← België

CNUDDE nv contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.2 Rolnummer: C.23.0100.N Zaak: CNUDDE nv contra M. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Unierecht Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 392 - laatst gezien 2026-06-15 06:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.2 Fiches 1 - 2 Zodra de inhoudelijke grondslag van de aansprakelijkheid erin bestaat dat een gebrekkig product in het verkeer werd gebracht en schade heeft veroorzaakt, kunnen de producent en de leverancier slechts aansprakelijk gesteld worden en kan het slachtoffer slechts vergoeding verkrijgen binnen de voorwaarden van het objectieve aansprakelijkheidsstelsel van de Wet Productaansprakelijkheid, hetgeen voortvloeit uit het hoofddoel van de Richtlijn Productaansprakelijkheid om, door middel van een maximumharmonisatie, de verschillen weg te werken tussen de nationale aansprakelijkheidsstelsels voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten, ten behoeve van de verwezenlijking van de interne markt en de vrijwaring van de vrije mededinging tussen marktdeelnemers

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - BIJZONDERE AANSPRAKELIJKHEID - Allerlei Wettelijke bepalingen: Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-07-1985 - Art. 1 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 4, § 2, 1° - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 5, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 7 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 11, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 12, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-07-1985 - Art. 1 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 4, § 2, 1° - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 5, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 7 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 11, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 12, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Wet 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken - 25-02-1991 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1991009354 Fiche 3 De Wet Productaansprakelijkheid laat het stelsel van buitencontractuele foutaansprakelijkheid, vervat in de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, slechts onverlet voor zover de aansprakelijkheid op een andere inhoudelijke grondslag berust, dit is op een onrechtmatige daad die niet louter erin bestaat een gebrekkig product in het verkeer te hebben gebracht; dat dit aansprakelijkheidsstelsel het slachtoffer een hoger niveau van bescherming zou kunnen bieden, staat hieraan niet in de weg
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2024, nr. 4, p. 454-
  1. - VERHOEVEN, Dimitri; BUELENS, Wannes; Noot'De wet productaansprakelijkheid als dwingend aansprakelijkheidsregime' TBBR-Tijdschrift voor Belgisch burgerlijk recht - 2024, nr. 8, p. 387-
  2. - LENAERTS, Annekatrien; Noot'Aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten: eerherstel van de geharmoniseerde objectieve productaansprakelijkheid ten opzichte...' JT-Journal des tribunaux - 2024, n° 6994, p. 525-
  3. - CUVELIER, François; Note'Responsabilité du fait des produits défectueux: la loi du 25 février 1991 est exclusive du droit commun pour toute action contre le producteur fondée sur le (seul) défaut...' NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2024, nr. 511, p.
  4. - BORUCKI, Christopher; Noot'Inverkeerbrenging en levering onveilig product als onzorgvuldigheid' Tekst van de conclusie C.23.0100.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (...) Bespreking. Het middel, eerste onderdeel.
  5. Eiseressen voeren aan dat de appelrechter, door te oordelen dat eiseressen gehouden zijn tot vergoeding van de door verweerders geleden schade op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm zoals vervat in de artikelen 1382 en 1383 Oud BW, waarbij de fout van eiseressen er louter in bestaat een onveilig product in het verkeer te hebben gebracht, respectievelijk te hebben verkocht, zonder daarbij na te gaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid zoals bepaald in de Wet Productaansprakelijkheid, de volgende bepalingen schendt: - de artikelen 13 van de Richtlijn Productaansprakelijkheid en 13 van de Wet Productaansprakelijkheid, op grond waarvan de aansprakelijkheid van de producent en de leverancier voor schade veroorzaakt door een gebrek in het product exclusief geregeld wordt door de Richtlijn Productaansprakelijkheid en de Wet Productaansprakelijkheid, - de artikelen 1-4, 6, 9 en 10 van de Richtlijn Productaansprakelijkheid, 288, derde lid VWEU en 1-7, 11 en 12 van de Wet Productaansprakelijkheid, die de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de producent en de leverancier bepalen op een wijze die afwijkt van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid zoals bepaald door de artikelen 1382 en 1383 Oud BW, - de artikelen 1382 en 1383 Oud BW op grond waarvan er enkel tot een schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm kan worden besloten wanneer wordt vastgesteld dat de aansprakelijke persoon niet gehandeld heeft zoals van een normaal voorzichtige en oplettende persoon die in dezelfde omstandigheden verkeert, kan worden verwacht.
  6. De vraag rijst of en in hoeverre het specifieke objectieve aansprakelijkheidsstelsel dat werd ingevoerd door Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juni 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, kortweg “Richtlijn Productaansprakelijkheid”, die in de Belgische rechtsorde werd omgezet door de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, kortweg “Wet Productaansprakelijkheid”, zich ertegen verzet dat een slachtoffer (een derde) ten aanzien van de producent of de leverancier vergoeding vordert van schade veroorzaakt door het in het verkeer brengen of het verkopen van een gebrekkig/onveilig product, op grond van de gemeenrechtelijke buitencontractuele foutaansprakelijkheid, vervat in artikel 1382 Oud BW. Deze zaak betreft zodoende, in lijn met het middel, de verhouding tussen de productaansprakelijkheid en de buitencontractuele foutaansprakelijkheid wegens schending van de zorgvuldigheidsnorm.
  7. De Wet Productaansprakelijkheid bevat een regime van objectieve aansprakelijkheid van de producent (of de persoon die met hem wordt gelijkgesteld) voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten (artikel 1 van de Wet en Richtlijn Productaansprakelijkheid). Het slachtoffer krijgt immers een recht op vergoeding zodra het bewijst dat het onder de regeling vallende schade heeft geleden die werd veroorzaakt door een gebrekkig product (artikel 7 Wet Productaansprakelijkheid en artikel 4 Richtlijn Productaansprakelijkheid). Een product wordt als gebrekkig beschouwd indien het niet de veiligheid biedt die men mag verwachten, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden, waaronder de presentatie van het product, het redelijkerwijze voorzienbare gebruik van het product en het ogenblik waarop het product in het verkeer is gebracht (artikel 5 Wet Productaansprakelijkheid en artikel 6 Richtlijn Productaansprakelijkheid). Het aansprakelijkheidscriterium is uitsluitend het in het verkeer brengen van een gebrekkig product, zonder dat een fout van de aangesproken persoon vereist zou zijn. Ook indien het slachtoffer en de producent contractpartijen zijn, kan het slachtoffer een beroep doen op de wet. Alle schadelijders, contractpartijen of derden, worden door de wet immers gelijk behandeld
(1). De aangesproken persoon kan zich onder bepaalde omstandigheden evenwel bevrijden van zijn aansprakelijkheid, onder meer indien hij bewijst dat het op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht onmogelijk was op basis van de toenmalige stand van de wetenschappelijke en technische kennis het bestaan van het gebrek te ontdekken (artikel 8, e), Wet Productaansprakelijkheid en artikel 7, e), Richtlijn Productaansprakelijkheid: dit komt neer op een onoverwinnelijke onnaspeurbaarheid van het gebrek). Voor de toepassing van het stelsel van objectieve aansprakelijkheid gebaseerd op de Wet Productaansprakelijkheid gelden specifieke dwingende voorwaarden, die voor de consument/gebruiker soms strenger of beperkender kunnen zijn dan de voorwaarden die gelden onder het gemeenrechtelijke regime van de foutaansprakelijkheid. Ten eerste rust de productaansprakelijkheid slechts onder beperkte voorwaarden op de leverancier. Zij rust in beginsel op de producent en, indien de schade werd veroorzaakt door een gebrekkig product dat werd ingevoerd van buiten de Europese Unie, op de invoerder. De leverancier is enkel aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrekkig product dat hij heeft geleverd, indien hij een in de Europese Unie vervaardigd product heeft geleverd waarvan niet kan worden vastgesteld wie de producent is of indien hij een in de Europese Unie ingevoerd product heeft geleverd waarvan niet kan worden vastgesteld wie de invoerder is (artikel 4 Wet Productaansprakelijkheid en artikel 3 Richtlijn Productaansprakelijkheid). Ten tweede gelden er beperkingen inzake de vergoedbare schade. De aansprakelijkheid is beperkt tot de schade toegebracht aan personen, met inbegrip van morele schade, en de schade toegebracht aan goederen, andere dan het gebrekkige product zelf, die gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik of verbruik in de privésfeer en die door het slachtoffer hoofdzakelijk ook zo zijn gebruikt, in de mate dat deze het bedrag van een franchise van 500 euro overstijgt (artikel 11 Wet Productaansprakelijkheid en artikel 9 Richtlijn Productaansprakelijkheid). Ten slotte moet de vordering worden ingesteld binnen een kortere verjaringstermijn dan de gemeenrechtelijke, namelijk binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop het slachtoffer kennis had of redelijkerwijze moest hebben van het feit dat hij deze vordering bezit, wat een kennis onderstelt van de constitutieve elementen ervan: zijn schade, het gebrek en het causaal verband tussen beide, en de identiteit van de aan te spreken persoon (artikel 12, § 2, Wet Productaansprakelijkheid en artikel 10 Richtlijn Productaansprakelijkheid). Bovendien kan de vordering niet meer worden ingesteld na een vervaltermijn van tien jaar sinds het ogenblik waarop het product door de aangesproken persoon in het verkeer werd gebracht (artikel 12, § 1, Wet Productaansprakelijkheid en artikel 11 Richtlijn Productaansprakelijkheid). (…) De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in drie kernarresten van 25 april 2002 met betrekking tot de uitleg van artikel 13 Richtlijn Productaansprakelijkheid, lijkt mij duidelijk. Het Hof van Justitie benadrukt in deze zaken immers dat “de richtlijn, zoals uit de eerste overweging van de considerans blijkt, door het instellen van een geharmoniseerd stelsel van burgerlijke aansprakelijkheid van producenten voor door gebrekkige producten veroorzaakte schade, beantwoordt aan de doelstelling de onvervalste mededinging tussen de marktdeelnemers te waarborgen, het vrij verkeer van goederen te vergemakkelijken, en verschillen in het niveau van de consumentenbescherming te vermijden.” Het Hof van Justitie oordeelt vervolgens dat de Richtlijn geen enkele bepaling bevat die de lidstaten expliciet toestaat om inzake de door de richtlijn geregelde kwesties strengere maatregelen vast te stellen ter verhoging van het beschermingsniveau van consumenten. Het Hof van Justitie besluit dat de richtlijn voor de punten die zij regelt een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft
(2). Uit deze arresten blijkt dus dat niet de maximale bescherming van de consument het hoofddoel is van de Richtlijn, maar wel het wegwerken van de verschillen tussen nationale aansprakelijkheidsregimes toegepast op gevallen waarin schade wordt verhaald op de producent, invoerder of leverancier van een gebrekkig product. Het doel is met andere woorden een maximale harmonisatie van het objectief aansprakelijkheidsstelsel voor schade veroorzaakt door het in het verkeer brengen van een gebrekkig product, ten behoeve van de interne markt en de vrije mededinging binnen de Europese Unie, in het belang van de producenten, invoerders en leveranciers
(3). Op grond hiervan oordeelt het Hof van Justitie in de voornoemde arresten van 25 april 2002 dat artikel 13 van de Richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemeen aansprakelijkheidsstelsel inzake gebrekkige producten te handhaven dat verschilt van het stelsel van de richtlijn. Het Hof van Justitie oordeelt dat “de verwijzing in artikel 13 van de richtlijn naar de rechten die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid aldus moet worden uitgelegd dat het door de richtlijn ingevoerde stelsel, op grond waarvan de gelaedeerde volgens artikel 4 schadevergoeding kan vragen wanneer hij de schade, het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussen dit gebrek en de schade bewijst, niet de toepassing uitsluit van andere stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid die op een andere grondslag berusten, zoals de aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken of onrechtmatige daad”
(4). Het Hof van Justitie besliste op die basis in zijn eerste twee arresten van 25 april 2002 dat Griekenland en Frankrijk geen nationale objectieve aansprakelijkheden voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten aan goederen zonder franchise mochten handhaven, ook al zou dergelijke regeling de consument een grotere bescherming bieden. Het Hof oordeelde dat deze begrenzing van de aansprakelijkheid het resultaat is van een gecompliceerd afwegingsproces tussen verschillende belangen, waarbij het vermijden van handelsbelemmeringen voorop stond. Het was de expliciete keuze van de Uniewetgever het aantal beroepen te beperken door te beslissen slachtoffers van geringe materiële schade geen toegang te geven tot een objectieve aansprakelijkheid
(5). Frankrijk mocht evenmin een regime van nationale objectieve aansprakelijkheid handhaven waarbij de leverancier van een gebrekkig product steeds en onder dezelfde voorwaarden als de producent aansprakelijk was. Het Hof van Justitie oordeelde dat de Uniewetgever bevoegd is om te bepalen bij wie de geharmoniseerde aansprakelijkheid wordt gelegd en onder welke voorwaarden. Volgens het Hof van Justitie zou de mogelijkheid die in de Franse wet aan de leverancier wordt gelaten om de producent in vrijwaring op te roepen een aanzienlijke toename van dit soort vorderingen tot gevolg hebben, wat de Uniewetgever met het voorzien van een rechtstreekse vordering van het slachtoffer tegen de producent juist heeft willen vermijden
(6). In het derde arrest van 25 april 2002 was de vraag aan de orde of de omzetting van de Richtlijn Productaansprakelijkheid als gevolg kon en mocht hebben dat de rechten die de consumenten op basis van het nationale recht genoten niet werden uitgebreid maar, omgekeerd, werden beperkt. In casu waren de rechten waarop de consumenten/gebruikers zich konden beroepen krachtens een Spaanse wet die voorzag in een stelsel van objectieve aansprakelijkheid voor gebrekkige producten in de gezondheidszorg, uitgebreider dan de rechten die zij hadden op grond van de Spaanse omzettingswet van de Richtlijn Productaansprakelijkheid. Het Hof van Justitie oordeelde evenwel dat een stelsel van aansprakelijkheid van de producent dat op dezelfde grondslag berust als het door de richtlijn ingevoerde stelsel en niet tot een bepaalde productiesector is beperkt, niet onder een van de aansprakelijkheidsregelingen valt waarnaar artikel 13 Richtlijn verwijst. Deze bepaling kan in dat geval niet worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de handhaving van nationale bepalingen die een grotere bescherming bieden dan deze van de richtlijn
(7). In zijn arrest van 10 januari 2006, C-402/03, Skov oordeelde het Hof van Justitie in dezelfde lijn dat de vaststelling dat de omzetting van de Richtlijn in een lidstaat als gevolg heeft dat het niveau van consumentenbescherming wordt verlaagd, geen reden is om afwijkingen van de richtlijnbepalingen toe te laten. Het behoort immers tot de bevoegdheid van de Uniewetgever om dit niveau van bescherming te bepalen (r.o. 44). Om die reden mocht Denemarken geen nationale regeling voorzien die op de leverancier, buiten de in art. 3, derde lid, van de richtlijn limitatief opgesomde gevallen, de door deze richtlijn ingevoerde en op de producent gelegde risicoaansprakelijkheid liet rusten. Daarentegen verzet de Richtlijn zich volgens het Hof van Justitie niet tegen een nationale regeling die de aansprakelijkheid van de producent wegens onrechtmatige daad (dit is op een andere grondslag) zonder beperkingen op de leverancier laat rusten (r.o. 45 en 47-48). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt mijns inziens aldus eenduidig dat alleen nationale aansprakelijkheden die berusten op een andere inhoudelijke grondslag dan de geharmoniseerde objectieve aansprakelijkheid, onverkort mogen worden gehandhaafd. Deze inhoudelijk grondslag is, volgens de hierboven geciteerde overweging van het Hof van Justitie, de feitelijke vaststelling van het bestaan van
(1)een bepaald soort schade die
(2)werd veroorzaakt door
(3)een gebrekkig/onveilig product dat
(4)door de aangesproken persoon in het verkeer werd gebracht. Hiervan moet het slachtoffer het bewijs leveren
(8). Het volstaat niet om op te werpen dat de te handhaven nationale aansprakelijkheidsregeling een andere vormelijke of wettelijke basis heeft dan de bepalingen waarmee de lidstaat de Richtlijn Productaansprakelijkheid in de nationale rechtsorde heeft omgezet. Het resultaat van de Richtlijn zou dan immers niet kunnen worden bereikt (zoals vereist door art. 288, derde lid, VWEU). De betekenis van de Richtlijn zou afhankelijk zijn van de terminologie of van de vormelijke keuzes die de lidstaten maken bij de omzetting ervan, waardoor de Richtlijn geen geharmoniseerde betekenis zou hebben en de inhoud ervan altijd zou kunnen worden ontweken
(9). Hieruit volgt dat zodra een deelnemer aan het productie- en distributieproces aansprakelijk wordt gesteld louter omdat wordt aangetoond dat hij een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht dat schade heeft veroorzaakt – dit is op basis van dezelfde inhoudelijke, geharmoniseerde grond als die van de Richtlijn – de voorwaarden van de Wet Productaansprakelijkheid moeten worden nageleefd, gelet op de maximumharmonisatie door de Richtlijn. Dit geldt zelfs indien de aansprakelijkheid in het nationale recht op een andere formele rechtsgrond berust, zoals artikel 1382 Oud BW, namelijk een schending van de zorgvuldigheidsnorm door het enkele in het verkeer brengen van een gebrekkig product, en zelfs indien het nationale aansprakelijkheidsregime een hogere bescherming van de consument zou kunnen bieden. (…) Een nationaal stelsel van buitencontractuele foutaansprakelijkheid, zoals artikel 1382 Oud BW, dat wordt toegepast zonder dat een onrechtmatige daad moet worden bewezen die uit iets anders bestaat dan het in het verkeer hebben gebracht van een gebrekkig product, vormt zoals gezegd immers een met de Richtlijn strijdige route om te ontsnappen aan de beperkingen die gelden in de productaansprakelijkheid (nl. de kortere termijnen, de franchise, de beperkte verhaalsmogelijkheid tegen de leverancier). Een dergelijke ontsnappingsroute zou de toepassing van de richtlijn volledig uithollen en het hoofddoel ervan om, via een maximumharmonisatie, de verschillen tussen de lidstaten weg te werken en de vrije mededinging te vrijwaren, precies ondermijnen
(10). De uitleg die het Hof van Justitie aan artikel 13 Richtlijn Productaansprakelijkheid geeft, waaruit blijkt dat een ander nationaal aansprakelijkheidsstelsel slechts kan worden gehandhaafd voor zover het op een andere inhoudelijke grondslag rust dan het loutere in het verkeer brengen van een gebrekkig product dat schade heeft veroorzaakt, wordt ten eerste bevestigd in het Voorstel van de Europese Commissie voor een Richtlijn inzake aansprakelijkheid voor producten met gebreken van 28 september 2022
(11), ter aanpassing van de huidige Richtlijn Productaansprakelijkheid. Punt 9 van de considerans luidt immers: “in de rechtsstelsels van de lidstaten kan een gelaedeerde een recht op schadevergoeding hebben op grond van contractuele aansprakelijkheid of op grond van niet-contractuele aansprakelijkheid die geen verband houdt met de gebreken van een product, bijvoorbeeld de aansprakelijkheid op grond van garantie of schuld.” Artikel 2 (“toepassingsgebied”) bepaalt in zijn derde lid, onder c), in dezelfde zin dat “deze richtlijn geen afbreuk doet aan de rechten die de gelaedeerde ontleent aan de nationale voorschriften inzake contractuele aansprakelijkheid of niet-contractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan de gebreken van een product (…).” Met een “andere grondslag” wordt dus niet de formele rechtsgrond bedoeld, maar wel de inhoudelijke aansprakelijkheidsgrond, die niet mag steunen op het loutere bewijs door het slachtoffer van een in het verkeer gebracht gebrekkig product, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide. (…) Gelet op de besproken duidelijke rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals bekrachtigd in het Voorstel van de Europese Commissie tot een aangepaste Richtlijn Productaansprakelijkheid (…), lijkt er mij geen aanleiding te zijn om de in het middel in ondergeschikte orde gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. (…) Het eerste onderdeel van het middel komt mij dan ook gegrond voor. Dat verweerders hun vordering voor de appelrechter slechts op artikel 1382 Oud BW hebben gesteund, doet hieraan geen afbreuk. De appelrechter had immers ambtshalve de juiste rechtsregel moeten toepassen (nl. de Wet Productaansprakelijkheid) op de in het bijzonder door partijen aangevoerde feiten ter staving van hun verweer. Aan de vordering van verweerders tot betaling van een schadevergoeding door de eiseressen liggen immers als basisfeiten ten grondslag dat
(1)een gebrekkig/onveilig product in het verkeer was gebracht en
(2)dit gebrekkig product schade aan de verweerders had veroorzaakt. In het licht van deze in het bijzonder aangevoerde feiten drong de toepassing van de Wet Productaansprakelijkheid zich in het bijzonder aan de appelrechter op. Dit lijkt mij des te meer het geval nu verweerders in hun beroepsconclusie zelf preciseren dat zij zich niet op de Wet Productaansprakelijkheid baseren, gelet op het eerbiedigend/aanvullend karakter ervan ten overstaan van het gemene aansprakelijkheidsrecht. De verweerders voeren aan dat zij zich op artikel 1382 Oud BW steunen, aangezien zij via deze bepaling een ruimere bescherming kunnen genieten. Nu ook de Wet Productaansprakelijkheid de bescherming van de consument als doelstelling zou hebben, zou die wet volgens de verweerders de nationale buitencontractuele aansprakelijkheidsregels onverlet laten, wanneer zij ook een doeltreffende bescherming van de consument voor ogen hebben
(12). De toepassing van de Wet Productaansprakelijkheid was dus in het debat. Het middel gesteund op de Wet Productaansprakelijkheid is dan ook niet nieuw. (...) _________________________________
(1)I. BOONE en S. GUILIAMS, “Productaansprakelijkheid en productveiligheid” in B. TILLEMAN en E. TERRYN (eds.), Handels- en economisch recht, Deel 1, Ondernemingsrecht, Vol. B in Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Mechelen, Kluwer 2011, nr. 1838; M. KRUITHOF, “Wie is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onveilige producten?” in Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Mechelen, Kluwer 2015, 148, nr. 5.
(2)HvJ 25 april 2002, C-52/00, Commissie t. Frankrijk, r.o. 16-19 en 24, C-154/00, Commissie t. Griekenland, r.o. 12-15 en 20 en C-183/00, González Sánchez, r.o. 25-28.
(3)M. KRUITHOF, “Wie is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onveilige producten?” in Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Mechelen, Kluwer 2015, 165, nr. 32; voor Frankrijk: J.-S. BORGHETTI, “La responsabilité du fait des produits et la protection des intérêts professionnels”, Recueil Dalloz 2009, 1731, nrs. 8 en 9; T. RIEHM, “Produits défectueux: quel avenir pour les droits communs? L’influence communautaire sur les droits français et allemand”, Recueil Dalloz 2007, 2749, nrs. 12-13 en 27.
(4)HvJ 25 april 2002, C-52/00, Commissie t. Frankrijk, r.o. 21-22, C-154/00, Commissie t. Griekenland, r.o. 17-18 en C-183/00, González Sánchez, r.o. 30-31; bevestigd in HvJ 10 januari 2006, C-402/03, Skov, r.o. 39 en 47; HvJ 4 juni 2009, C-285/08, Moteurs Leroy Somer, r.o. 22-23.
(5)HvJ 25 april 2002, C-52/00, Commissie t. Frankrijk, r.o. 29-30 en C-154/00, Commissie t. Griekenland, r.o. 29-30.
(6)HvJ 25 april 2002, C-52/00, Commissie t. Frankrijk, r.o. 39-40.
(7)HvJ 25 april 2002, C-183/00, Gonzáles Sánchez, r.o. 33). Het Hof van Justitie besloot dat “de rechten die de wetgeving van een lidstaat aan slachtoffers van door gebrekkige producten veroorzaakte schade verleent krachtens een algemene aansprakelijkheidsregeling die op dezelfde grondslag berust als de door de Richtlijn ingevoerde regeling, beperkt of geringer kunnen zijn ingevolge de omzetting van de richtlijn in het interne recht van de betrokken staat”, r.o. 34.
(8)M. KRUITHOF, “Wie is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onveilige producten?” in Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Mechelen, Kluwer 2015, 171, nr. 44; T. RIEHM, “Produits défectueux: quel avenir pour les droits communs? L’influence communautaire sur les droits français et allemand”, Recueil Dalloz 2007, 2749, nr. 24.
(9)M. KRUITHOF, ibid.; T. RIEHM, “Produits défectueux: quel avenir pour les droits communs? L’influence communautaire sur les droits français et allemand”, Recueil Dalloz 2007, 2749, nrs. 21-23.
(10)M. KRUITHOF, “Wie is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onveilige producten?” in Aansprakelijkheid, veiligheid en kwaliteit, Mechelen, Kluwer 2015, 191-192, nr. 74; T. RIEHM, “Produits défectueux: quel avenir pour les droits communs? L’influence communautaire sur les droits français et allemand”, Recueil Dalloz 2007, 2749, nr. 27.
(11)COM
(2022)495 final.
(12)Beroepsconclusie van de verweerders van 15 november 2021, p. 16-17, nr. 25. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.