← België

L. contra GEM EVOLUTION bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.4 Rolnummer: C.22.0311.N-C.23.0065.N Zaak: L. contra GEM EVOLUTION bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-05-16 Raadplegingen: 790 - laatst gezien 2026-06-18 20:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240229.1N.4 Fiche 1 Het processuele belang behelst het voordeel dat de eiser met zijn vordering beoogt en waardoor zijn rechtstoestand kan worden gewijzigd of verbeterd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Het processuele belang is verbonden met het voorwerp van de vordering, zoals omschreven bij het instellen ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Het belang moet voorhanden blijven gedurende het verdere verloop van het geding. Valt het belang weg in de loop van het geding, dan verliest de vordering haar voorwerp
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Het hoger beroep in civiele zaken is voorbehouden voor wie partij was in eerste aanleg en ingevolge de beslissing van de eerste rechter belangenschade lijdt; een partij lijdt belangenschade wanneer de eerste rechter een door haar ingestelde vordering geheel of gedeeltelijk afwijst dan wel een tegen haar gerichte vordering geheel of gedeeltelijk inwilligt; de belangenschade, die zij uit bij de opgave van haar grieven in hoger beroep, vloeit voort uit hetzij een veroordeling hetzij een in haar nadeel gewezen constitutieve dan wel declaratieve rechterlijke beslissing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Fiches 5 - 7 Een vordering tot schadevergoeding van een partij bij een verkoopovereenkomst van een onroerend goed die is gesteund op de beweerde wanprestatie van een andere partij die leidde tot de niet-vervulling van de opschortende voorwaarden in de overeenkomst, verliest haar voorwerp niet doordat de uitvoering in natura van deze overeenkomst niet langer mogelijk is ingevolge de verkoop van het onroerend goed aan een derde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Voorwerp Fiche 8 Het gegeven dat de uitvoering in natura van deze overeenkomst niet langer mogelijk is ingevolge de verkoop van het onroerend goed aan een derde ontneemt evenmin het belang van voormelde partij bij haar hoger beroep tegen de beslissing tot afwijzing van haar vordering tot schadevergoeding
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Tekst van de conclusie C.22.0311.N-C.23.0065.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1. Het geschil betreft de verkoop van een perceel grond. De positie van de partijen kan als volgt worden samengevat: - derde eiser (C.23.0065.N) is verkoper van 1% van de naakte eigendom van een onroerend goed; - de verweersters (alle partijen “GEM”) zijn kopers van het onroerend goed; - de partijen de tot bindendverklaring opgeroepen partijen zijn eveneens verkopers van dit onroerend goed, als volgt: o Mr. Flamée (curator KLP bv): verkoopt 99% van de naakte eigendom; o Mr. De Smet – Mr. Teintenier (curatoren KLP Recycling bv): verkoopt vruchtgebruik (100%). De relevante feiten zijn chronologisch de volgende: - 24 november 2016: de verweersters kopen bij onderhandse overeenkomst een grond van de overige partijen (als verkopers) - 24 maart 2017: de verweersters dagvaarden de verkopers tot uitvoering van de verkoopovereenkomst, waarna de verkopers bij conclusie een tegenvordering instellen tot vervallenverklaring de verkoopovereenkomst bij gebrek aan vervulling van de opschortende voorwaarden (tot het verkrijgen van
(1)een lening en
(2)een stedenbouwkundige vergunning) met schadevergoeding; - 10 oktober 2017: de eerste rechter gaat in op de hoofdvordering van de verweersters en veroordeelt de verkopers tot uitvoering van de verkoopovereenkomst middels het verlijden van de authentieke akte; de tegenvordering wordt afgewezen; - 22 november 2017: de verkopers stellen hoger beroep in, strekkende tot afwijzing van de hoofdvordering van de verweersters en de inwilliging van hun tegenvordering; - 18 januari 2018: faillissement verkoper KLP Recycling bv; - 29 oktober 2019: de grond wordt verkocht aan een derde, op initiatief van de eerst ingeschreven hypothecaire bank-schuldeiser; - 24 december 2021: de appelrechter verklaart het hoger beroep zonder voorwerp en de nieuwe vordering van de derde eiser is niet ontvankelijk. (…)
  1. De opgeworpen grond van niet ontvankelijkheid dient te worden verworpen omdat deze een beoordeling inhoudt van de gegrondheid van het middel.
  2. Het eerste onderdeel is samengevat gericht tegen de beslissing om het hoger beroep van de eiser zonder voorwerp te verklaren omdat het bestreden vonnis alle actualiteit heeft verloren, terwijl hij stelt wel nog over een vereist belang te beschikken.
  3. Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan een rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en belang heeft om ze in te dienen. Het is de effectieve uitoefening van het ius agendi middels een vordering in rechte die kan worden toegelaten of ontvangen en aldus ontoelaatbaar dan wel ontvankelijk kan zijn
(1). De niet-toelaatbaarheid, geput uit de afwezigheid van belang, impliceert dus dat de eisende partij niet (meer) beschikt over het ius agendi, het recht om van de rechter een beslissing te verkrijgen aangaande de gegrondheid van haar aanspraak
(2). Het zuiver processueel belang, als toepassingsvoorwaarde voor het ius agendi, dat speelt op het niveau van de toelaatbaarheid moet onderscheiden worden van het materieel belang dat speelt op het niveau van de gegrondheid. Waar het processuele belang gaat over het belang bij het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak, betreft het materiële belang het belang van een partij bij de vast te leggen situatie zelf, het voorwerp of de uitvoering van de veroordeling
(3). Het “belang” in de context van de toelaatbaarheid en bijgevolg gelinkt aan het ius agendi, wordt omschreven als elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden
(4). Het betreft het voordeel dat de vordering kan opleveren aan de eiser. Dit kan in abstracte zin de handhaving van zijn subjectief recht zijn of in meer concrete zin het voorwerp van de vordering. Het kan zowel gaan om het verkrijgen van een voordeel als om het voorkomen van een nadeel. Waar het om gaat, is dat de vordering bij gegrondverklaring de rechtspositie van de eiser moet wijzigen en verbeteren
(5). 5. Bij arrest van 25 januari 2024 oordeelde het Hof dat het belang voorhanden moet blijven gedurende het verdere verloop van het geding. Valt het belang weg in de loop van het geding, dan verliest de vordering haar voorwerp
(6). Het in artt. 17 en 18 Ger.W. bedoelde belang om op te treden, wordt beoordeeld uit het oogpunt van het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld
(7). In burgerlijke zaken kan een partij hoger beroep instellen indien de beroepen beslissing haar belangen schaadt
(8). Het vereiste belang om hoger beroep in te stellen is voorhanden voor de eiser in hoger beroep wiens vordering in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk werd afgewezen of die in eerste aanleg werd veroordeeld, maar het belang om hoger beroep in te stellen kan evenwel ook worden beoordeeld op basis van het risico dat de wijziging van het beroepen vonnis ingevolge het hoger beroep van een andere partij inhoudt voor degene die hoger beroep instelt
(9).
  1. De derde eiser vorderde de hervorming van het eerste vonnis in zoverre de hoofdvordering tot uitvoering van de overeenkomst gegrond werd verklaard en in zoverre de tegenvordering tot schadevergoeding ongegrond werd verklaard, onverminderd de latere verkoop van het onroerend goed. Het komt me voor dat de derde eiser het vereiste belang bezat bij het door hem ingestelde hoger beroep en bij de hervorming van het eerste vonnis, en dit beroep bijgevolg zijn voorwerp niet was verloren. De vaststelling dat de uitvoering in natura van deze overeenkomst niet langer mogelijk is door de verkoop van het onroerend goed aan een derde doet geen afbreuk aan het belang van de derde eiser bij zijn hoger beroep tegen de beslissing tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding. De beslissing van de appelrechter om de vordering tot schadevergoeding en het hoger beroep van de derde eiser zonder voorwerp te verklaren, lijkt mij niet naar recht verantwoord. Het onderdeel lijkt gegrond.
  2. Het tweede onderdeel viseert een reden die als zelfstandig kan worden aangemerkt voor de beslissing dat het hoger beroep zonder voorwerp is. Het onderdeel viseert meer bepaald de overweging in het arrest dat niet valt te zien hoe de derde eiser zich nog zou kunnen beroepen op het niet-vervullen van opschortende voorwaarden in een overeenkomst die naar zijn zeggen is vervallen en die op vandaag in geen geval nog kan worden gehonoreerd.
  3. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de rechter is gehouden het geschil te berechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels; hij heeft de verplichting, mits eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen; hiermee moeten worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor heeft gebracht uit de elementen die hem regelmatig door de partijen werden voorgelegd
(10). 9. De derde eiser heeft in zijn syntheseconclusie voor de appelrechter gevorderd dat hij recht heeft op een nader bepaalde schadevergoeding van de verweersters wegens de niet-vervulling van de opschortende voorwaarden. De vaststelling dat de uitvoering van de overeenkomst (nadien) onmogelijk is geworden ontneemt hem niet het recht op een schadevergoeding indien zijn medecontractant (voordien) een wanprestatie heeft begaan. De beslissing dat niet valt te zien hoe de derde eiser zich nog zou kunnen beroepen op het niet-vervullen van opschortende voorwaarden in een overeenkomst die naar zijn zeggen is vervallen en die op vandaag in geen geval nog kan worden gehonoreerd, miskent de regel dat de rechter is gehouden het geschil te berechten overeenkomstig de daarop toepasselijke rechtsregels. Ook dit onderdeel komt gegrond voor. (…) Besluit: Cassatie. _____________________________________
(1)Zie P. VAN ORSHOVEN, e.a. Tussen gelijk hebben en gelijk krijgen, Leuven, Acco 2012, 211-212.
(2)P. VANLERSBERGHE, Art. 17 Ger.W., Comm.Ger. 2002, 13.
(3)P. GILLAERTS, “De Belgische declaratoire vordering en het niet-vergoedende aansprakelijkheidsrecht”, Intersentia 2020, p. 330.
(4)J. LAENENS et al., “Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen”, Intersentia 2016, nr. 147. Zie ook: C. DE BOE, “Le défaut d’intérêt né et actue”, Ann dr. Louv. 2006,
(97)nr. 4; R. DE CORTE, “Hoe autonoom is het procesrecht” in TPR 1980,
(1)22; G. DE LEVAL et. al., “Droit judiciaire”, II, Brussel, Larcier 2015, 80; P. VANLERSBERGHE, “Art. 18 Ger.W”. in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, Mechelen, Kluwer, nr. 13. Zie zeer uitgebreid en genuanceerd over de definitie van ‘het belang’: J. VERLINDEN, “Het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de rechtsvordering”, Jura Falc. 1987-88,
(19)20-22.
(5)Cass. 23 april 2021, AR C.19.0502.N, AC 2021, nr. 293, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.6, met concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.6
(6)Cass. 25 januari 2024, AR C.22.0427.N, AC 2024, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3.
(7)Cass. 24 april 2003, AR C.00.0567.F, AC 2003, nr. 261, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25, RCJB 2004, 349, met noot A. DECROES.
(8)Cass. 18 december 2023, AR C.22.0425.N, AC 2023, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231218.3N.1; Cass. 13 januari 2020, AR C.18.0324.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 12 januari 2012, AR C.10.0662.N, AC 2012, nr. 32 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120112.4; Cass. 15 september 2006, AR C.05.0304.N, AC 2006, nr. 419, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4; Cass. 18 december 2003, AR C.00.0151.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 19 februari 1979, AC 1978-79, 725, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790219.2.
(9)Cass. 8 maart 2019, AR C.17.0072.N, AC 2019, nr. 149, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.11.
(10)Cass. 6 mei 2016, AR C.15.0365.F, AC 2016, nr. 305, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160506.3;Cass. 31 oktober 2013, AR C.13.0005.N, AC 2013, nr. 571, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3, met concl. Van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131031.3; Cass. 27 juni 2013, AR C.11.0508.F, AC 2013, nr. 399, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130627.1; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0018.N, AC 2012, nr. 690, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4; Cass. 28 september 2012, AR C.12.0049.N, AC 2012, nr. 500, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120928.8; Cass. 31 januari 2011, AR C.10.0123.F, AC 2011, nr. 88, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3; Cass. 1 februari 2010, AR S.09.0064.N, AC 2010, nr. 77, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5, met concl. van advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100201.5; Cass. 28 september 2009, AR C.04.0253.F, AC 2009, nr. 529, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090928.6, met concl. van advocaat-generaal GÉNICOT, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090928.6; J. VAN DONINCK, “Grenzen aan de taak van de rechter als hoeder van het algemeen belang”, RW 2012-13, nr. 23, 895. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240229.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790219.2 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090928.6 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090928.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100201.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120112.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130627.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160506.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.6 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.