← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240312.2N.3 Rolnummer: P.23.1658.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-20 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-06-16 10:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.3 Fiches 1 - 4 Uit de overwegingen

(16),
(17)en
(32)van de preambule van de verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen blijkt dat die verordening de grondrechten vervat in het VEU, het Handvest Grondrechten EU en het EVRM eerbiedigt; overeenkomstig de artikelen 2, § 2 en 30, § 3, 2° en § 6, vierde lid, eerste zin, van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie worden de gronden tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van een in Italië uitgevaardigd confiscatiebevel limitatief bepaald in artikel 19.1 Verordening 2018/1805 en in de artikelen 6, 7, 7/2 en 7/3 Wet Wederzijdse Erkenning en geen van de vermelde bepalingen verbiedt België als uitvoerende lidstaat een confiscatiebevel te erkennen of ten uitvoer te leggen wegens miskenning van het redelijketermijnvereiste; de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel een impact kan hebben op de uitoefening van een burgerlijk recht zoals het eigendomsrecht, impliceert niet dat de procedure in het kader waarvan het gerecht van de uitvoerende lidstaat uitspraak doet over deze tenuitvoerlegging, ertoe strekt een dergelijk recht in de zin van artikel 6.1 EVRM vast te stellen en hieruit volgt dat de aanvoering van de overschrijding van de redelijke termijn door degene tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet kan worden onderzocht door het gerecht van de uitvoerende lidstaat dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van dat bevel, maar enkel door een nationale instantie die kennis kan nemen van de strafvervolging of de procedure die tot het opleggen van de maatregel heeft geleid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(16),
(17)en
(32)Premabule Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 6 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/2 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7/3 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 9 Uit de overwegingen
(15)en
(34)van de preambule van Verordening 2018/1805 blijkt dat de regeling inzake de tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 19.1.h) Verordening 2018/1805, vermoeden dat evenwel niet onweerlegbaar is; noch artikel 19.1 Verordening 2018/1805, noch artikel 7, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning, uitgelegd in overeenstemming met artikel 19.1 van die verordening, laat de rechter in de uitvoerende lidstaat toe om de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel toe te staan wanneer hij vaststelt dat een fundamenteel recht van degene tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd, manifest is miskend en dit is het geval wanneer de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat over geen enkele mogelijkheid heeft beschikt of nog kan beschikken om zijn verweermiddelen tegen de verbeurdverklaring van zaken waarvan hij beweert de rechtmatige eigenaar te zijn, voor te leggen aan een onpartijdige rechter, zodat het aan de rechter in de uitvoerende lidstaat staat om zich daarvan te vergewissen en om, indien hij een manifest gebrek aan het bestaan van een dergelijk recht vaststelt, de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel niet toe te staan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Overwegingen
(15)en
(34)Preambule Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen - 14-11-2018 - Art. 19.1.h) Wet 5 augustus 2006 de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie - 05-08-2006 - Art. 7, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2006009662 Tekst van de conclusie P.23.1658.N Conclusie van advocaat-generaal Winants: I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  1. De heer D. kocht in 2002 van een Italiaanse antiekhandelaar op een antiekmarkt in Frankrijk een bronzen beeldhouwwerk van de kunstenaar E. PUCHETTI. De heer D. was volgens zijn eigen verklaring daarbij te goeder trouw. Het bewust beeldhouwwerk heeft gedurende al deze tijd in zijn tuin gestaan. In Italië werd een strafonderzoek gevoerd lastens onbekenden uit hoofde van diefstal/heling van het bedoelde kunstwerk. In het jaar 2016 werd als reactie op een bericht van Interpol Rome door het Belgisch openbaar ministerie een opsporingsonderzoek gevoerd naar dit beeldhouwwerk door de procureur des Konings van de provincie Limburg. Tijdens het onderzoek werd er beslag gelegd op het beeldhouwwerk en werd de heer D., zoon van D. en zaakvoerder van de handelsvennootschap JADA ARTS NV, verhoord. In zijn verhoor deelde hij mee dat zijn vader, de heer D., het bronzen beeldhouwwerk had gekocht op een antiekbeurs in Frankrijk samen met een klein houten beeld van een engel d.m.v. een cheque van KBC. De heer D. trad op als bemiddelaar voor de verkoop van het beeldhouwwerk via de website van zijn handelsvennootschap maar is niet de eigenaar van het kwestieuze beeld.
  2. Op 29 mei 2020 werd de heer D. door de politie geïnformeerd dat het beslag op het beeldhouwwerk was opgeheven en men er terug vrij over kon beschikken en werd het opsporingsonderzoek derhalve geseponeerd. Het onderzoek in Italië werd op 28 maart 2018 afgesloten door de rechter voor de inleidende onderzoeken bij de rechtbank van Napels wegens verjaring, de feiten daterend van vóór 2002 en de archivering alsmede de confiscatie van het beeldhouwwerk werden bevolen als cultureel goed eigendom van de Italiaanse Staat. Op diezelfde datum werd een confiscatiebevel uitgevaardigd zonder evenwel dat er ter zake een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Vervolgens werd er op 31 maart 2022 een confiscatiecertificaat opgesteld uitgevaardigd door de rechter voor de inleidende onderzoeken bij de rechtbank van Napels.
  3. Op 10 november 2022 werd door de procureur des Konings van de provincie Limburg, de tenuitvoerlegging bevolen van het buitenlandse bevel tot confiscatie overeenkomstig artikel 30 van de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen lidstaten van de Europese Unie (zie infra). Deze beslissing werd aan de eiser aangetekend meegedeeld op 15 november
  4. Op 25 november 2022 legde de eiser een verzoekschrift neer ter griffie conform artikel 21 van de hogervernoemde wet van 5 augustus 2006 om de zaak aanhangig te maken bij de correctionele rechtbank. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 24 oktober 2023 werd de beslissing van de procureur des Konings bij de rechtbank eerste aanleg Limburg, waarbij de tenuitvoerlegging van het buitenlands confiscatiebevel werd bevolen, bevestigd. Het cassatieberoep is gericht tegen dit vonnis. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP. Algemeen.
  5. De problematiek die hier aan de orde is wordt beheerst door de wet van 5 augustus 2006
(1)inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna Wet Wederzijdse Erkenning). Deze wet beoogde de omzetting van het kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken
(2). De wet werd gewijzigd door de wetten van 26 november 2011 en 19 maart 2012
(3)die strekten tot de omzetting van 3 kaderbesluiten van de Europese Unie: 1° het kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties 2° het kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie 3° het kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van de kaderbesluiten 2002/584/JBZ, 2005/214/JBZ, 2006/783/JBZ, 2008/909/JBZ en 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces. Een laatste wijziging kwam tenslotte tot stand door de wet van 28 november 2021
(4)die strekte tot de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018
(5)inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen, waarbij het toepassingsgebied van de wederzijdse erkenning wordt uitgebreid tot de erkenning van beslissingen tot confiscatie zonder veroordeling en de termijnen voor de erkenning worden aangepast. Onderzoek van de cassatiemiddelen.
  1. De eiser voert drie middelen aan, waarvan het eerste en het tweede betrekking hebben op de schending van artikel 6 EVRM, terwijl het derde middel de schending inroept van artikel 267 VEU en het Hof vraagt een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.
  2. Het tweede middel van de eiser voert de schending aan van artikel 6 EVRM. Het vonnis verwerpt eisers verzoek om de beslissing van de procureur des Konings van 10 november 2022 tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing tot verbeurdverklaring te vernietigen wegens miskenning van de redelijketermijnvereiste. Het bestreden vonnis stelt dat de bevoegdheid van de Belgische rechter zich ertoe beperkt de tenuitvoerlegging van het Italiaanse confiscatiebevel al dan niet te weigeren en oordeelt ook dat het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van een behandeling binnen redelijke termijn niet van toepassing is op de procedure inzake de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen omdat in het kader van deze procedure de rechtbank geen uitspraak doet over het vaststellen van burgerlijke rechten of het bepalen van de gegrondheid van een strafvervolging. De eiser is evenwel de mening toegedaan dat het hier wel degelijk gaat om een procedure tot het vaststellen van burgerlijke rechten aangezien het tenuitvoerleggen van Italiaanse confiscatiebevel tot gevolg heeft dat de eiser zijn recht op ongestoord genot op zijn eigendom in België niet kan verderzetten.
  3. Het lijkt me belangrijk in dit verband te verwijzen naar de Preambule van de Verordening 2018/1805 en meer bepaald naar de overwegingen
(16),
(17)en
(32)die luiden als volgt:
(16): “Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)”.
(17): “Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het „EVRM”). Dit houdt ook het principe in dat elke vorm van discriminatie op grond van bijvoorbeeld geslacht, raciale of etnische afkomst, godsdienst, seksuele gerichtheid, nationaliteit, taal of politieke overtuiging, of beperking, moet worden verboden. Deze verordening moet worden toegepast overeenkomstig die rechten en beginselen”.
(32)in fine “ Dergelijke nationale procedureregels moeten in overeenstemming zijn met het Handvest en met het EVRM, in het bijzonder met betrekking tot het recht op een eerlijk proces. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de zaak vereenvoudigd wordt afgedaan waarbij, geheel of gedeeltelijk, een schriftelijke procedure of een procedure zonder zitting wordt gevolgd”. Hieruit volgt derhalve dat de Verordening 2018/1805 de grondrechten vervat in het VEU, het Handvest Grondrechten EU en het EVRM eerbiedigt.
  1. Volgens artikel 6.1 EVRM en artikel 47, tweede lid, Handvest Grondrechten EU dat éénzelfde draagwijdte heeft, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem gestelde vervolging, recht op een behandeling binnen een redelijke termijn.
  2. Wat de weigeringsgronden betreft die kunnen worden ingeroepen om confiscatiebevelen niet te erkennen of niet uit te voeren, dient er worden op gewezen dat de Verordening in overweging 31 stelt dat “de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel niet op andere dan de in deze verordening genoemde gronden (mag) worden geweigerd.“ De bepalingen in de artikel 19 van de Verordening en de overeenstem- mende bepalingen in de wet van 5 augustus 2006, zoals gewijzigd bij wet van 28 november 2021, zijn dus exhaustief
(6). Het is ook belangrijk te onderstrepen dat de weigeringsgronden, die aanvankelijk in de wet van 5 augustus 2006 verplicht waren, ingevolge de wijziging bij wet van 28 november 2021 facultatief werden gemaakt
(7). 10. De weigeringsgronden in de Verordening zijn opgenomen in artikel 8 voor wat betreft de bevriezingsbevelen en in artikel 19 m.b.t. de confiscatiebevelen en werden in de wet van 5 augustus 2006 ondergebracht in de artikelen 6 en 7 alwaar ze zijn ingedeeld in algemene (art.6) en bijzondere gronden (art.7)
(8). Wat de verbeurdverklaring betreft kunnen de weigeringsgronden betrekking hebben op het feit dat het confiscatiecertificaat manifest onjuist of onvolledig is, op het ne bis in idem-beginsel, op het bestaan van een voorrecht of een immuniteit die de tenuitvoerlegging verhindert, wanneer het feit dat aanleiding gaf tot het confiscatie gedeeltelijk op het grondgebied van de uitvoerende staat is gepleegd en daar niet strafbaar is, op het gebrek aan dubbele strafbaarheid, behoudens voor de feiten vermeld in de lijst van artikel 6, § 2, van de wet wanneer die strafbaar zijn met een maximumstraf van minstens drie jaar. 11. Kunnen ook als weigeringsgrond worden ingeroepen de omstandigheid dat de rechten van personen de uitvoering van het confiscatiebevel onmogelijk maken, het feit dat de persoon tegen wie het confiscatiebevel is gericht niet persoonlijk is verschenen op de zitting die aanleiding gaf tot het bevel dat verband houdt met een veroordeling. Dat laatste betekent dat wanneer het gaat om een confiscatiebevel buiten veroordeling, zoals in casu, deze weigeringsgrond niet kan worden ingeroepen. Tenslotte is een weigering ook nog mogelijk indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de beslissing afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het verdrag betreffende de Europese Unie. 12. Het lijkt derhalve duidelijk dat geen van die voormelde bepalingen België als uitvoerende Staat belet een confiscatiebevel te erkennen of ten uitvoer te leggen wegens een miskenning van de redelijketermijnvereiste. Het komt me voor dat de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel een impact kan hebben op de uitoefening van een burgerlijk recht, in casu het recht op eigendom, ter zake niet relevant is aangezien, zoals trouwens ook uitdrukkelijk wordt vermeld in de overweging 34 van de Verordening “de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen per definitie een inmenging in het recht op eigendom van een persoon inhouden en er in dit verband in het Unierecht, onder meer in de onderhavige verordening, reeds in de noodzakelijke waarborgen is voorzien”. Een dergelijk mogelijke impact, die men mutatis mutandis trouwens ook terugvindt, ditmaal in verband met het recht op vrijheid, in de regeling betreffende het Europees Aanhoudingsbevel (EAB), impliceert dus geenszins dat de procedure waarbij het gerecht van de uitvoerende staat een uitspraak doet over de tenuitvoerlegging ertoe strekt een dergelijk recht in de zin van artikel 6.1 EVRM vast te stellen. 13. De mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de persoon tegen wie een confiscatiebevel werd uitgevaardigd kan derhalve niet worden onderzocht door het gerecht van de uitvoerende lidstaat in het kader van de procedure strekkende tot de tenuitvoerlegging van dat bevel, maar enkel door een nationale instantie die kennis kan nemen van de strafververvolging of de procedure die tot het opleggen van de maatregel heeft geleid. Het lijkt me hierbij niet onbelangrijk aan te stippen dat de aanvankelijke tekst van het voorstel tot verordening sprak van ‘een strafprocedure’, term die uiteindelijk, op verzoek van bepaalde lidstaten, waaronder Italië, werd vervangen door de bredere term ‘procedure in strafzaken, teneinde ook preventieve confiscatiemaatregel mogelijk te maken, waaronder dus confiscatiebevelen vallen die worden opgelegd zonder voorafgaande veroordeling (zie infra). 14. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht en aangezien de bestreden beslissing oordeelt in de zin zoals hoger uiteengezet in randnummer 6 kan het middel dan ook niet worden aangenomen. 15. Het derde middel voert schending aan van artikel 267 VEU: het vonnis weigert de facultatieve weigeringsgronden bepaald in de artikelen 7, § 1, 3° en 7/2, 3°, Wet Wederzijdse Erkenning toe te passen en de voorgestelde prejudiciële vraag over de miskenning van eisers fundamentele rechten zoals bepaald in artikel 19.1.
  1. g)en 19.1.
  2. h)Verordening 2018/1805 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie) te stellen. De eiser voert met name aan dat de Italiaanse gerechtelijke autoriteiten hem niet op de hoogte hebben gebracht van de procedure die kon leiden tot de verbeurdverklaring van een kunstwerk waarvan hij de rechtmatige eigenaar is. Zodoende heeft hij niet de gelegenheid gehad om zich voor de Italiaanse rechter te verdedigen over de beslissing tot verbeurdverklaring, noch heeft hij de kans gekregen om beroep aan te tekenen tegen deze beslissing. De eiser houdt derhalve staande dat hij geen enkele mogelijkheid heeft gekregen om zich tot een rechter te wenden teneinde te trachten de verbeurdverklaring van het kunstwerk te voorkomen. 16. De eiser meent dan ook dat een prejudiciële vraag dient te worden gesteld aan het Hof van Justitie luidende als volgt: “Moet artikel 19 van de Verordening (EU) 2018/1805, en in het bijzonder lid 1,
  3. g)en
  4. h)aldus worden uitgelegd dat de Belgische rechter de mogelijkheid heeft om de facultatieve weigeringsgronden voorzien in het hierboven artikel van de Verordening (EU) 2018/1805 niet toe te passen en bijgevolg de tenuitvoerlegging van de buitenlandse beslissing toe te staan, zelfs indien dit afbreuk zou doen aan het recht van verdediging en het recht op eigendom zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 17, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007”? 17. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - er in Italië een strafprocedure tegen onbekenden is gevoerd wegens heling; - op 28 maart 2018 het dossier is “gearchiveerd” en de verbeurdverklaring van het in beslag genomen kunstwerk werd uitgesproken omdat het een cultureel goed is dat eigendom is van de Italiaanse Staat; - het kunstwerk is aangetroffen bij de eiser en er in beslag is genomen; - er overeenkomstig het Italiaanse procesrecht geen hoorzittingen zijn gehouden. 18. Het in het middel aangehaalde artikel 7/2, 3° van de Wet Wederzijdse Erkenning luidt als volgt: ”De tenuitvoerlegging (kan) eveneens worden geweigerd indien: de betrokkene op grond van het in artikel 3 bedoelde certificaat niet persoonlijk verschenen is op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, behalve indien het certificaat aangeeft dat hij, overeenkomstig de andere in de nationale wetgeving van de beslissingsstaat bepaalde procedurevereisten:
  5. i)te gepasten tijde, - persoonlijk gedagvaard werd en dus op de hoogte werd gebracht van de plaats en het tijdstip die werden bepaald voor het proces dat tot de beslissing heeft geleid, of op andere wijze officieel en daadwerkelijk op de hoogte werd gebracht van de datum en de plaats die voor dat proces werden bepaald, zodat op ondubbelzinnige wijze is vastgesteld dat hij in kennis was gesteld van het geplande proces en ervan op de hoogte was gebracht dat een beslissing kon worden genomen in geval van niet-verschijning; of
  6. ii)van het geplande proces in kennis was gesteld en aan een door hem of door de Staat aangewezen juridisch adviseur opdracht heeft gegeven om hem op het proces te verdedigen en hij door die adviseur tijdens het proces daadwerkelijk is verdedigd; of iii) nadat de beslissing hem werd betekend en hij uitdrukkelijk op de hoogte was gebracht van zijn recht op een nieuwe vonnis- of beroepsprocedure, waaraan de betrokkene het recht heeft om deel te nemen en die het mogelijk maakt om de zaak opnieuw ten gronde te beoordelen, rekening houdend met het nieuwe bewijsmateriaal, en die tot een nietigverklaring van de oorspronkelijke beslissing kan leiden: - uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwistte; of - niet binnen de opgelegde termijn om een nieuwe vonnis- of beroepsprocedure heeft verzocht. 19. De tekst van deze facultatieve weigeringsgrond stemt bijna volledig overeen met de tekst van artikel 19.1
  7. g)van de Verordening. In de Verordening wordt evenwel gesproken van een terechtzitting die heeft geleid tot een confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling, terwijl de Wet Wederzijdse erkenning enkel spreekt van de beslissing. 20. In de zaak die thans voorligt gaat het om een beslissing tot confiscatie zonder veroordeling die ook wel wordt aangeduid als de non - conviction based confiscation of NCBC en die door overweging
(13)van de Verordening uitdrukkelijk worden geviseerd. Een dergelijke confiscatiemaatregel kan worden opgelegd indien er geen strafvordering wordt ingesteld omdat het bewijs onvoldoende is, indien er geen aanwijzing is nopens de dader of deze niet kan gevonden worden of nog, zoals in casu, indien de strafvordering vervallen is, bv. door verjaring
(9). 21. Omdat een dergelijke confiscatie kan worden opgelegd buiten een veroordeling zijn de procedures in beginsel eenvoudiger dan bij traditionele strafrechtelijke procedures en ligt de bewijsstandaard ook veel lager. Daarenboven wordt ook aangegeven dat het feit dat deze maatregel buiten een strafprocedure wordt opgelegd een omzeiling van de waarborgen van het strafprocesrecht met zich zou kunnen brengen
(10). S. BOLLENS
(11)geeft hierbij aan dat dergelijke procedures kunnen stuiten op een zekere watervrees bij sommige lidstaten omdat ze aldaar ongekend zijn of omdat ze zouden kunnen indruisen tegen fundamentele principes van het nationale recht of nog zouden gepaard gaan met praktische problemen, hetgeen tot een zekere terughoudendheid in de tenuitvoerlegging ervan zou kunnen leiden. In de Wet Wederzijdse Erkenning wordt evenwel expliciet gesteld in artikel 2, 7° dat onder verbeurdverklaring ook de confiscaties vallen in de zin van het artikel 13 van de Verordening. 22. De preambule van de Verordening 2018/1805 vermeldt in de overweging
(32)het volgende: “Deze verordening moet uitvoerende autoriteiten toestaan confiscatiebevelen niet te erkennen of ten uitvoer te leggen vanwege het feit dat de persoon tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet persoonlijk is verschenen op het proces dat heeft geleid tot een confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling. Dit mag alleen een grond voor niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging vormen wanneer processen leiden tot confiscatiebevelen die verband houden met een definitieve veroordeling en niet wanneer procedures leiden tot niet op een veroordeling gebaseerde confiscatiebevelen. Opdat een dergelijke grond zou beschikbaar zijn, dienen echter één of meer hoorzittingen te worden gehouden. De grond mag niet beschikbaar zijn indien de toepasselijke nationale procedureregels niet voorzien in een hoorzitting. Dergelijke nationale procedureregels moeten in overeenstemming zijn met het Handvest en met het EVRM, in het bijzonder met betrekking tot het recht op een eerlijk proces. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de zaak vereenvoudigd wordt afgedaan waarbij, geheel of gedeeltelijk, een schriftelijke procedure of een procedure zonder zitting wordt gevolgd”. 23. Uit dit alles volgt dan ook dat de weigeringsgronden bepaald in artikel 19/1 g) van de Verordening en in artikel 7/2, 3°, Wet Wederzijdse Erkenning, hier niet dienen te worden toegepast aangezien het bewuste confiscatiebevel niet steunt op een veroordeling in een procedure in strafzaken en er in Italië ter zake geen hoorzittingen hebben plaatsgevonden
(12). Het vonnis dat zich steunt op die redenen om de weigeringsgronden af te wijzen is dan ook naar recht verantwoord zodat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen. 24. Het derde middel roept evenwel ook de schending in van artikel 7, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning. Dit artikel luidt als volgt: “De tenuitvoerlegging van de beslissing kan geweigerd worden indien: 3° ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het verdrag betreffende de Europese Unie”. Alhoewel deze bepaling de omzetting betreft van artikel 19.1
  1. h)van de Verordening, dient er toch op worden gewezen dat mogelijkheid tot weigering van tenuitvoerlegging in de tekst van deze laatste bepaling in ietwat andere termen is opgesteld, met name: “
  2. h)(indien) er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging”. 25. In het oorspronkelijk voorstel van de Commissie werd een dergelijke weigeringsgrond niet voorzien omdat de vrees bestond dat het de wederzijdse erkenning van dergelijke bevelen in de weg zou kunnen staan en omdat in de Verordening reeds werd gestipuleerd dat de grondrechten en rechtsbeginselen van artikel 6 VEU dienden te worden nageleefd. Uiteindelijk kwam een dergelijke weigeringsgrond er toch, maar enkel met verwijzing naar het Handvest en niet naar artikel 6 VEU
(13). Hetgeen evenwel opvalt in de bepaling van artikel 19.1.
  1. h)Verordening is de gebruikte terminologie die toch zeer duidelijk lijkt aan te geven dat deze facultatieve weigeringsgrond blijkbaar slechts met zeer veel terughoudendheid en ten uitzonderlijke titel kan worden ingeroepen. 26. Hierbij kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de weigeringsgrond hier veel strikter is omschreven dan in de Richtlijn 2014/41/EU inzake het Europees onderzoeksbevel, dat in artikel 11,1.,
  2. f)spreekt van weigering ‘wanneer de uitvoering van de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest op de uitvoerende staat rusten’. Dit is des te opvallender omdat in overweging 34 van die Richtlijn werd gesteld: ‘Deze richtlijn heeft, gelet op het toepassingsgebied ervan, betrekking op voorlopige maatregelen uitsluitend met het oog op bewijsverkriiging. Hierbij moet erop worden gewezen dat voorwerpen, financiële activa daaronder begrepen, tijdens een strafprocedure het voorwerp kunnen uitmaken van verschillende voorlopige maatregelen, die kunnen strekken tot het verzamelen van bewijsmateriaal, maar ook tot confiscatie. Het onderscheid tussen beide doelen is niet altijd duidelijk, en het doel van een voorlopige maatregel kan in de loop van de procedure veranderen. Het is daarom van cruciaal belang dat de verschillende toepasselijke wetteksten naadloos op elkaar aansluiten’
(14). 27. Deze materie kan daarenboven niet los gezien worden van het principe van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie dat in deze context is neergelegd in de overwegingen
(15)en
(34)van de Verordening en dat dus een vermoeden inhoudt van de eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten. Een dergelijk vermoeden is evenwel niet onweerlegbaar. Overweging
(15)stelt het volgende: “Samenwerking tussen de lidstaten, die is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning en de onmiddellijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, veronderstelt het vertrouwen dat de te erkennen en ten uitvoer te leggen beslissingen steeds zullen worden gegeven overeenkomstig de beginselen van legaliteit, subsidiariteit en evenredigheid. Dergelijke samenwerking veronderstelt dat de rechten van personen ten aanzien van wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, worden gewaarborgd. Die getroffen personen, die natuurlijke of rechts- personen kunnen zijn, dienen de persoon tegen wie een bevriezingsbevel of een confiscatie- bevel is uitgevaardigd, de persoon die eigenaar is van de voorwerpen waarop het bevel betrekking heeft, en eventuele derden wier rechten met betrekking tot die voorwerpen rechtstreeks worden geschaad door het bevel met inbegrip van derden te goeder trouw, te omvatten. Of die derden rechtstreeks worden geschaad door een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, dient overeenkomstig het recht van de uitvoerende staat te worden bepaald’. 28. Overweging
(34)luidt als volgt: “Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op onderling vertrouwen en de veronderstelling dat alle lidstaten zich aan het recht van de Unie houden, met name de grondrechten. In uitzonderlijke situaties, wanneer er gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, moet de uitvoerende autoriteit kunnen besluiten het betreffende bevel niet te erkennen en ten uitvoer te leggen. De in dit verband relevante grondrechten zijn met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging. Het recht op eigendom zou in beginsel niet relevant mogen zijn, daar de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen per definitie een inmenging in het recht op eigendom van een persoon inhouden en er in dit verband in het Unierecht, onder meer in de onderhavige verordening, reeds in de noodzakelijke waarborgen is voorzien”.
  1. Alhoewel de bepaling van de Wet Wederzijdse Erkenning in bredere termen is gesteld dan die in de Verordening, lijdt het geen twijfel dat bij de toepassing ervan rekening dient te worden gehouden met de in die Verordening gehanteerde criteria. De vraag is dus wat er dient te worden begrepen’ onder gegronde redenen die in uitzonderlijke situaties, op basis van specifieke en objectieve gegevens in de uitzonderlijke omstandigheden van het geval zouden leiden tot een manifeste schending van een relevant grondrecht’ die de tenuitvoerlegging in de weg zouden staan omdat zij afbreuk zouden doen aan de hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie.
  2. Dat er objectieve en specifieke gegevens eigen aan de individuele en uitzonderlijke omstandigheden moeten aanwezig zijn lijkt mij logisch en ligt daarenboven in de lijn van de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake het Europees aanhoudingsbevel wanneer er een reëel gevaar bestaat voor de schending van een grondrecht, bv. het recht op een eerlijk proces
(15). De hamvraag is evenwel wanneer er sprake zal zijn van een manifeste schending van een grondrecht. S. BOLLENS, die ter zake de voorbereidende werkzaamheden aanhaalt
(16), stelt dat het moet gaan om meer dan een loutere onverenigbaarheid met het Handvest maar dat er sprake moet zijn van een ‘flagrante rechtsweigering’ zoals die in bepaalde arresten van het EHRM wordt vooropgesteld
(17)en die volgens het EHRM verder gaat dan sommige onregelmatigheden of gebrek aan waarborgen maar werkelijk een schending van de principes van het eerlijk proces (a breach of the principles of fair trial) impliceert
(18). 31. Ik denk dat hierbij kan worden gekeken naar de procedure die werd gevolgd in de uitvaardigende staat en die hebben geleid tot de beslissing van confiscatie. Dat lijkt mij trouwens voort te vloeien uit de tekst zelf van artikel 19.1 h) van de Verordening vermits de rechten die daarin worden vermeld te maken hebben met de in het buitenland gevoerde procedures. Gelet op de formulering van het artikel 7, § 1, is het daarenboven duidelijk dat de overheid van de uitvoerende staat verplicht is om na te gaan of de in de uitvaardigende staat gevoerde procedure wel in overeenstemming is met het EVRM. Het EHRM heeft zich daarover reeds een aantal malen uitgesproken, zowel in procedures die betrekking hadden op de tenuitvoerlegging van een buitenlandse confiscatiebeslissing van een land dat niet gebonden was door het EVRM
(19)als op procedures tussen EU-lidstaten, met name wat dit laatste betreft in de zaak Avotins t. Letland
(20). In deze zaak ging het om de tenuitvoerlegging in Letland van een beslissing van een rechtbank in Cyprus, waarbij het EHRM stelde dat ook in dat geval er ‘een zekere vorm van controle van de naleving van het eerlijk proces diende te gebeuren’
(21). 32. De uitspraak van het EHRM in die zaak werd daarbij vergeleken met een uitspraak van het Hof van Justitie
(22)waarin dit stelde dat het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Unie ertoe leidde dat ‘de nationale rechter niet mag nagaan of een andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Unie gewaarborgde grondrechten heeft geëerbiedigd’. Een analyse van de rechtspraak ter zake van de beide hoven leidde evenwel tot de conclusie dat er geen eigenlijke tegenstrijdigheid is en dat zij beide grenzen stellen aan het principe van het wederzijds vertrouwen en beide van oordeel zijn dat de nationale rechter dit niet blindelings mag toepassen
(23). 33. Aangezien derhalve de uitvoerende staat het begrip ‘manifeste schending van een relevant grondrecht’ dient in te vullen kan hij zich daarbij laten inspireren door de rechtspraak van het EHRM en het HvJ met betrekking tot confiscatieprocedures Fundamenteel daarbij is dat de personen die door een confiscatiebeslissing worden getroffen, waaronder dus ook derden die beweren eigenaar te zijn van het betreffende voorwerp, moeten kunnen deelnemen aan de procedures die leiden tot de confiscatiebeslissing Het EHRM heeft in verschillende arresten geoordeeld dat zowel artikel 6.1 EVRM als artikel 1 van het Aanvullende Protocol vereisen dat er procedures bestaan die de belanghebbende partijen toestaan de beperkingen aan hun eigendomsrecht bij de bevoegde nationale instanties te betwisten
(24). Doorslaggevend in die beoordeling is of de procedure in haar geheel beschouwd aan de betrokkene een redelijke kans heeft geboden om zijn zaak aan de bevoegde autoriteiten te kunnen voorleggen teneinde deze laatste in staat te stellen zijn belangen mee af te wegen in het tot stand komen van de beslissing. Ook het Hof van Justitie sprak zich in deze zin uit
(25). Een ander en daarmee samenhangend criterium dat daarbij door het EHRM wordt gehanteerd betreft de confiscatieprocedure zelf in de verzoekende staat en met name het respect voor de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak
(26).
  1. Uit dit alles volgt mijns inziens dus dat noch artikel 19.1 Verordening 2018/1805, noch artikel 7, § 1, Wet Wederzijdse Erkenning, uitgelegd in overeenstemming met artikel 19.1 van die verordening, de rechter in de uitvoerende lidstaat toelaten om de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel toe te staan wanneer hij vaststelt dat een fundamenteel recht van degene tegen wie een confiscatiebevel is uitgevaardigd, manifest is miskend. Dit is het geval wanneer de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat over geen enkele mogelijkheid heeft beschikt of nog kan beschikken om zijn verweermiddelen tegen de verbeurdverklaring van zaken waarvan hij beweert de rechtmatige eigenaar te zijn, voor te leggen aan een onpartijdige rechter. Het staat aan de rechter in de uitvoerende lidstaat om zich daarvan te vergewissen en om, indien hij een manifest gebrek aan het bestaan van een dergelijk recht vaststelt, de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel niet toe te staan.
  2. Ik verwijs hier naar hetgeen hierboven reeds werd gezegd onder nr. 17 met betrekking tot het verloop van de procedure in Italië en waaruit blijkt dat er een strafprocedure tegen onbekenden werd gevoerd, waarvan de huidige eiser niet op de hoogte was noch werd gesteld, waarbij geen hoorzittingen werden gehouden, waarbij er geen veroordeling werd uitgesproken en waarbij een verbeurdverklaring werd opgelegd waarvan de eiser niet werd ingelicht. Het confiscatiecertificaat zoals bedoeld in bijlage 2 van de Wet Wederzijdse Erkenning vermeldt ook niet dat de eiser zou zijn op de hoogte gebracht van het bestaan van een rechtsmiddel tegen de confiscatiebeslissing maar stelt wel dat het onherroepelijk is geworden op 31 maart
  3. Het komt mij derhalve voor dat we hier staan voor een beslissing die het gevolg is van een volkomen éénzijdig gevoerde procedure.
  4. Na het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag te hebben afgewezen ‘omdat de toepassing van het Gemeenschapsrecht in dit concreet geval evident is’ en een prejudiciële vraag ‘niet relevant’ wordt geacht, stelt het bestreden vonnis enerzijds dat de facultatieve weigeringsgronden aan de uitvoerende lidstaat een beperkte mogelijkheid bieden om ingeval van een manifeste miskenning van een grondrecht de tenuitvoerlegging te weigeren, maar anderzijds dat het uitgangspunt het beginsel van wederzijdse erkenning blijft voortvloeiende uit het bestaan van wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten, zodat de beoordeling wordt overgelaten aan de uitvoerende autoriteiten die ‘strikt genomen zelfs in geval van mogelijke miskenning van een grondrecht alsnog de tenuitvoerlegging zouden kunnen bevelen’. Het komt mij voor dat met deze redenen de rechter zijn beslissing enkel heeft gesteund op de omstandigheid dat de regeling inzake grensoverschrijdende justitiële samenwerking binnen de Europese Unie berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Of er sprake is van een mogelijke manifeste schending van een grondrecht en welke desgevallend de invloed hiervan zou zijn op de uiteindelijke beslissing over de tenuitvoerlegging wordt niet onderzocht. Ik meen dan ook dat de beslissing van de rechter niet naar recht is verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond.
  5. In deze omstandigheden lijkt het me dat de prejudiciële vraag voorbarig is en derhalve niet dient te worden gesteld.
  6. Het eerste middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. III. CONCLUSIE.
  7. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden. Ik concludeer tot de vernietiging met verwijzing van het bestreden vonnis. _______________________________________
(1)BS 7 september 2006.
(2)Parl. St. Kamer, 2008-2009, DOC 51 2106/001, 4-6.
(3)Beide verschenen in BS 4 april 2011; zie Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53 1703/001, pp. 4-6.
(4)Wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken
(1), BS 30 november 2011. Deze wet tot de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen, Parl. St., Kamer, 2020-2021 DOC 55 2175/001, pp. 60-62.
(5)Publicatieblad, 28 november 2018, I.303/1-38.
(6)S. BOLLENS, o.c., p. 105.
(7)Parl. St., Kamer, 2020-2021 DOC 55 2175/001, Memorie van Toelichting, p. 69.
(8)Voor een bespreking van die gronden zie S. BOLLENS, o.c., pp. 105-109.
(9)Zie hierover S. BOLLENS, “De grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van verbeurdverklaringen binnen de EU: wijzigingen aan de wet van 5 augustus 2006 naar aanleiding van Verordening nr. 2018/1805”, NC 2022/2, pp. 94-113.
(10)S. BOLLENS, o.c., pp. 96-97.
(11)S. BOLLENS, o.c., p. 100.
(12)S. BOLLENS, o.c., p. 109, nr. 26.
(13)Zie hierover S. BOLLENS, o.c., pp. 106109, nrs. 23-25. De Wet Wederzijdse Erkenning verwijst wél naar artikel 6 VEU.
(14)S. BOLLENS, o.c., pp. 106-107 en voetnoot 156.
(15)HvJ, 28 juli 2018, nr. C-216/18 PPU, LM. Het betrof hier een overlevering gevraagd door Polen waarbij de betrokkene zich beriep op de wettelijk hervormingen in Polen die zijn recht op een eerlijk proces zouden aantasten.- zie overwegingen 60 tot 69.
(16)S. BOLLENS, o.c., p.107, voetnoot 164.
(17)EHRM 1 maart 2006, nr. 56581/00, Sejdovic t. Italië, overw. 84;EHRM 26 juni 1992, nr. 12747/87, Drozd en Janousek t. Frankrijk, overw. 110.
(18)EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, Othman (Abu Qatada) t. Verenigd Koninkrijk, overw. 260.
(19)EHRM 5 juli 2007 en 18 december 2008, nr. 69917/01, Saccocia t. Oostenrijk, waar het ging om een beslissing van een Amerikaanse rechtbank.
(20)EHRM 23 mei 2016, nr. 17502/07, Avotins t. Letland, overw. 97-98.
(21)‘(The Court) has always applied the general principle whereby a court examining a request for recognition and enforcement of a foreign judgment cannot grant the request without first conducting some measure of review of that judgment in the light of the guarantees of a fair hearing; the intensity of that review may vary depending on the nature of the case’.
(22)HvJ 18 december 2014, Advies 2/13, EHRC 2015/65, par 191, inzake het Ontwerpakkoord aangaande de toetreding van de EU tot het EVRM.
(23)L. GLAS, “Avotins t. Letland: de grenzen aan wederzijds vertrouwen volgens en tussen het EHRL en het HvJ”, Radbouw Repository, pp. 63-81.
(24)EHRM 26 juni 2018, nr. 47911/15, Telbis en Viziteu t.Roemenië, overw. 50; EHRM 15 januari 2015, nr. 12951/11, Veits/t.Estland, overw. 57; EHRM 10 april 2012, nr. 20496/02, Silickien t./Litouwen, overw. 47. EHRM 13 juli 2021, nr. 50705/11 , Todorov e.a. t. Bulgarije, overw. 188; EHRM 8 oktober 2019, nrs. 20319/17 en 21414/17, Balsamo t..San Marino,overw.93;EHRM 12 mei 2015, nr. 36862/05, Gogitidze e.a. t. Georgië, overw. 109.
(25)HvJ 21 oktober 2021, nrs. C-845/19 en C-863/19,21: DR en TS, overw. 85; HvJ 14 januari 2021, nr. C-393/19, OM, overw. 68.
(26)HRM 8 oktober 2019, nrs. 20319/17 en 21414/17, Balsamo t.San Marino, overw. 94; EHRM 28 juni 2018, nrs. 1828/06, 34163/07 en 19029/11, G.I.E.M. S.r.l. e.a. t.Italië, overw. 302; EHRM 12 mei 2015, nr. 36862/05, Gogitidze e.a. t. Georgië, overw. 114. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240312.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250211.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.