← België

AYVAZ SINAI ÜRÜNLER SANAYI VC c. HENCO INDUSTRIES nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 maart 2024 EC

Art. 3

, eerste lid Fiche 2 Een stilzwijgende rechtskeuze kan ook na het sluiten van de overeenkomst plaatsvinden, met name tijdens een over die overeenkomst aanhangig gemaakt geding

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 3

, tweede lid Fiche 3 Wanneer partijen hun verweer voeren op grond van het forumrecht en in hun conclusies naar dit forumrecht verwijzen, kan de rechter hieruit evenwel uitsluitend een stilzwijgende rechtskeuze afleiden indien dit gedrag van partijen overeenstemt met hun werkelijke wil om de overeenkomst aan het forumrecht te onderwerpen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -

Art. 3

, tweede lid Tekst van de conclusie C.23.0118.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (...) Bespreking. Eerste middel. Derde onderdeel. De gegrondheid. 4. Eiseressen voeren aan dat de appelrechters niet wettig hebben kunnen beslissen dat eerste eiseres "akkoord is dat het Belgisch recht aanvullend van toepassing is ", aangezien dit niet eenduidig kan worden afgeleid uit het enkele feit dat eerste eiseres in besluiten zich verweerde in de hypothese dat de appelrechters zouden oordelen dat het Belgisch recht van toepassing zou zijn (schending van de artikelen 1108, 1134, 1135, 1338 van het Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 3.2 van de Rome-l Verordening). Zodoende was, nog steeds volgens eiseressen, niet wettig verantwoord de beslissing dat de bepalingen van de artikelen 1615, 1625, 1641 en 1648 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op de hoofdvordering van eerste verweerster tegen eiseressen (schending van de artikelen 3 en 4.1,

  1. a)van de Rome-l Verordening en de artikelen 1615, 1625, 1641 en 1648 van het Oud Burgerlijk Wetboek), met als gevolg dat ook de vorderingen in vrijwaring van de andere partijen door dezelfde onwettigheid zijn aangetast, want zonder voorwerp (schending van de artikelen 3 en 4.1,
  2. a)van de Rome-l Verordening en artikelen 1615, 1625, 1641 en 1648 Oud Burgerlijk Wetboek). 5. Considerans 11 bij Verordening (EG) 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, kortweg Rome I-Verordening, luidt als volgt: “De vrijheid van de partijen om het toepasselijke recht te kiezen, moet de hoeksteen van het systeem van collisieregels op het gebied van verbintenissen uit overeenkomst zijn”. Artikel 3, eerste lid, Rome I-Verordening, dat bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen en dat de rechtskeuze uitdrukkelijk wordt gedaan of duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval, houdt hiervan de bevestiging in. Slechts wanneer partijen geen keuze van recht hebben uitgebracht, gelden de objectieve verwijzingsregels van artikel 4. Deze primauteit van de rechtskeuze geldt voor alle overeenkomsten, behoudens voor de consumentenovereenkomsten die onder het toepassingsgebied van artikel 6 Rome I-Verordening vallen

(1). Krachtens artikel 3, eerste lid, Rome I-Verordening kan de rechtskeuze enerzijds uitdrukkelijk worden opgenomen in een specifieke clausule van de overeenkomst of in de algemene contractvoorwaarden. Anderzijds is krachtens die bepaling ook een stilzwijgende rechtskeuze mogelijk op voorwaarde dat deze keuze “duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval.” Dit artikel 3 Rome I-Verordening is iets strenger dan artikel 3 EVO, krachtens hetwelk de stilzwijgende rechtskeuze “voldoende duidelijk” moest blijken. Aangetoond moet worden dat er, zonder enige twijfel, sprake is van een werkelijke, maar stilzwijgende rechtskeuze en niet van een vermoede of hypothetische rechtskeuze
(2). Een stilzwijgende rechtskeuze kan dus slechts met een zekere terughoudendheid worden aanvaard. De rechter zal volledig overtuigd moeten zijn van het bestaan van een stilzwijgende rechtskeuze; het gedrag van partijen kan daarbij een belangrijk element zijn
(3). Het opsporen van een niet-uitgedrukte rechtskeuze is een feitenkwestie, die volledig overgeleverd is aan het eigen oordeel van de rechter
(4). In dit licht blijkt duidelijk uit de voorbereidende werken inzake artikel 3 Rome I-Verordening dat de rechter het bestaan van een stilzwijgende rechtskeuze slechts mag aanvaarden, indien partijen de werkelijke wil hadden om hun overeenkomst aan een bepaald recht te onderwerpen. Zo vermeldt het Rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) door M. GIULIANO en P. LAGARDE
(5)dat “het Verdrag de rechter de mogelijkheid biedt om rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, vast te stellen dat partijen een echte rechtskeuze hebben gedaan, ook al is deze niet met zoveel woorden in de overeenkomst tot uitdrukking gebracht”, maar dat “het de rechter in geen geval de bevoegdheid verleent, de partijen een rechtskeuze toe te dichten wanneer zij niet de stellige bedoeling hebben gehad een dergelijke keuze te doen. In dat geval wordt de overeenkomst door artikel 4 van het Verdrag beheerst”
(6). Ook in het Groenboek van de Europese Commissie over de omzetting van het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in een communautair instrument, alsmede over de modernisering ervan, van 14 januari 2003
(7), wordt benadrukt dat het “de bedoeling van de wetgever was een onomstotelijke keuze toe te staan, ook als die stilzwijgend gebeurt”
(8). Ten slotte wordt ook in het Voorstel van de Europese Commissie voor een Verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), van 15 december 2005
(9)vermeld met betrekking tot artikel 3 dat “de voorgestelde wijzigingen de rechter ertoe moeten aanzetten na te gaan wat de werkelijke stilzwijgende wil van de partijen is in plaats van de louter hypothetische wil.” Er wordt onder meer voorgesteld om rekening te houden met het gedrag van de partijen
(10). Ook in de Duitse rechtsleer wordt duidelijk gesteld dat aan een stilzwijgende rechtskeuze in de zin van artikel 3 Rome I-Verordening een overeenstemmende duidelijke en werkelijke wil van partijen ten grondslag moet liggen (“ein realer Rechtswahlwille”), die ondubbelzinnig moet blijken uit de bepalingen van de overeenkomst en alle omstandigheden van het geval, inclusief het gedrag van partijen
(11). In het Nederlandse recht wordt in gelijkaardige duidelijke termen gezegd dat “een werkelijke, concrete wilsverklaring van partijen” aan het gekozen contractenrecht ten grondslag dient te liggen. Een veronderstelde rechtskeuze – dat wil zeggen een rechtskeuze die aan partijen wordt toegedicht zonder dat de werkelijke wil van partijen om hun overeenkomst aan een bepaald recht te onderwerpen kan worden vastgesteld – is niet toereikend. De rechter zal zich dus telkens ervan moeten vergewissen of partijen het conflictenrechtelijke probleem hebben onderkend en, zo ja, of zij ook werkelijk hebben beoogd een keuze te doen voor een bepaald recht. Indien voor het aanvaarden van een rechtskeuze een reële wilsverklaring van partijen ontbreekt, is van een geldige rechtskeuze geen sprake en wordt de overeenkomst beheerst door de objectieve verwijzingsregels van art. 4 Rome I-Verordening
(12). Op grond van artikel 3, tweede lid, Rome I-Verordening hebben partijen een grote vrijheid ten aanzien van het tijdstip waarop ze het op de overeenkomst toepasselijke recht kiezen. Deze bepaling staat partijen toe ná de totstandkoming van de overeenkomst alsnog een rechtskeuze uit te brengen indien dat nog niet is gebeurd, of een eerder gedane rechtskeuze te wijzigen. Rechtskeuze achteraf (of wijziging van rechtskeuze) doet zich vaak voor tijdens een over de overeenkomst aanhangig gemaakt rechtsgeschil. Men spreekt dan van “processuele rechtskeuze”
(13). Zo’n processuele rechtskeuze kan opnieuw uitdrukkelijk of stilzwijgend plaatsvinden. In dat kader rijst de vraag of een stilzwijgende rechtskeuze kan worden verondersteld wanneer partijen debat voeren op grond van het forumrecht of wanneer één van de partijen zich op het forumrecht beroept en haar contractpartij dit niet weerlegt. Het is dan aan de forumrechter om uit te maken of, rekening houdend met de bepalingen van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, een dergelijke houding volstaat om hieruit een stilzwijgende keuze voor het forumrecht af te leiden
(14). In dit licht vermeldt het Rapport GIULIANO/LAGARDE – onder verwijzing naar de bestaande rechtspraktijk in Frankrijk, Duitsland en Nederland – dat de rechter het toepasselijke recht kan afleiden uit de houding van de partijen tijdens de behandeling van het geding, wanneer duidelijk blijkt dat zij beide een bepaald recht op het oog hebben
(15). Zo wordt er in de Nederlandse en Duitse rechtsleer op gewezen dat feitenrechters vaak snel geneigd zijn om tot de toepasselijkheid van het forumrecht te besluiten op basis van een stilzwijgende rechtskeuze wanneer partijen in de procedure (enkel) naar het forumrecht verwijzen of wanneer één van de partijen zich beroept op het forumrecht terwijl de wederpartij dit niet tegenspreekt. Dit is wellicht ten behoeve van de proceseconomie en omwille van praktische voordelen
(16). Deze benadering wordt echter bekritiseerd. In de Duitse rechtsleer wordt, naar ik meen terecht, benadrukt, met verwijzing naar de tekst van artikel 3, eerste en tweede lid, Rome I-Verordening en de wil van de wetgever, dat een stilzwijgende rechtskeuze weliswaar uit het gedrag van partijen tijdens het proces kan voortvloeien, maar slechts indien aan dit gedrag, in het raam van alle omstandigheden van het geval, een wederkerige werkelijke wil van partijen (“ein beiderseitiger realer Gestaltungswille der Parteien”) ten grondslag ligt om de overeenkomst aan het forumrecht te onderwerpen. Indien beide partijen zich bijvoorbeeld voor de forumrechter op het forumrecht beroepen, terwijl volgens de objectieve verwijzingsregels een ander recht zou gelden, lijkt hieruit niet automatisch een stilzwijgende rechtskeuze voor het forumrecht te kunnen worden afgeleid. Er zullen dan bijkomende elementen noodzakelijk zijn, waaruit blijkt dat partijen bewust – met kennis van zaken – en werkelijk voor het forumrecht hebben willen kiezen. Zo zou wel een stilzwijgende rechtskeuze kunnen worden afgeleid uit het feit dat partijen – na ondervraging door de rechter inzake het toepasselijke recht – zich toch verder exclusief op het forumrecht blijven beroepen
(17). Ook in het Nederlandse recht wordt onderstreept dat geen stilzwijgende rechtskeuze mag worden aangenomen in het geval dat partijen geen werkelijke wilsverklaring terzake hebben geuit. Uit de proceshouding van partijen mag dus slechts een impliciete rechtskeuze worden afgeleid, indien partijen voorafgaand aan of tijdens de procedure eenduidig kenbaar hebben gemaakt dat zij hun rechtsgeschil willen oplossen aan de hand van een bepaald toepasselijk recht
(18). De rechter mag in dit raam niet te snel beslissen tot de toepasselijkheid van het forumrecht op grond van een stilzwijgende rechtskeuze, maar moet nagaan of het gedrag van partijen al dan niet overeenstemt met een werkelijke wilsverklaring. Enerzijds is het begrijpelijk dat de rechter omwille van praktische voordelen en de proceseconomie sneller geneigd is om de toepassing van het forumrecht aan te nemen. Anderzijds moet voor ogen worden gehouden dat het tot de taak van de rechter behoort om de inhoud van het buitenlandse recht ambtshalve vast te stellen
(19). Ten slotte dient ter verduidelijking te worden opgemerkt dat, krachtens artikel 3, vijfde lid, Rome I-Verordening, de kwestie of er overeenstemming tussen de partijen tot stand is gekomen over de rechtskeuze en of deze overeenstemming geldig is, wordt beheerst door de artikelen 10, 11 en 13. Dit artikel 3, vijfde lid, Rome I-Verordening geldt indien uitdrukkelijk een rechtskeuze wordt gedaan, in een beding van de overeenkomst of in de algemene contractvoorwaarden. In dat geval wordt de vraag of er een rechtskeuze is overeengekomen en of het rechtskeuzebeding materieel en formeel geldig is, in de regel beheerst door het recht dat van toepassing zou zijn indien het beding geldig zou zijn, volgens de regels van art. 10, 11 en 13 Rome I-Verordening
(20). Met deze bepalingen wil men ontsnappen aan een vicieuze cirkel: wanneer het toepasselijke recht gekozen is, kan pas van een toepasselijk recht sprake zijn op het moment dat de geldigheid van de overeenkomst is aanvaard
(21). Met betrekking tot de zogenaamde “voorvraag” of de overeenkomst geldig is, wordt dan verwezen naar de lex contractus, dit is het recht dat van toepassing zou zijn, aangenomen dat de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn
(22). Artikel 3, vijfde lid, Rome I-Verordening heeft daarentegen geen betrekking op de vraag of er al dan niet een stilzwijgende rechtskeuze voorligt in de zin van art. 3, eerste lid, Rome I-Verordening – en of die al dan niet uit bepaalde factoren kan worden afgeleid. Deze vraag wordt autonoom geregeld op het niveau van de verordening zelf, met name in artikel 3, eerste en tweede lid, Rome I-Verordening
(23). In casu voert het derde onderdeel zowel de schending aan van art. 3 Rome I-Verordening als van de artikelen 1108, 1134, 1135 en 1338 Oud BW inzake de toestemming en de erkenning. De vraag of een stilzwijgende rechtskeuze voorligt, dient echter uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van de autonome regeling in art. 3 Rome I-Verordening en niet aan de hand van de bepalingen van het Belgisch recht (namelijk het nationale recht dat van toepassing zou zijn indien de rechtskeuze geldig zou zijn). Het oordeel van de appelrechters dat het Belgisch recht aanvullend op het Weens Koopverdrag van toepassing is, op basis van een stilzwijgende rechtskeuze, kadert binnen de vraag of eerste verweerster een rechtstreekse vordering wegens verborgen gebreken heeft (op grond van artikel 1615 Oud BW) tegen eerste eiseres. De appelrechters oordelen dat het Weens Koopverdrag niet voorziet in een rechtstreekse eis van eerste verweerster als koper tegen de eerdere verkopers in de keten, zodat het nationaal recht dat van toepassing is op de verschillende koopovereenkomsten, bekeken moet worden
(24). Zoals gezegd, heeft eerste eiseres (Ayvaz Sinai), de producent, de onderdelen verkocht aan tweede verweerster (Creon), die deze op haar beurt heeft verkocht aan zevende verweerster (Lumox), die deze heeft verkocht aan vijfde verweerster (Vivirad), die ze heeft verkocht aan eerste verweerster (Henco), de uiteindelijke afnemer/koper. De appelrechters gaan ervan uit dat de vraag of de uiteindelijke koper (eerste verweerster) een rechtstreekse vordering heeft tegen de oorspronkelijke verkoper (eerste eiseres) – en dus de vraag of het recht op vrijwaring voor verborgen gebreken als kwalitatief recht mee is overgedragen door de oorspronkelijke koper (tweede verweerster) op de volgende kopers (tot aan eerste verweerster) – wordt bepaald door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst tussen de oorspronkelijke verkoper (eerste eiseres) en de oorspronkelijke koper (tweede verweerster). Deze redenering wordt door partijen niet betwist/bekritiseerd: het middel komt hiertegen niet op. Men zou echter kunnen argumenteren dat niet het recht dat van toepassing is op de overeenkomst tussen de oorspronkelijke verkoper en de oorspronkelijke koper, maar wel het recht dat van toepassing is op de overeenkomst in de volgende schakel, namelijk tussen de oorspronkelijke koper en de volgende koper bepaalt of de oorspronkelijke koper het recht op vrijwaring voor verborgen gebreken als kwalitatief recht heeft overgedragen op de volgende koper. Nu het middel naar ik meen de benadering van de appelrechters niet bekritiseert, kan het antwoord op het middel hierop echter niet ingaan zonder buiten de grieven te treden. De appelrechters oordelen dat eerste eiseres met betrekking tot de rechtstreekse vordering van eerste verweerster zelf naar het Belgisch recht verwijst
(25). Daarnaast oordelen zij dat eerste eiseres met betrekking tot. de koopovereenkomst gesloten tussen haar en tweede verweerster (Creon) eveneens naar het Belgisch recht verwijst
(26). Hieruit leiden de appelrechters automatisch af dat eerste eiseres aanvaardt dat het Belgisch recht aanvullend van toepassing is, zodat eerste verweerster (Henco) op grond van artikel 1615 Oud BW een rechtstreekse vordering heeft tegen eerste eiseres (Ayvaz Sinai). Mijns inziens verantwoorden de appelrechters hiermee hun beslissing niet naar recht. Uit het enkele gegeven dat eiseressen – in ondergeschikte orde – naar het Belgisch recht verwijzen als verweer tegen de vordering in vrijwaring voor verborgen gebreken, die op grond van het Belgisch recht tegen hen is ingesteld, volgt mijns inziens nog niet automatisch de overeenstemmende werkelijke wil van partijen om hun overeenkomst aan het Belgisch recht te onderwerpen. De appelrechters hadden die werkelijke wil moeten onderzoeken, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en met de gehele syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021 van eiseressen. Onder titel II.2 “Bespreking van het toepasselijke recht” voeren eiseressen immers expliciet aan dat “ondergeschikt en in zoverre het Weens Koopverdrag niet van toepassing zou worden verklaard op de relatie tussen Ayvaz Sinai en Creon dan dient artikel 4.1 van de Rome I-Verordening te worden toegepast (het recht waar de verkoper zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft) en dient het Turks recht te worden toegepast op die relatie. Kunnen de andere procespartijen Ayvaz Sinai aanspreken op grond van de gemeenrechtelijke regels inzake verborgen gebreken conform het Belgisch recht? Het antwoord is negatief: de gemeenrechtelijke regels inzake verborgen gebreken zijn niet van toepassing indien de koopovereenkomsten door het Weens Koopverdrag geregeld worden”
(27). In het beschikkend gedeelte vorderen de eiseressen bovendien “in hoofdorde te zeggen voor recht dat het Weens Koopverdrag en aanvullend het Turks recht van toepassing is op onderhavig geschil tussen Ayvaz Sinai en Creon. Dienvolgens te willen bevestigen dat het Weens Koopverdrag en aanvullend het Turks recht van toepassing is bij de beoordeling van het geschil tussen alle in het geding betrokken partijen. Dienvolgens een heropening der debatten te bevelen teneinde partijen toe te laten verder standpunt in te nemen over het recht dat van toepassing is en de (rechts)gevolgen die dit voor partijen met zich meebrengt”
(28)(p. 81). Het onderdeel verwijst naar de beroepsbesluiten na tussenarrest van eiseressen van 19 augustus 2021 in plaats van naar de syntheseberoepsbesluiten na tussenarrest van eiseressen van 7 december 2021. De appelrechters hebben echter op correcte wijze rekening gehouden met deze syntheseberoepsbesluiten van 7 december 2021, hetgeen blijkt uit de verwijzingen in het bestreden arrest naar p. 23 en 41-42 van deze syntheseberoepsbesluiten, waaruit de appelrechters afleiden dat eiseressen akkoord waren om aanvullend het Belgisch recht toe te passen. Het Hof mag (en moet) – in het licht van de correct aangevoerde schending van artikel 3 Rome I-Verordening – mijns inziens acht slaan op de syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021, waarmee ook de appelrechters zelf op correcte wijze rekening hebben gehouden. In hun laatste syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021 hebben eiseressen uitdrukkelijk een keuze voor een aanvullende toepassing van het Turks recht toegevoegd. Deze toevoeging versterkt de grief in het derde onderdeel dat uit de ondergeschikte toepassing van het Belgisch recht door de eiseressen, als verweer tegen de vordering wegens verborgen gebreken ingesteld op basis van het Belgisch recht, niet ondubbelzinnig en eenduidig de erkenning kan worden afgeleid dat het Belgisch recht van toepassing is. De conclusies van 7 december 2021 van eiseressen, laten geen enkele ruimte voor twijfel dat de eiseressen geen eenduidige rechtskeuze voor Belgisch recht hebben gemaakt. Het onderdeel is mijns inziens gegrond. (...) Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre dit de rechtstreekse vordering van eerste verweerster tegen eerste en derde eiseressen gegrond verklaart en uitspraak doet over de kosten, met verwijzing van de aldus beperkte zaak. ________________________________
(1)I. COUWENBERG, “Artikel 3 Rome I-Verordening” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 451.
(2)I. COUWENBERG, “Artikel 3 Rome I-Verordening” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 451.
(3)J. DE MEYER, “Verbintenissen uit grensoverschrijdende overeenkomsten. Algemeen regime inzake het toepasselijk recht na de Rome I-Verordening”, NjW 2008, 860-861, nr. 34; M. TRAEST, “Hoofdstuk 13. IPR – het recht van toepassing op contractuele verbintenissen” in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2020, nr. 57.
(4)J. DE MEYER en J. ERAUW, “Het recht van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst volgens de nieuwe Rome I-Verordening” in J. ERAUW en P. TAELMAN (eds.), Nieuw internationaal privaatrecht: meer Europees, meer globaal, Postuniversitaire cyclus Willy Delva, Mechelen, Kluwer 2009, 298, nr. 34.
(5)31.10.1980, Pb. 1980, C 282/1.
(6)31.10.1980, Pb. 1980, C 282/1, p. 17.
(7)COM
(2002)654.
(8)COM
(2002)654, p. 27.
(9)COM
(2005)650.
(10)COM
(2005)650, p. 5.
(11)U. MAGNUS, “Art. 3 Rom I-VO Freie Rechtswahl” in U. MAGNUS (ed.), J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, De Gruyter, 2021, nrs. 71-73.
(12)A.P.M.J. VONKEN, “Commentaar op art. 3 EVO” in Tekst en Commentaar Vermogensrecht, Deventer, Kluwer, 2023, 2.a.
(13)R. BERTRAMS en S.A. KRUISINGA, Overeenkomsten in het internationaal privaatrecht en het Weens Koopverdrag, Deventer, Kluwer 2018, 20; APMJ VONKEN, “Commentaar op art. 3 EVO” in Tekst en Commentaar Vermogensrecht, Deventer, Kluwer 2023, 3.c.
(14)I. COUWENBERG, “Artikel 3 Rome I-Verordening” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 452.
(15)Pb. 1980, C 282/18.
(16)R. BERTRAMS en S.A. KRUISINGA, Overeenkomsten in het internationaal privaatrecht en het Weens Koopverdrag, Deventer, Kluwer 2018, 20; U. MAGNUS, “Art. 3 Rom I-VO Freie Rechtswahl” in U. MAGNUS (ed.), J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, De Gruyter 2021, nrs. 82-83.
(17)Zie U. MAGNUS, “Art. 3 Rom I-VO Freie Rechtswahl” in U. MAGNUS (ed.), J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, De Gruyter 2021, nr. 82, met talrijke verwijzingen naar de lagere rechtspraak.
(18)APMJ VONKEN, “Commentaar op art. 3 EVO” in Tekst en Commentaar Vermogensrecht, Deventer, Kluwer 2023, 2.c); zie ook L. VAN BOCHOVE, “Het tinnen jubileum van Rome I: best practices en valkuilen”, NIPR 2020, 221.
(19)APMJ VONKEN, “Commentaar op art. 3 EVO” in Tekst en Commentaar Vermogensrecht, Deventer, Kluwer 2023, 3.c.
(20)I. COUWENBERG, “Artikel 3 Rome I-Verordening” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 454; L. VAN BOCHOVE, “Het tinnen jubileum van Rome I: best practices en valkuilen”, NIPR 2020, 220.
(21)Rapport GIULIANO/LAGARDE, Pb. 1980, C 282/28.
(22)G. VAN CALSTER, “Artikel 10 Rome I-Verordening” in I. COUWENBERG, A. HANSEBOUT en L. VANFRAECHEM (eds.), Internationaal privaatrecht, Duiding, Brussel, Larcier 2014, 477.
(23)U. MAGNUS, “Art. 3 Rom I-VO Freie Rechtswahl” in U. MAGNUS (ed.), J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Berlijn, De Gruyter 2021, nrs. 169 en 171.
(24)Bestreden arrest, p. 19, 2de alinea.
(25)Met name op p. 23 van de syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021, waar de eerste eiseres aanvoert dat die vordering in elk geval buiten de korte termijn van artikel 1648 Oud BW is ingesteld.
(26)Met name op p. 41 en 42 van de syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021, waarin de eerste eiseres aanvoert dat er geen sprake is van een verborgen gebrek, nu de tweede verweerster, als professionele koper, de vermeende gebreken had kunnen ontdekken en deze heeft aanvaard door deze niet te melden aan de eerste eiseres, de verkoper.
(27)Syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021 van eiseressen, p. 16.
(28)Syntheseberoepsconclusie van 7 december 2021 van eiseressen, p. 81. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.