← België

S. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.3 Rolnummer: C.23.0240.N Zaak: S. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 720 - laatst gezien 2026-06-18 19:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.3 Fiche 1 Dat de voor de strafrechter ingestelde burgerlijke vordering een accessorium is van de strafvordering, betekent dat, wanneer het vonnisgerecht oordeelt dat de strafvordering inzake bepaalde tenlasteleggingen onontvankelijk is op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering, het geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van die burgerlijke vordering, voor zover gegrond op dezelfde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 2 - 3 Wanneer de strafrechter oordeelt dat hij geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de burgerlijke vordering voor zover gegrond op dezelfde strafrechtelijk ten laste gelegde feiten, is er geen sprake van een eindbeslissing van het vonnisgerecht over de gegrondheid van de burgerlijke vordering betreffende de ten laste gelegde feiten, zodat de artikelen 23 tot en met 25 Gerechtelijk Wetboek inzake het gezag van het rechterlijk gewijsde niet eraan in de weg staan dat diezelfde vordering, voor zover gegrond op dezelfde feiten, na de uitspraak van de strafrechter nog voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0240.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (...) Bespreking. Eerste onderdeel van het middel.
  1. Eiser voert aan dat de appelrechter, door de voor de burgerlijke rechter ingestelde vordering tot schadevergoeding tegen verweerders, in zoverre gesteund op feiten die eerder strafrechtelijk als tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G waren omschreven, te verwerpen omwille van het gezag van rechterlijk gewijsde verbonden aan de beslissing van de correctionele rechtbank Brugge van 10 november 2015, de artikelen 2, 23 (zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018), 24 en 25 Gerechtelijk Wetboek schendt.
  2. Artikel 23 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing op het geschil, dit is in zijn versie van vóór de wijziging ervan bij wet van 21 december 2018
(1), bepaalt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uitstrekt dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. Krachtens artikel 24 Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak. Artikel 25 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. Artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters kan worden vervolgd als de strafvordering en dat zij ook afzonderlijk kan worden vervolgd; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld. De voor de strafrechter ingestelde vordering is aldus een accessorium van de strafvordering
(2). Uit het accessoriumkarakter van de burgerlijke vordering ten overstaan van de strafvordering volgt dat de strafrechter enkel rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de burgerlijke vordering op voorwaarde dat op het ogenblik van de instelling van de burgerlijke vordering, een ontvankelijke strafvordering bestaat en dat deze strafvordering samen of voorafgaand aan de burgerlijke vordering voor het vonnisgerecht wordt aanhangig gemaakt
(3). Er moet een onderscheid worden gemaakt naargelang een grond van verval van de strafvordering intreedt vóór of tijdens de procedure voor het vonnisgerecht. Indien, enerzijds, de strafvordering was vervallen vóór of op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering bij het vonnisgerecht, kan dit vonnisgerecht evenmin oordelen over de burgerlijke vordering, gelet op het accessoriumkarakter ervan. Tot op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering bij het vonnisgerecht, moet immers een ontvankelijke strafvordering kunnen dienen als “drager” van de burgerlijke vordering
(4). Zo oordeelde het Hof in een arrest van 3 mei 1988
(5), inzake de verjaring als grond van verval van de strafvordering, dat “de strafrechter, wanneer de strafvordering vervallen is (door verjaring) vooraleer de civielrechtelijke vordering bij hem aanhangig is, van deze laatste geen kennis kan nemen”
(6). In een arrest van 14 oktober 2015
(7)oordeelde het Hof opnieuw dat, krachtens artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de strafrechter, wanneer de strafvordering vervallen is door verjaring, slechts van de burgerlijke vordering kennis kan nemen op voorwaarde dat deze vóór de verjaring van de strafvordering bij hem is aangebracht. In een duidelijk arrest van 28 september 2010
(8)oordeelde het Hof in dezelfde zin dat uit “artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de burgerlijke rechtsvordering slechts samen met een ontvankelijke strafvordering bij de strafrechter aanhangig mag worden gemaakt en dat wanneer het vonnisgerecht oordeelt dat de strafvordering op het ogenblik van de verwijzing door het onderzoeksgerecht reeds vervallen was door verjaring, het geen rechtsmacht meer heeft om te oordelen over de burgerlijke vordering”. Dit geldt volgens het Hof “ook al dateert de geldige burgerlijke partijstelling [voor de onderzoeksrechter] van vóór het verval van de strafvordering”
(9). Beslissend is immers het ogenblik waarop de burgerlijke vordering voor het vonnisgerecht aanhangig wordt gemaakt (hier door verwijzing door het onderzoeksgerecht): op dat ogenblik was de strafvordering reeds vervallen, zodat het vonnisgerecht geen rechtsmacht had om uitspraak te doen over de voor hem gebrachte burgerlijke vordering. Het Hof sprak zich ook reeds uit over andere gronden van verval van de strafvordering, ingetreden vóór of op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering bij de strafrechter. Zo oordeelde het Hof in een arrest van 12 februari 1974
(10), inzake het gezag van gewijsde: “overwegende dat het rechterlijke gewijsde dat tegelijk het verval van de strafvordering meebracht, die strafvordering, op grond van de vermelde tenlastelegging, onontvankelijk maakte met het gevolg dat het hof van beroep zonder jurisdictie was, niet alleen om uit dien hoofde een straf of een maatregel uit te spreken, maar ook om te beslissen dat de beklaagde zich aan bedoelde feiten schuldig had gemaakt (…) dat nu de rechter de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering had moeten vaststellen, hij meteen ook moest besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de tegen eiseres ingestelde civielrechtelijke vordering die steunde op het misdrijf dat het voorwerp uitmaakte van de niet-ontvankelijke strafvordering”
(11). Daarnaast oordeelde het Hof in een arrest van 8 september 2015
(12)dat ingevolge het overlijden van de verweerder, de tegen hem ingestelde strafvordering vervalt, zodat het onderzoeksgerecht geen rechtsmacht meer heeft om uitspraak te doen over de daarop geënte burgerlijke vordering. Ten slotte oordeelde het Hof in een arrest van 18 december 2018
(13)dat de burgerlijke vordering slechts op een ontvankelijke wijze bij de strafrechter aanhangig kan worden gemaakt indien de strafvordering op dat ogenblik niet reeds is vervallen. Die regel geldt ook indien het verval van de strafvordering is ingetreden op grond van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering (namelijk door betaling van de door het OM voorgestelde geldsom in het kader van een minnelijke regeling). In een arrest van 6 mei 1993
(14)preciseerde het Hof dat de wetsartikelen inzake het verval van de strafvordering geen limitatieve opsomming vormen en niet verhinderen dat de strafvordering op andere gronden niet ontvankelijk wordt verklaard. In casu had de appelrechter de strafvordering niet ontvankelijk verklaard wegens schending van het recht van verdediging van de beklaagden ingevolge hun verhoor onder eed door een parlementaire onderzoekscommissie (waarbij het verslag werd toegevoegd aan het lopende strafonderzoek). Het Hof oordeelde dat de appelrechter zijn beslissing naar recht heeft verantwoord door, na te hebben beslist dat de strafvordering op het ogenblik waarop het vonnisgerecht werd gevat, niet ontvankelijk was, zich zonder rechtsmacht te achten om te oordelen over de civielrechtelijke vorderingen. Recentere voorbeelden waarin de strafvordering op een andere grond onontvankelijk werd verklaard op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering voor het vonnisgerecht, zodat het vonnisgerecht geen rechtsmacht had om kennis te nemen van de burgerlijke vordering, vormen de arresten van 8 oktober 2013
(15)en 5 september 2023
(16). Het Hof oordeelde in zijn arrest van 8 oktober 2013
(17)dat “de bevoegdheid van de strafrechter om te oordelen over de burgerlijke vordering van de administratie tot betaling van ontdoken rechten veronderstelt dat op het ogenblik van de aanhangigmaking van die burgerlijke vordering de strafrechter regelmatig was geadieerd van overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden als bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA. (…) De strafrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van een burgerlijke vordering van de administratie tot betaling van ontdoken rechten die tezelfdertijd werd ingesteld als de strafvordering, indien de strafvordering wegens miskenning van het specialiteitsbeginsel niet ontvankelijk is.” Het specialiteitsbeginsel vloeide voort uit de op het geding toepasselijke Uitleveringsovereenkomst tussen België en Siam. Het hield in dat de uitgeleverde persoon buiten de in het verdrag bepaalde uitzonderingen niet tegensprekelijk kon worden vervolgd voor enig ander feit vóór de uitlevering begaan, dan het feit dat de reden tot de uitlevering was geweest. Een met het specialiteitsbeginsel strijdige vervolging is niet ontvankelijk. Daarnaast oordeelde het Hof in zijn arrest van 5 september 2023
(18)dat “indien de rechter de strafvordering onontvankelijk verklaart omdat de overschrijding van de redelijke termijn het recht van verdediging van een beklaagde ernstig en onherstelbaar aantast, dit tot gevolg heeft dat hij geen kennis kan nemen van de burgerlijke vordering die is gesteund op de feiten voorwerp van die onontvankelijk verklaarde strafvordering”. Indien, anderzijds, een grond van verval of niet-ontvankelijkheid van de strafvordering intreedt na de aanhangigmaking van de strafvordering bij het vonnisgerecht en de burgerlijke vordering tijdig – dit is vóór het verval van de strafvordering – werd ingesteld, blijft de strafrechter wél bevoegd om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering, ondanks het verval van de strafvordering. Hij kan dan niet meer oordelen over de gegrondheid van de tegen de beklaagde ingestelde strafvordering, maar enkel over de vraag of de beklaagde een onrechtmatige daad heeft gesteld die voldoet aan de constitutieve bestanddelen van het strafbaar feit dat hier ten laste werd gelegd
(19). Indien de strafrechter (het vonnisgerecht) oordeelt dat de strafvordering, voor zover gegrond op bepaalde tenlasteleggingen, onontvankelijk is op het ogenblik van de aanhangigmaking van de burgerlijke vordering, is hij zonder rechtsmacht om te oordelen over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op dezelfde strafrechtelijk tenlastegelegde feiten. Er bestaat dan eenvoudigweg geen uitspraak van de strafrechter over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op de betrokken tenlasteleggingen, waaraan gezag van gewijsde zou kleven. De artikelen 23 tot en met 25 Ger.W. verhinderen dus niet dat, na de uitspraak van de strafrechter, dezelfde burgerlijke vordering nog voor de burgerlijke rechter wordt gebracht, voor zover gesteund op dezelfde als de voordien voor de strafrechter ten laste gelegde feiten. Het gezag van gewijsde op burgerlijk vlak verhindert immers dat een eisende partij een burgerlijke vordering opnieuw instelt met hetzelfde voorwerp, dezelfde oorzaak en tegen dezelfde partij als een daaraan voorafgaande en reeds definitief beslechte vordering
(20). In dit geval heeft de strafrechter de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op de tenlasteleggingen voorwerp van de onontvankelijk verklaarde strafvordering, echter niet definitief beslecht, zodat die vordering wél opnieuw voor de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Hieraan doet geen afbreuk de omstandigheid dat de strafrechter de strafvordering, voor zover zij steunt op een andere tenlastelegging, wél ontvankelijk verklaart; tot de vrijspraak besluit voor die tenlastelegging en de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op de feiten van die tenlastelegging als ongegrond afwijst
(21). De strafrechter doet dan immers slechts definitief uitspraak over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op de feiten van die andere tenlastelegging. De correctionele rechtbank heeft zich in zijn vonnis van 10 november 2015 gebaseerd op de vaste rechtspraak van het Hof op grond waarvan “de akte van aanhangigmaking moet aangeven welke precieze feiten ten laste worden gelegd zodat de beklaagde zich daartegen kan verdedigen”. Het Hof oordeelt dat “enkel wanneer op grond van de omschrijving van een bepaald feit in de akte van aanhangigmaking uit het dossier niet op te maken is welk precies feit bedoeld wordt, het de rechter niet mogelijk is te bepalen welk feit bij hem aanhangig is en hij de strafvordering onontvankelijk kan verklaren”. Het Hof vervolgt echter dat “wanneer de omschrijving van het feit wel is bepaald, maar niet voldoende nauwkeurig is, het aan de rechter staat, nadat hij desgevallend de partijen heeft uitgenodigd daarover standpunt in te nemen, die omschrijving te preciseren met eerbiediging van het recht van verdediging”
(22). De strafrechter kan een strafvordering dus niet ontvankelijk verklaren indien, op basis van de omschrijving van een bepaald feit in de akte van aanhangigmaking, het dossier niet toelaat te bepalen welk precies feit wordt bedoeld, zodat het de rechter niet mogelijk is te bepalen welk feit bij hem aanhangig is
(23). In casu had de correctionele rechtbank aan het openbaar ministerie gevraagd om de omschrijving van de feiten die onder strafbaarstelling A, B, C, D, F en G ten laste werden gelegd, nader te preciseren, maar hieraan had het openbaar ministerie volgens de rechtbank geen gevolg gegeven. De strafrechter verklaarde de strafvordering met betrekking tot de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G dan ook onontvankelijk nu de omschrijving in de dagvaarding zich beperkte tot de wettelijke delictsomschrijving met een lokalisatie naar tijd en ruimte, zonder enige verdere concrete aanduiding van de feiten
(24). Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, het oordeel van de correctionele rechtbank in zijn vonnis van 10 november 2015 met betrekking tot tenlastelegging E en, anderzijds, het oordeel met betrekking tot de overige tenlasteleggingen: - Met betrekking tot tenlastelegging E oordeelt de correctionele rechtbank dat de strafvordering ontvankelijk is maar dat de strafbare feiten die ten laste worden gelegd, niet bewezen worden, zodat de verweerders worden vrijgesproken. Gelet op die vrijspraak, verklaart de strafrechter de burgerlijke vordering van de eiser tegen de verweerders, voor zover gegrond op de strafbare feiten die onder E ten laste werden gelegd (kwaadwillige, schriftelijke, lasterlijke aangifte), ongegrond. Enkel met betrekking tot die onder E ten laste gelegde feiten heeft de strafrechter dus definitief uitspraak gedaan over de gegrondheid van de burgerlijke vordering. Enkel m.b.t. die feiten kan de eiser, na het vonnis van de correctionele rechtbank, dus niet opnieuw dezelfde burgerlijke vordering (in schadevergoeding) tegen de verweerders instellen voor de burgerlijke rechter; - Met betrekking tot de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G oordeelt de correctionele rechtbank echter dat de strafvordering niet ontvankelijk is, nu het op basis van de akte van aanhangigmaking niet mogelijk is voor de rechter om uit het dossier op te maken welke precieze feiten ten laste worden gelegd. Hij had dus geen rechtsmacht om uitspraak te doen over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op de feiten die onder A, B, C, D, F en G ten laste werden gelegd (laster, aanranding van de eerbaarheid, als openbaar ambtenaar onwettige kennisname van niet voor publiek toegankelijke informatie, schending van het beroepsgeheim, als openbaar ambtenaar plegen van valsheid in geschriften en als openbaar ambtenaar begaan van passieve omkoping). De correctionele rechter neemt in zijn oordeel over de burgerlijke vordering alles samen: hij wijst de burgerlijke vordering globaal als ongegrond af “gelet op de onontvankelijkheid van de strafvordering voor wat betreft de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G en de verleende vrijspraak voor tenlastelegging E”. Indien hij helemaal correct was geweest, had hij zijn oordeel moeten opsplitsen: hij had de burgerlijke vordering ongegrond moeten verklaren met betrekking tot de tenlastelegging E en zich zonder rechtsmacht moeten verklaren om kennis te nemen van de burgerlijke vordering met betrekking tot de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G. De correctionele rechtbank heeft dus het verkeerde etiket geplakt op de gevolgen van de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering: inzake die tenlasteleggingen heeft hij tot de ongegrondheid van de burgerlijke vordering besloten in plaats van zich zonder rechtsmacht te verklaren. Het is evenwel duidelijk dat de correctionele rechtbank inhoudelijk geen uitspraak heeft gedaan over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gegrond op de feiten die onder A, B, C, D, F en G strafrechtelijk ten laste werden gelegd. De beslissing bevat, inzake die tenlasteleggingen, geen dragende motieven die een beoordeling over de gegrondheid ondersteunen. Met betrekking tot tenlastelegging E is dat anders: daar draagt het motief van de vrijspraak voor de onder E tenlastegelegde feiten de ongegrondheid van de burgerlijke vordering voor zover gegrond op die feiten. Ongeacht de gebruikte bewoordingen, heeft de correctionele rechter dus in werkelijkheid geen uitspraak gedaan over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gegrond op de feiten die onder strafbaarstellingen A, B, C, D, F en G ten laste werden gelegd. Hij heeft in werkelijkheid niet méér gedaan dan zich zonder rechtsmacht te verklaren, nu de strafvordering met betrekking tot die tenlasteleggingen niet ontvankelijk was (hij geeft ook enkel de niet-ontvankelijkheid aan als motief van zijn afwijzing van de burgerlijke vordering m.b.t. die tenlasteleggingen: “gelet op de onontvankelijkheid voor wat betreft de tenlasteleggingen A, B, C, D, F en G”). Nu de strafrechter geen uitspraak heeft gedaan over de gegrondheid van de burgerlijke vordering, voor zover gesteund op de feiten ten laste gelegd onder A, B, C, D, F en G, verhindert het beginsel van het gezag van het rechterlijk gewijsde (artikel 23 tot en met 25 Gerechtelijk Wetboek) niet dat de burgerlijke vordering, voor zover gegrond op diezelfde feiten, nog voor de burgerlijke rechter wordt ingesteld. Dat de strafrechter wél reeds definitief heeft geoordeeld over de burgerlijke vordering voor zover gegrond op bepaalde feiten die onder een andere strafbaarstelling werden ten laste gelegd (nl. tenlastelegging E: het indienen van een kwaadwillige, schriftelijke, lasterlijke aangifte tegen de eiser) – en de burgerlijke vordering in zoverre ongegrond heeft verklaard nu hij voor die feiten tot de vrijspraak besluit – doet hieraan geen afbreuk. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het de vordering van eiser tegen verweerders niet ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de kosten. _______________________________________________
(1)Het gezag van rechterlijk gewijsde verbonden aan een rechterlijke beslissing, wordt beoordeeld volgens de wet zoals van kracht op het ogenblik van de uitspraak ervan (Cass. 3 juni 2022, AR C.21.0153.F, AC 2022, nr. 402, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220603.1F.1). Het vonnis van de correctionele rechtbank waarvan het gezag van gewijsde ter discussie staat, dateert van 10 november 2015. Op dat ogenblik was art. 23 Ger.W. van toepassing, zoals gewijzigd bij wet van 19 oktober 2015 (in werking getreden op 1 november 2015) en vóór de wijziging bij wet van 21 december 2018.
(2)Cass. 23 maart 2016, AR P.15.1445.F, AC 2016, nr. 208, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5; Cass. 27 mei 2010, AR C.09.0103.N, AC 2010, nr. 367, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100527.17; Cass. 4 juni 1996, AR P.95.0066.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960604.8, AC 1996, nr. 206; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, nr. 331; D. VANDERMEERSCH, M.-A. BEERNAERT en H. BOSLY, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure 2021, 329.
(3)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, nr. 331.
(4)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, nr. 331; zie ook: M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier 2012, 209; D. VANDERMEERSCH, M.-A. BEERNAERT en H. BOSLY, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure 2021, 330.
(5)Cass. 3 mei 1988, AR 1951, AC 1988, nr. 543.
(6)In dezelfde zin: Cass. 1 maart 2000, AR P.99.1464.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000301.17, AC 2000, nr. 148.
(7)Cass. 14 oktober 2015, AR P.15.0701.F, nr. 603, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151014.3.
(8)Cass. 28 september 2010, AR P.09.1598.N, AC 2010, nr. 553, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.1.
(9)Bevestigd in Cass. 23 maart 2016, AR P.15.1445.F, AC 2016, nr. 208, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5.
(10)Cass. 12 februari 1974, AC 1974, 640.
(11)Zie ook Cass. 17 juni 1986, AR 146, AC 1986, nr. 650.
(12)Cass. 8 september 2015, AR P.15.0358.N-P.15.0360.N, AC 2015, nr. 495, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150908.5.
(13)Cass. 18 december 2018, AR P.18.0699.N, AC 2018, nr. 720, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.2.
(14)Cass. 6 maart 1993, AR 6416, AC 1993, nr. 225, met concl. van advocaat-generaal BRESSELEERS.
(15)Cass. 8 oktober 2013, AR P.12.1043.N, AC 2013, nr. 504, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131008.5.
(16)Cass. 5 september 2023, AR P.22.0708.N, AC 2023, nr. 526, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11.
(17)Cass. 8 oktober 2013, AR P.12.1043.N. AC 2013, nr. 504.
(18)Cass. 5 september 2023, AR P.22.0708.N, AC 2023, nr. 526.
(19)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, nr. 331; D. VANDERMEERSCH, M.-A. BEERNAERT en H. BOSLY, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure 2021, 331; zie bv. Cass. 7 maart 1995, AR P.94.1289.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950307.14, AC 1995, nr. 138; Cass. 19 december 1995, AR P.94.0703.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951219.2, AC 1995, nr. 558; Cass. 14 april 2010, AR P.09.1868.F, AC 2010, nr. 257, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100414.2; Cass. 20 april 2016, AR P.15.0216.F, AC 2016, nr. 269, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160420.3.
(20)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu 2012, nr. 375.
(21)In die zin mijns inziens terecht, de voorziening, p. 7, randnummer 6.
(22)Cass. 23 december 2014, AR P.13.1892.N, AC 2014, nr. 808, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.3; Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0481.N, AC 2011, nr. 553, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.3.
(23)D. VANDERMEERSCH, M.-A. BEERNAERT en H. BOSLY, Droit de la procédure pénale, Brugge, die Keure 2021, 1452.
(24)Zie vonnis correctionele rechtbank van 10 november 2015, p. 11. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950307.14 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951219.2 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960604.8 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000301.17 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100414.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100527.17 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131008.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150908.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151014.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160420.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181218.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220603.1F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.