worden van onsplitsbaarheid en kan het geheel buiten toepassing worden gelaten.”. Ook uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat er geen redelijke verantwoording is om bij de beoordeling van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van (fiscale) verordeningen en reglementen van lokale overheden een strengere houding aan te nemen dan ten aanzien van de nationale wetgever
(37). 37. De appelrechters oordelen dat de vrijstelling geen essentieel onderdeel uitmaakt van het reglement, zodat er van onsplitsbaarheid geen sprake kan zijn. Het hof van beroep te Antwerpen maakte deze overwegingen ook reeds in een zaak gelijkaardig aan de huidige zaak. Net zoals in het bestreden arrest oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat de belastingplichtige niet concreet wordt gediscrimineerd omdat ze geen gemeente, OCMW of sociale woonorganisatie is, die (wel) is vrijgesteld van de leegstandsheffing. De appelrechters oordelen dat indien er geen verantwoording is voor de vrijstelling, de belastingplichtige niet concreet en op gelijke gronden wordt gediscrimineerd en zich dus niet op de schending van het gelijkheidsbeginsel kan beroepen
(38). 38. Bij arrest van 28 juni 2001 oordeelde het Hof dat wanneer een bepaling van een gemeentelijke verordening niet conform de wetten is, de rechter niet mag weigeren de andere bepalingen van die verordening toe te passen
(39). Anderzijds oordeelde het Hof in het hoger vermelde arrest van 18 november 2005 dat de bepalingen van het betrokken belastingreglement één en ondeelbaar zijn. Inmiddels heeft het Hof in zijn arrest van 31 januari 2021 als volgt geoordeeld over een niet verantwoorde vrijstelling:
(40)“c’est à la condition que ces exonérations ne soient pas à ce point indissociables des autres dispositions du règlement que leur annulation commanderait celle du règlement en son intégralité » vrije vertaling : “het is op voorwaarde dat deze vrijstellingen zo onlosmakelijk met de andere bepalingen van de verordening zijn te scheiden dat de intrekking ervan die van de verordening in haar geheel zou vereisen”. Enkel indien de strijdige bepalingen onlosmakelijk verbonden zijn met de andere bepalingen van het belastingreglement leidt de strijdigheid tot het buiten toepassing verklaren van het gehele belastingreglement. 39. De vraag stelt zich hoe dit dient te worden beoordeeld. Wanneer is er sprake van “onlosmakelijk” of “onsplitsbaar” of is een onwettigheid dermate “essentieel” dat het gehele reglement erdoor wordt aangetast
(41)? Zowel Miguel als Thomas DE JONCKHEERE menen dat het zonder redelijke verantwoording niet belasten of vrijstellen van een bepaalde categorie belastingplichtigen wel degelijk de belastingheffing in haar geheel kan aantasten, maar dat dit niet betekent dat om het even welke vrijstelling of vermindering waaromtrent mogelijk vragen kunnen worden gesteld de belastingverordening steeds in haar geheel onbruikbaar maakt. Thomas DE JONCKHEERE stelt een kwantitatief en een kwalitatief criterium voor. Het kwantitatief criterium zou slaan op “hoeveel belastingplichtigen worden geïmpacteerd door de (onwettige) vrijstelling”
(42). Het kwalitatief criterium omvat een belangenafweging van de diverse actoren of afweging van de verschillende doelstellingen en de impact van de strijdige bepaling op het (gehele) belastingreglement. Een gelijkaardig inzicht is terug te vinden bij VAN HAEGHENBORG die voorstelt om gebruik te maken van het criterium “essentiële impact op de belastingheffing". Heeft de onrechtmatige vrijstelling een essentiële impact, dan moet worden aangenomen dat de belastingheffing zelf de wet schendt. Indien de onwettige vrijstelling slechts een geringe impact heeft op het doel van de belasting, kan het belastingreglement voor het overige overeind blijven
(43). Deze criteria van afweging lijken mij zinvol. Het staat aan de rechter de beoordeling over de al dan niet afsplitsbaarheid van een onwettigheid afdoende te motiveren. 40. Thomas DE JONKHEERE meent dat men in de volgorde van het redeneerproces eerst moet nagaan of de betwiste bepaling over de (beweerde) ongelijke behandeling al dan niet essentieel is, alvorens de verantwoordingen en ‘in concreto-toets’ te onderzoeken
(44). Nochtans lijkt het erop dat het onderzoek over de onsplitsbaarheid of het essentieel karakter van de eventuele vrijstelling op zich onvermijdelijk het voormeld kwantitatief en kwalitatief onderzoek en afweging inhoudt van de belangen, de doelstellingen, hun verantwoordingen en de impact of relevantie ervan. Zelfs al wordt volgens het standpunt van Thomas DE JONCKHEERE vooraf een vrijstelling als essentieel aangemerkt, dient in elk geval de verantwoording en relevantie ervan te worden nagegaan alvorens kan worden besloten dat een strijdigheid van het gelijkheidsbeginsel voorligt.
- Bespreking van de middelen. 3.1 Eerste middel: motivering vrijstelling windmolens.
- De appelrechter overweegt dat de financiële voordelen voor de gemeente en het landschapsverstorend effect van dergelijke installaties blijkbaar niet opwegen tegen het maatschappelijk nuttig karakter van windmolens. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van 3 september 2015 oordelen de appelrechters dat de door de gemeente tijdens de procedure aangevoerde verantwoording voortvloeit uit de aard van de gemaakte differentiatie en wordt gedragen door de context van de belastingverordening.
- Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt m.i. naar recht. 3.2 Tweede middel: motivering vrijstelling openbare diensten.
- Het tweede middel gaat ervan uit dat de appelrechters hebben geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden louter omdat de eiseres niet te beschouwen is als een openbaar bestuur, inrichting of instelling.
- De appelrechters beslissen dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden niet enkel omdat de eiseres niet te beschouwen is als een openbaar bestuur, inrichting of instelling, maar steunen die beslissing ook op de zelfstandige en niet bekritiseerde reden dat hoewel de activiteiten van de eiseres ook nuttig kunnen zijn voor het algemeen belang, niet weg neemt “dat het in de eerste plaats gaat om een private onderneming, die niet het algemeen belang, doch wel het maken van eigen winst beoogt”.
- In zoverre het middel niet opkomt tegen deze zelfstandige reden kan het niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Aldus steunen de appelrechters de beslissing dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden niet op de enkele reden dat de eiseres geen deel uitmaakt van de categorie die van de belasting is vrijgesteld, maar op de vaststelling en beoordeling dat de eiseres niet in concreto wordt gediscrimineerd door de toepassing van de belasting omdat ze geen deel uitmaakt van een categorie die op gelijke gronden de toepassing van de vrijstelling kan inroepen.
- In zoverre steunt het middel op een onvolledige lezing van de beslissing en mist het mitsdien feitelijke grondslag. (…) Besluit: cassatie op het derde middel zonder verwijzing. ______________________________________
(1)E. VAN DOOREN, "Gemeentebelastingen en het gelijkheidsbeginsel" in M. De Jonckheere (ed.), Topics lokale bedrijfsbelastingen, Antwerpen, Intersentia 2008,
(25), 35 e.v.; J. BOURTEMBOURG, N. FORTEMPS, C. MOLITOR et F. BELLEFLAMME, “Fiscalité communale et principe d’égalité. Des différences de traitement établies par les règlements-taxes et de leur justification”, RGCF 2016, p. 65.
(2)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1,
(3)Cass. 21 februari 2018, AR C.12.0117.F, AC 2018, nr. 122, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130221.13.
(4)Cass. 23 februari 2018, AR F.16.0094.F., arrest niet gepubliceerd; Vrije vertaling: “Het middel, dat erop neerkomt dat men zich niet behoeft te beperken tot de overwegingen van de belastingverordening, tot de tekst ervan of zelfs tot het dossier dat aan de provincieraad is overgelegd, maar dat, in het eerste onderdeel, het doel van de belasting in het licht waarvan de redelijkheid van het verschil in behandeling moet worden beoordeeld, moet kunnen worden afgeleid uit de aard of de context van de belasting (…) faalt naar recht.” (eigen onderlijning).
(5)Cass. 20 december 2018, F.17.0151.F en F.17.0155.F, arresten niet gepubliceerd; Vrije vertaling: “Het middel dat in dit onderdeel stelt dat men zich niet hoeft te beperken tot de overwegingen van de belastingverordening, tot de tekst ervan of zelfs tot het door de opsteller ervan opgestelde administratieve dossier, maar dat de rechtvaardiging van het in de loop van de procedure door de belastingdienst voorgestelde verschil in behandeling moet kunnen worden afgeleid zowel uit de aard van dit verschil als uit de context waarin de belastingverordening is vastgesteld, faalt naar recht.” (eigen onderlijningen)
(6)Cass. 1 oktober 1999, AR F.98.0111.N, AC 1999, nr. 496, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991001.5.
(7)RvS 3 april 2019, nr. 244.156, (belastingreglement van de stad Ottignies op de uitbating van betalende publieke parkings), LRB 2019, afl. 2, 45; Rev.dr.commun. 2019, afl. 3, 21; RFRL 2020, afl. 1, 44.
(8)Contra concl. van eerste advocaat-generaal A. HENKES, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180302.2, bij Cass. 2 maart 2018, AR F.16.0137.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180302.2, AC 2018, nr. 142.
(9)VAN MENSEL A., CLOECKAERT I., e.a., “De administratieve rechtshandeling”, Gent, Mys & Breesch 1997, 63 e.v.
(10)VAN MENSEL A., CLOECKAERT I., e.a., o.c., nr. 180, 68, met verwijzing aldaar naar arresten van de Raad van State.
(11)RvS 3 april 2019, nr. 244.156, (belastingreglement van de stad Ottignies op de uitbating van betalende publieke parkings), LRB 2019, afl. 2, 45; Rev.dr.commun. 2019, afl. 3, 21; RFRL 2020, afl. 1, 44. Vrije vertaling: “dat een dergelijk gebruik een natuurlijk verschil vormt dat de voorziene vrijstelling rechtvaardigt. Wanneer een dienst wordt erkend als een dienst van algemeen belang, rechtvaardigt deze omstandigheid de vrijstelling van fiscale lasten die eveneens worden opgelegd met het oog op het algemeen belang, en op dit punt is geen bijzondere verantwoording vereist. Uit een dergelijke vrijstelling kan geen schending van het gelijkheidsbeginsel worden afgeleid".
(12)Een interessante invulling van het begrip “context” en de relevantie ervan is te vinden het arrest van het hof van beroep te Gent van 4 februari 2020, 2018/AR/2184: “De ‘context’ waarvan sprake, omvat in wezen een geheel van relevante (feitelijke en juridische) gegevens waarvan men kan aannemen dat ze in het belastingreglement niet expliciet moeten genoemd worden. Reden om dat aan te nemen kan onder andere zijn dat het onbegonnen werk is om alle ‘omgevende’ factoren die tot het nemen van bepaalde beslissingen doen beslissen, te vermelden. Ook een reden daarvoor kan zijn dat het ‘nogal vanzelfsprekend’ is (vanuit een soort onderliggende, verzwegen logica en/of kennis) dat de gemeenteraadsleden ermee rekening gehouden hebben of geacht mogen worden ermee rekening te hebben gehouden. Aannemen dat de ‘context’ niet in aanmerking mag genomen worden bij de vraag of een verschillende behandeling van vergelijkbare situaties door een belastingreglement redelijk verantwoord is getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel, zou een miskenning inhouden van de werkelijkheid waarin de wetgever zijn taak moet vervullen”.
(13)RvS 8 juni 2011, nr. 213.750, http://www.raadvanstate.be/
(14)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 5.
(15)Concl. van advocaat-generaal D. THIJS bij Cass. 3 september 2015, AR C.13.0147.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.1.
(16)GwH nr. 81/ 2011, 18 mei 2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.081.
(17)L. VANDENBERGHE, "De motivering van gemeentebelastingen in het kader van de toetsing van de eerbiediging van het non-discriminatiebeginsel: naar een niet-discriminerende behandeling van de gemeenten?", TFR 2011, afl. 411, 917.
(18)Zoals blijkt uit het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017; WINDEY, J., “Inleiding: de krachtlijnen van het Decreet Lokaal Bestuur”, T.Gem. 2018, afl. 3-4, 170-174; zie ook de Beleidsnota 2019-2024 Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, ingediend door Bart Somers, viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen, Binnenlands Bestuur en Stedenbeleid, https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/32209.
(19)Cass. 16 juni 2016, AR F.15.0089.N, AC 2016, nr. 408, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160616.7, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7.
(20)Zie hierna onderaan de ‘in concreto-toets’, samengevat: het volstaat mijns inziens niet om vast te stellen dat de vrijstelling voor openbare diensten onverenigbaar is met het sturend doel van de belasting, namelijk de compensatie voor de visuele en de psychische hinder die er evenzeer is bij die masten en pylonen, om daaruit te besluiten van de vrijstelling niet wordt verantwoord en het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
(21)Cass. 21 oktober 2022, AR F.21.0108.N, AC 2022, nr. 669, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.8; Cass. 29 januari 2021, AR F.19.0064.N, AC 2021, nr. 88, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.21.
(22)Gwh. 21 september 2023, arrestnr. 124/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.124, r.o. B.4.3.
(23)Cass. 3 september 2015, AR C.13.0247.N, AC 2015, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1, r.o. 1.
(24)Cass. 9 november 2023, AR F.20.0163.N, AC 2023, nr. 720, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.6.
(25)Door die toets niet te hebben gemaakt, oordeelde het Hof in zijn arrest van 3 september 2015 dat het eerste onderdeel gegrond was. Op basis van die overwegingen kan worden aangenomen dat de toepassing van de ‘in concreto-toets’ in het voorbeeld van het zonnepark, geen schending zou worden vastgesteld aangezien een zonnepark geen agrarisch bedrijf is.
(26)Hoewel het lijkt dat de Franstalige kamer van het Hof de woorden “in concreto” nog niet heeft gebruikt, blijkt uit de volgende arresten en bewoordingen dat ook de Franstalige kamer een gelijkaardige afweging toepast: Cass. 8 april 2011, AR F.10.0045.F, AC 2011, nr. 258, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.5: namelijk dat de belastingschuldige een eigen belang moet hebben omdat het reglement «impose de manière discriminatoire une catégorie de personnes à laquelle il appartient et que sans aucune justification légale il n’impose pas une autre catégorie de personnes»; zie ook Mons, 4 septembre 2019, RFRL 2020/1, p. 66.
(27)Cass. 25 juni 2021, AR F.20.0024.N, arrest niet gepubliceerd, LRB 2021 (samenvatting), afl. 3-4, 103; T. DE JONCKHEERE, “Cassatie bevestigt: belastingplichtige kan enkel schending gelijkheidsbeginsel inroepen als situatie in concreto vergelijkbaar is”, Fisc. Act., nr. 2021/26, 13. Dit cassatiearrest van 25 juni 2021 was gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 23 april 2019 met rolnummer 2017/AR/2113 (Orange nv/ de gemeente Kluisbergen). Het hof van beroep achtte de vrijstelling voor “constructies die dienen voor louter recreatief gebruik en voor openbare hulpverlenings- en veiligheidsdiensten” wel strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Het hof van beroep laat verstaan dat de vrijstelling voor recreatiebedrijven niet redelijk werd verantwoord. Bij arrest van 25 juni 2020 verbrak het Hof dit arrest opdat de appelrechter had nagelaten de ‘in concreto-toets’ toe te passen.
(28)Cass. 1 oktober 1999, AR F.98.0111.N, AC 1999, nr. 496, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991001.5, TFR 2000, nr. 174, 80.
(29)DE JONCKHEERE T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”, LRB 2018/4, 19; T. DE JONCKHEERE, “Afsplitsbaar als synoniem voor niet essentieel: naar een gelijkheidsbeginsel zonder inhoud”, LRB 2020/1, 10. Deze bespreking is een noot bij het arrest van het hof van beroep te Gent van 11 februari 2020, 2019/AR/458, LBR 2020/1, 5: Hoewel de vrijstelling voor lokale handelaren die reclame maken voor de eigen zaak in de belasting op niet-geadresseerd drukwerk niet verantwoord is, leidt dit niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de betrokken belastingplichtige zich niet concreet in dezelfde categorie bevindt, namelijk omdat hij is gevestigd buiten de gemeente en reclame maakt voor meerdere handelszaken.
(30)Gwh. 21 september 2023, arrestnr. 124/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.124, r.o. B.4.3.: “(…) Fiscale maatregelen maken immers een wezenlijk onderdeel uit van het sociaal-economische beleid. Zij zorgen niet alleen voor een substantieel deel van de inkomsten die de verwezenlijking van dat beleid mogelijk moeten maken, maar zij laten de bevoegde wetgever ook toe om sturend en corrigerend op te treden en op die manier het sociale en economische beleid vorm te geven”.
(31)Zonder dat het bestuur het onderscheidcriterium moet bewijzen, moeten de redenen wel redelijk aannemelijk zijn. Zo is bijvoorbeeld de verschillende behandeling van ‘bars, privéclubs en rendez-vous huizen’ of van ‘bank- en financiële instellingen’, zonder enige aanduiding te geven van de voorgehouden verschillende hinder en overlast, niet redelijk verantwoord. Cass. 15 februari 2013, AR F.12.0042.N, AC 2013, nr. 113, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130215.4; Gent 23 april 2019, 2018/AR/558, (samenvatting DE JONCKHEERE M.), LRB 2019/2, 57. Ook de mediagevoelige problematiek van de zogenaamde tweedeverblijftaks van kustgemeenten die geen aanvullende gemeentebelasting heffen, is een voorbeeld waarin het hof van beroep te Gent vaststelt dat er geen redelijke verantwoording bestaat om bepaalde kosten (voorzieningen, inrichting, veiligheid,…) enkel ten laste te leggen van de tweedeverblijvers en niet van de eigen inwoners: Gent, 12 maart 2013, 2012/AR/1006 (inzake Koksijde), TFR 2016 (samenvatting), afl. 498, 305; Gent 21 december 2021, 2020/AR/1311 (De Panne), niet gepubl.; Gent 2 mei 2023, 2022/AR/134 (Knokke-Heist), besproken door JANSSENS K., “Heffing tweede verblijven lijkt niet meer te redden in kustgemeenten zonder aanvullende belasting op personenbelasting”, Fisc.Act., 2023, nr. 22, 4; L. MAES, “Belasting op tweede verblijven ter ontmoediging van tweede verblijven?”, Fisc., 14.06.2023, nr. 1795, 7; Cass. 21 december 2023, AR F.22.0138.N, AC 2023, nr. 873, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2.
(32)Hoewel (enkel wat betreft het gelijkheidsbeginsel?) de ‘in concreto-toets’ steeds moet worden gemaakt, stelt zich deze vraag indien het reglement een (andere?) onwettigheid bevat.
(33)Het hof van beroep stelt in het arrest van 5 juni 2018 vast dat er voor de vrijstelling geen verantwoording is volgens de criteria van het arrest van het Hof van 3 september 2015, zonder zelf verder na te gaan of die verantwoording naar redelijkheid bestaat of kan bestaan.
(34)De gediscrimineerde belastingschuldige heeft bij deze optie weinig belang aangezien zijn (fiscale) situatie daarmee niet zal verbeteren.
(35)Antw. 5 juni 2018, 2007/AR/600, LRB 2018, afl. 4, 4, met noot DE JONCKHEERE T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”.
(36)Cass. 18 november 2005, AR F.04.0053.F, AC 2005, nr. 609, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051118.22, JLMB 2007, afl. 3, p. 101 en R.G.C.F., 2005, nr. 5, p. 338 met noot H. LOUVEAUX. Waar het Hof hier stelt dat het belastingreglement in zijn geheel nietig is (“nul en son entier”), meen ik dat in toepassing van artikel 159 van de Grondwet voorkeur kan worden gegeven aan de bewoordingen dat het belastingreglement in zijn geheel buiten toepassing dient te worden gelaten.
(37)Zie hoger onder de rubriek ‘de vindplaats van de motivering van de doelstellingen en de uitzonderingen’.
(38)Zie verder de bespreking van de middelen.
(39)Cass. 28 juni 2001, AR F.00.0024.F, AC 2001, nr. 410, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.18.
(40)Cass. 31 januari 2020, AR F.18.0054.F, AC 2020, nr. 91, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.3, met concl. van procureur-generaal A. HENKES, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200131.2
(41)Gent 11 februari 2020, 2019/AR/458, LBR 2020/1, 5, met kritische noot van T. DE JONCKHEERE. Opmerkelijk in dit arrest is de overweging dat de ongelijke behandeling niet wordt gemotiveerd maar er wel een verantwoording voor kan bestaan, doch het niet de rechter toekomt die zelf te geven.
(42)DE JONCKHEERE T., “Het fiscale gelijkheidsbeginsel: hof van beroep Antwerpen geeft invulling aan Cass. 3 september 2015, nieuwe vragen ontstaan”, LRB 2018/4, 20.
(43)G. VAN HAEGENBORGH, “De door een hogere rechtsnorm veroorzaakte onmogelijkheid om een belasting te heffen bij een bepaalde categorie van belastingplichtigen kan uitzonderlijk de rechtsgeldigheid van de gehele gemeentebelasting aantasten”, T.Gem., 2014/4, 272, nr. 6.
(44)T. DE JONCKHEERE, “Afsplitsbaar als synoniem voor niet essentieel: naar een gelijkheidsbeginsel zonder inhoud”, LRB 2020/1, 19. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240229.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991001.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.18 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051118.22 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130215.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130221.13 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160616.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180302.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180302.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200131.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.21 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221021.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231109.1N.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.2 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.081 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div