id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.7 Rolnummer: C.18.0612.N Zaak: PREFAMAC nv contra AUTODESK INC. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-07-04 Raadplegingen: 838 - laatst gezien 2026-06-18 23:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.7 Fiche 1 De beschikking tot beschrijvende maatregelen heeft slechts een beperkt gezag van gewijsde ten aanzien van de partijen en de rechter die de beschrijvende maatregelen heeft bevolen en opnieuw moet oordelen omwille van de beweerde veranderde omstandigheden, en geen gezag van gewijsde ten aanzien van de rechter ten gronde, die kennis neemt van het resultaat van de beschrijvende maatregelen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1369bis/1, §§ 1 en 7, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1481 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 3 De vernietiging op verzet van de beschikking die toelating verleent tot het leggen van een beschrijvend beslag inzake namaak op de grond dat de rechter oordeelt dat geen beschrijvend beslag inzake namaak in de zin van artikel 1369bis/1 Gerechtelijk Wetboek kon worden toegestaan ten aanzien van de derde die verzet doet, geldt ook voor het bewijs dat tijdens het beschrijvend beslag is verkregen, zodat de in dit kader verkregen bewijsmiddelen niet langer in rechte kunnen worden gebruikt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1369bis/1, §§ 1, 3 en 7 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1033 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1369bis/1, §§ 1, 3 en 7 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1033 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 5 Het bewijs dat werd verkregen naar aanleiding van een beschrijvend beslag inzake namaak dat naderhand onrechtmatig werd bevonden, wordt in de procedure voor de bodemrechter voor onbestaande gehouden en dient dus automatisch geweerd te worden, zodat de bodemrechter de toelaatbaarheid van het bewijs logischerwijs niet meer dient te beoordelen en derhalve niet meer dient te onderzoeken of een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm werd miskend, of de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast, dan wel of het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1369bis/1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1369bis/1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.18.0612.N Conclusie van advocaat-generaal E. Herregodts: (...) Bespreking. Eerste onderdeel van het middel.
- Eiseressen komen op tegen de beslissing van de appelrechters dat aangezien de vraag of de beslagrechter wel toelating mocht verlenen om over te gaan tot het beschrijvend beslag inzake namaak het voorwerp uitmaakt van het derdenverzet dat nog hangende is voor een andere kamer van het hof van beroep van Antwerpen, niet kan ingegaan worden op de uitgebreide argumentatie van partijen in dat verband. Eiseressen voeren aan dat door aldus impliciet maar zeker te beslissen dat de beschikking van de beslagrechter waarbij toestemming werd verleend om over te gaan tot een beschrijvend beslag inzake namaak, ten aanzien van de bodemrechter gezag van gewijsde heeft zolang de beschikking van de beslagrechter in de procedure op derdenverzet niet ongedaan werd gemaakt, en derhalve de appelrechters niet konden onderzoeken of het beschrijvend beslag inzake namaak en het in het kader daarvan verzamelde bewijs niet onrechtmatig (verkregen) is, de appelrechters aan de beschikking van 13 juni 2006 van de beslagrechter te Hasselt een gezag van gewijsde toekennen dat deze beschikking niet heeft en de artikelen 1032, 1369bis/1, §§ 1 en 7 en 1481 (oud) Ger. W. schenden.
- Artikel 1481 Ger. W., zoals van toepassing vóór de wet van 10 mei 2007 betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, bepaalt dat de personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen, met de toestemming van de beslagrechter, verkregen op verzoekschrift, door een of meerdere deskundigen die deze magistraat benoemt, overal kunnen laten overgaan tot de beschrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen. Krachtens artikel 1369bis/1, § 1 Ger.W., ingevoerd bij voormelde wet van 10 mei 2007, kunnen de personen die, op grond van een wet betreffende de uitvindingsoctrooien, aanvullende beschermingscertificaten, kwekerscertificaten, topografieën van halfgeleiderproducten, tekeningen en modellen, merken, geografische aanduidingen, benamingen van oorsprong, auteursrecht, naburige rechten of het recht van producenten van databanken een vordering inzake namaak kunnen instellen, met de toestemming van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, verkregen op verzoekschrift, door een of meerdere deskundigen die deze magistraat benoemt, overal laten overgaan tot de beschrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen. Krachtens artikel 1369bis/1, § 7, tweede lid, Ger. W., voorheen artikel 1032 Ger. W., kan de beslagene in geval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking tot beschrijvende maatregelen vragen door dagvaarding van alle partijen voor de rechter die de beschikking heeft uitgesproken. Het Hof oordeelde in een arrest van 8 oktober 2015
(1)dat uit deze bepaling volgt dat de beschikking tot beschrijvende maatregelen een beperkt gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de partijen en de rechter die gevat is door een vordering tot toelating van zulke beschrijvende maatregelen, zolang de omstandigheden niet veranderen
(2). De appelrechters stellen vast en oordelen in het bestreden arrest
(3): - “De eerste rechter oordeelde terecht dat de bewijsmiddelen werden bekomen onder dekking van de beschikking van de beslagrechter te Hasselt van 13 juni
- - De (eiseressen) hebben weliswaar derdenverzet aangetekend tegen deze beschikking. Bij beschikking van 12 oktober 2006 heeft de beslagrechter te Hasselt de machtiging tot verzegeling opgeheven. De overige maatregelen zijn overeind gebleven. - De voorliggende bewijselementen blijven tot op vandaag voortvloeien uit een rechterlijke beschikking. - De argumentatie van (eiseressen) betreffende de vraag of de beslagrechter wel toelating mocht verlenen, maakt het voorwerp van het derdenverzet uit dat nog hangende is voor dit hof voor een andere kamer”. - Het hof gaat dan ook niet in op de uitgebreide argumentatie van partijen in dat verband”. Ik meen dat, zoals het onderdeel aanvoert, de appelrechters daarmee impliciet doch zeker beslissen dat de beschikking van de beslagrechter te Hasselt van 13 juni 2006 ten aanzien van hen gezag van gewijsde heeft. Deze beslissing is mijns inziens niet naar recht verantwoord, zodat het onderdeel gegrond voorkomt. Derde onderdeel van het middel.
- Eiseressen voelen zich gegriefd door de beslissing van de appelrechters dat het PV van de gerechtsdeurwaarder en het verslag van de deskundige, opgesteld bij het overgaan van het beschrijvend beslag inzake namaak, hoe dan ook kunnen blijven gelden als feitelijk vermoeden, zelfs indien de machtiging tot beschrijvend beslag zou worden hervormd door het hof van beroep in het kader van het hoger beroep in de procedure op derdenverzet. Eiseressen voeren aan dat door in die zin te oordelen, de appelrechters aan het rechtsmiddel van het derdenverzet elk nuttig effect ontnemen en de artikelen 1032, 1033, 1034, 1122, 1125, 1369bis/1, §§ 1, 3 en 7, en 1481 (oud) Ger. W., die omschrijven onder welke voorwaarden de beslagrechter toelating kan verlenen tot het leggen van beschrijvend beslag en die aan de beslagene het recht geven om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beschikking waarbij toelating wordt verleend tot het leggen van beschrijvend beslag, schenden.
- Beslag inzake namaak kan slechts in de door de wet bepaalde omstandigheden en onder de door de wet bepaalde voorwaarden worden toegestaan. Toestemming om over te gaan tot beschrijvend beslag inzake namaak wordt gevorderd op eenzijdig verzoekschrift. Op grond van het oude artikel 1481 van het Ger. W. en thans met toepassing van artikel 1369bis/1, § 3 Ger. W. onderzoekt de beslagrechter/de voorzitter die uitspraak doet over een verzoek tot verkrijging van maatregelen tot beschrijving: 1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is; 2) of er aanwijzingen zijn dat inbreuk zou zijn gemaakt op het intellectueel eigendomsrecht of dat een inbreuk dreigt. Indien deze voorwaarden niet zijn vervuld, kan geen toestemming worden verleend. De beschikking bepaalt de voorwaarden waaraan de beschrijving is onderworpen, onder meer met het oog op de bescherming van vertrouwelijke gegevens, en de termijn binnen dewelke de aangestelde deskundige zijn verslag neerlegt en opstuurt, alsook de personen die, als uitzondering op artikel 1369bis/7 Ger.W., in voorkomend geval er kennis mogen van nemen. Krachtens de artikelen 1033, 1034, 1122, 1125 en thans artikel 1369bis/1, § 7 Ger. W. staat tegen de beschikking waarbij beschrijvende maatregelen of beslagmaatregelen worden toegekend of geweigerd, en tegen de beschikking waarbij de intrekking van die maatregelen wordt toegekend of geweigerd, voorziening open zoals bepaald in de artikelen 1031 tot 1034 Ger.W. Krachtens artikel 1122 Ger. W. kan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan. Uit voornoemde bepalingen volgt dat wanneer de rechter op derdenverzet oordeelt dat er ten onrechte toestemming werd verleend voor het beschrijvend beslag inzake namaak, de beschikking waarbij toestemming wordt verleend tot het leggen van beslag inzake namaak wordt vernietigd
(4). De vernietiging van een beschikking waarmee een beslag inzake namaak wordt toegestaan, strekt zich mijns inziens uit tot wat in uitvoering van die beschikking werd opgesteld, zoals het PV van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder en het verslag van de aangestelde deskundige. Ik meen dat hieruit volgt dat het bewijs dat werd verkregen in uitvoering van een beschikking tot beschrijvend beslag inzake namaak die werd vernietigd, niet in rechte kan worden gebruikt, nu het aldus verkregen bewijs blijkt niet op rechtmatige wijze te zijn verkregen. Rechtsleer voert aan dat bewijsmiddelen zoals het PV van de gerechtsdeurwaarder en het verslag van de deskundige, wanneer het derdenverzet wordt toegestaan, voor onbestaande dienen te worden gehouden
(5). Ik meen dat, zoals het onderdeel terecht aanvoert, de appelrechters die oordelen dat “de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder en de deskundige, gedaan in het kader van het beschrijvend beslag inzake namaak, hoe dan ook kunnen blijven gelden als feitelijk vermoeden, zelfs indien de machtiging tot beschrijvend beslag zou worden hervormd”, de hiervoor geciteerde en door eiseressen ingeroepen wetsbepalingen schenden. Het onderdeel is mijns inziens dan ook in zoverre gegrond. Vierde onderdeel van het middel. (...) De gegrondheid van het onderdeel.
- Het vierde onderdeel komt op tegen het oordeel van de appelrechters dat in casu, zelfs al zou worden geoordeeld dat het beschrijvend beslag inzake namaak onterecht werd toegestaan en het in navolging daarvan verkregen PV van de gerechtsdeurwaarder en het verslag van de deskundige dus onrechtmatig werden verkregen, de Antigoonrechtspraak moet worden toegepast aangaande het gebruik in rechte van een onrechtmatig verkregen bewijsmiddel. Eiseressen voeren aan dat het bewijs dat verkregen werd in het kader van het beschrijvend beslag inzake namaak dat naderhand onrechtmatig werd bevonden, automatisch moet worden geweerd en dat de Antigoonrechtspraak zodoende in casu niet mag worden toegepast (eerste subonderdeel). Zij stellen dat, in zoverre het onrechtmatig verkregen bewijs niet automatisch dient te worden geweerd, niet is voldaan aan de voorwaarden van de Antigoonrechtspraak om een onrechtmatig verkregen bewijs alsnog toe te laten (tweede tot derde subonderdeel).
- De appelrechters oordelen dat ook wanneer zou blijken dat het beschrijvend beslag inzake namaak onterecht zou zijn toegestaan en de beschikking tot beslag inzake namaak door de rechter op derdenverzet ongedaan zou worden gemaakt, het PV en het verslag desalniettemin – in het licht van de Antigoonrechtspraak – in de bodemprocedure die voor hen hangende is, kunnen worden aangewend, nu in casu geen vormvoorschrift op straffe van nietigheid werd geschonden, de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet aantast en de rechten van verdediging niet werden geschonden. De appelrechters besluiten vervolgens tot een schending door eiseressen van de intellectuele rechten van verweersters, louter op basis van het PV van de gerechtsdeurwaarder en het verslag van de deskundige. Uit een analyse van de uitspraak van de appelrechters blijkt dat zij geen enkel ander bewijsmiddel hanteren om tot hun besluit te komen. Ik meen dat: - het bewijs dat verkregen wordt in het kader van een beschrijvend beslag inzake namaak dat plaatsvindt krachtens een toestemming die naderhand wordt vernietigd, moet worden geweerd; - de Antigoonrechtspraak geen toepassing kan vinden; - indien het Hof zou oordelen dat de Antigoonrechtspraak toepassing kan vinden, het bewijs dat werd verkregen in het kader van een beslag inzake namaak dat plaatsvindt krachtens een toestemming die naderhand werd vernietigd, moet worden geweerd. Dat het bewijs dat verkregen werd in het kader van het beschrijvend beslag inzake namaak dat plaatsvond krachtens een toestemming die naderhand werd vernietigd, moet worden geweerd, blijkt reeds uit de bespreking van het derde onderdeel. Het lijkt mij nuttig in dat verband erop te wijzen dat de artikelen 1369bis/
- tot
- Ger.W. die de procedure van beslag inzake namaak betreffen, een omzetting uitmaken in Belgisch recht van Richtlijn 2004/48 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, hierna de “Handhavingsrichtlijn”
(6). De Handhavingsrichtlijn bevat de volgende overwegingen, wat het doel ervan betreft: “
(8)De verschillen tussen de regelingen van de lidstaten inzake de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten zijn nadelig voor de goede werking van de interne markt en maken het onmogelijk te waarborgen dat de intellectuele-eigendomsrechten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap een gelijkwaardige bescherming genieten. Deze situatie is niet bevorderlijk voor het vrije verkeer in de interne markt, noch voor scheppen van een gunstig klimaat voor gezonde mededinging.
(9)De huidige verschillen leiden ook tot verzwakking van het materiële recht inzake de intellectuele eigendom en fragmentering van de interne markt op dit gebied. Dit brengt verlies van vertrouwen van het bedrijfsleven in de interne markt en dientengevolge een vermindering van de investeringen in innoverende en scheppende activiteiten mee. Inbreuken blijken steeds vaker in verband te staan met de georganiseerde misdaad. De ontwikkeling van het gebruik van het internet maakt het mogelijk piraatproducten onmiddellijk en wereldwijd te verspreiden. De daadwerkelijke handhaving van het materiële recht inzake intellectuele eigendom moet door specifieke maatregelen op het niveau van de Gemeenschap worden gewaarborgd. De onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten op dit gebied wordt dan ook een fundamentele voorwaarde voor de goede werking van de interne markt.” (Eigen benadrukking) Onder punt 20 van de Handhavingsrichtlijn wordt het volgende overwogen: “Daar het bewijs een uiterst belangrijk element voor de vaststelling van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten is, moet ervoor worden gezorgd dat effectieve middelen voor het overleggen, verkrijgen en beschermen van bewijsmateriaal beschikbaar zijn. Bij deze procedures moeten de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd en moeten de noodzakelijke waarborgen worden geboden, waaronder de bescherming van vertrouwelijke informatie. In het geval van inbreuken die op commerciële schaal plaatsvinden, is het voorts van belang dat de rechter desnoods inzage kan gelasten van bancaire, financiële of commerciële documenten waarover de vermeende inbreukmaker beschikt.” (Eigen benadrukking) Artikel 7 van de Richtlijn bepaalt: “
- (...) Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal die zijn genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, worden uiterlijk onmiddellijk na de uitvoering ervan ter kennis van de betrokken partijen gebracht. Op verzoek van deze partijen vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, teneinde te beslissen, binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen, of deze maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd. (Eigen benadrukking)
- De lidstaten dragen er zorg voor dat aan de maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal de voorwaarde kan worden verbonden dat de eiser een passende zekerheid of een gelijkwaardige garantie stelt voor de schadeloosstelling van door de verweerder geleden schade, overeenkomstig lid
- De lidstaten dragen er zorg voor dat de maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal op verzoek van de verweerder worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben, onverminderd de schadevergoeding die kan worden geëist, indien de eiser niet een procedure die leidt tot een beslissing ten principale bij de bevoegde rechterlijke instanties heeft ingesteld binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke instantie die de maatregelen gelast wanneer de wetgeving van de lidstaat zulks toestaat of, wanneer geen termijn wordt bepaald, binnen een termijn van ten hoogste 20 werkdagen of 31 kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.
- Wanneer de maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal zijn herroepen of wanneer zij vervallen wegens enig handelen of nalaten van de eiser, of wanneer later wordt vastgesteld dat er geen inbreuk of dreiging van inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is, hebben de rechterlijke instanties de bevoegdheid op verzoek van de verweerder, de eiser te gelasten de verweerder passende schadeloosstelling te bieden voor door deze maatregelen toegebrachte schade”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de Europese regelgever met betrekking tot de middelen tot handhaving van intellectuele-eigendomsrechten een voorzichtige, billijke en evenwichtige afweging heeft willen bewerkstelligen in de wetgevingen van de lidstaten tussen het belang van de houder van een intellectueel eigendomsrecht om bewijsmateriaal te vergaren en de rechten van de verdediging die moeten worden geëerbiedigd en de noodzakelijke waarborgen die moeten worden geboden, waaronder de bescherming van vertrouwelijke informatie. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet van 10 mei 2007, die aanleiding gaf tot de invoeging van artikel 1369bis/
- tot
- Ger.W, evenals uit de systematiek van deze wet, volgt dat de Belgische wetgever met de bijzondere procedure beslag inzake namaak dit billijk evenwicht heeft willen bewerkstelligen tussen het recht op bewijsgaring enerzijds en het recht op een eerlijk proces en het recht op bescherming van het privé-leven (bescherming van bewijsmateriaal) anderzijds. Aldus riep de wetgever een procedure op eenzijdig verzoekschrift in het leven, die een eiser toelaat om in beperkte mate binnen te dringen in het privé-leven van een derde, maar voorzag hij tegelijk in de mogelijkheid van derdenverzet en hoger beroep, zodat het gebrek aan tegenspraak in de eerste fase (beslag inzake namaak na toestemming op eenzijdig verzoekschrift) alsnog in een tweede fase (derdenverzet en hoger beroep bij een tegensprekelijke procedure) zou kunnen worden geremedieerd
(7). Het beschrijvend beslag inzake namaak, zo als wettelijke bepaald, spoort daarmee niet alleen met de Handhavingsrichtlijn doch tevens met artikel 15 van de Grondwet
(8)en artikel 8.1 EVRM
(9)De Belgische wetgever heeft, bij de omzetting van de Handhavingsrichtlijn, bijzondere aandacht gehad voor de bescherming van vertrouwelijke gegevens
(10)die zouden aangetroffen worden tijdens een beschrijvend beslag inzake namaak, zoals blijkt onder meer uit artikel 1369bis/1., § 3, dat bepaalt dat de beschikking van de voorzitter die uitspraak doet over een verzoek tot verkrijging van maatregelen tot beschrijving, de voorwaarden bepaalt waaraan de beschrijving is onderworpen, onder meer met het oog op de bescherming van vertrouwelijke gegevens, en de termijn binnen dewelke de aangestelde deskundige zijn verslag neerlegt en opstuurt, alsook de personen die, als uitzondering op artikel 1369bis/7 Ger.W., in voorkomend geval er kennis mogen van nemen
(11). Ook artikel 1369bis/9 Ger.W. getuigt van dezelfde bezorgdheid van de wetgever met betrekking tot de bescherming van vertrouwelijke gegevens, door de rechtgevolgen van de beschikking waarbij toestemming wordt verleend om tot beschrijvend beslag inzake namaak over te gaan, alsook het gebruik of de bekendmaking van het verslag dat krachtens de beschikking werd opgesteld, te beperken
(12). Ik meen dat bewijs toestaan dat onrechtmatig werd verkregen, in strijd is met en afbreuk doet aan de voorwaarden en de waarborgen die de wetgever, ter omzetting van de Handhavingsrichtlijn, heeft ingebouwd voor de bewijsvergaring door middel van de procedure van beschrijvend beslag inzake namaak. Ten overvloede kan worden verwezen naar de uiteenzetting van de toenmalige eerste voorzitter van het Hof van Cassatie in de Kamer van volksvertegenwoordigers naar aanleiding van de discussies over de invoering van artikel 23 V.T.Sv die destijds gevoerd werd: “De heer Etienne Goethals, eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, merkt op dat de wetsvoorstellen DOC 53 0041/001 en DOC 53 2186/001 eigenlijk de nietigheid van de bewijsregeling viseren. Traditioneel wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds, het bewijs dat wettelijk geregeld wordt en anderzijds, het bewijs dat niet wettelijk geregeld wordt. Wanneer in het eerste geval de regels niet nageleefd worden, bestaat voor de rechter dit bewijs niet. Voorliggende wetsvoorstellen betreffen het bewijs dat niet bij wet geregeld wordt. Dergelijk “vrij” bewijs wordt hoofdzakelijk geapprecieerd door de feitenrechter. Dergelijk bewijs kan door alle mogelijke middelen worden aangevoerd op voorwaarde dat het regelmatig gebeurt. Ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie, de zogenaamde “Antigoonleer” (Cass. 14 oktober 2003) wordt, in tegenstelling tot vroeger, de bewijsuitsluiting geen automatische sanctie meer bij onrechtmatig verkregen bewijs. (...)
(13). (Eigen benadrukking) Bewijs dat vergaard werd in strijd met de wettelijke regels van de procedure van beslag inzake namaak dient als niet bestaande beschouwd te worden en dient dan ook te worden geweerd. De antigoonleer kan geen toepassing vinden. Het komt mij voor dat een toepassing van de Antigoonleer het billijk evenwicht dat beoogd wordt door de Handhavingsrichtlijn en de Belgische wetgever met de artikelen 1369bis/
- tot
- e.v. Ger.W., zou kunnen verbreken en ertoe zou leiden dat de rechter zich in de plaats van de wetgever en de Europese regelgever stelt. De antigoonleer werd als volgt geformuleerd door het Hof in zijn arrest van 16 december 2021, na eensluidende conclusie van Eerste advocaat-generaal R. Mortier
(14): “Behoudens wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken slechts worden geweerd indien de bewijsverkrijging de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of indien hierdoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. De rechter dient hierbij rekening te houden met al de omstandigheden van de zaak, waaronder de wijze waarop het bewijs werd verkregen, de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan, de ernst van de onrechtmatigheid en de mate waarin hierdoor het recht van de wederpartij werd geschonden, de bewijsnood van de partij die de onrechtmatigheid beging en de houding van de wederpartij”. Het Hof velde – op conclusie van advocaat generaal VANDERLINDEN – een half jaar vóór het onderhavige arrest bij wege van een arrest van 14 juni 2021 reeds een identieke uitspraak omtrent de Antigoontoets in burgerlijke zaken
(15). Een toepassing van de Antigoonrechtspraak, als nationale Belgische rechtspraak, zou de door de Handhavingsrichtlijn als doel beoogde en reeds bereikte harmonisatie binnen de EU kunnen verzwakken of teniet doen. Volledigheidshalve verwijs ik in dit verband tevens naar arresten van Uw Hof met betrekking tot bepaalde aspecten van het beslag inzake namaak, waarin een regel wordt geformuleerd die een logisch gevolg is van de systematiek van een derdenverzet tegen een beschikking die toestemming verleent om over te gaan tot beslag inzake namaak, doch die niet verenigbaar lijkt met een toepassing van de Antigoonleer in het onderhavige geval. Zo oordeelde het Hof in verschillende arresten dat, in geval de beslagene derdenverzet instelt tegen een beslag inzake namaak dat op eenzijdig verzoekschrift werd toegestaan, de aanwijzingen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, op grond waarvan een beschrijvende maatregel kan worden bevolen, moeten worden vastgesteld op de datum waarop de eerste rechter over het eenzijdig verzoekschrift uitspraak doet. Deze aanwijzingen kunnen niet worden afgeleid uit de gegevens verkregen ingevolge de uitvoering zelf van de maatregel en meer bepaald uit het deskundigenverslag dat is opgemaakt ter uitvoering van de beschikking waartegen het derdenverzet is gewezen
(16). In casu oordelen dat een bodemrechter rekening kan houden met de bewijsmiddelen verkregen uit een beslag inzake namaak, niettegenstaande een derdenverzet tegen het beslag hangende is, voor zover aan de voorwaarden van de Antigoonformule is voldaan, zou mijns inziens niet met die arresten verenigbaar zijn. Artikel 1369bis/9 Ger.W. bepaalt dat, indien de beschrijving niet binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig dagen wordt gevolgd door een dagvaarding ten gronde, de beschikking van rechtswege geen rechtsgevolgen meer heeft en de verzoeker de inhoud van het verslag niet mag gebruiken of bekendmaken. In een arrest van 1 oktober 2009 oordeelde Uw Hof dat deze regel inhoudt dat de beslaglegger die niet tijdig ten gronde heeft gedagvaard, het verslag van de deskundige en de gerechtsdeurwaarder niet alleen niet meer mag gebruiken ten aanzien van de beslagene, maar evenmin ten aanzien van een derde die geen partij was bij de beslagprocedure inzake namaak, maar die op grond van het verslag namaak verweten wordt
(17). Deze regel lijkt evenmin verenigbaar met een toepassing van de Antigoonleer. Indien het Hof meent dat de Antigoonleer toch dient toegepast te worden, dan dwingt deze mijns inziens hoe dan ook tot het weren van het PV van de gerechtsdeurwaarder en van het verslag van de deskundige uit het debat, aangezien het behoud van dit bewijs het recht van eiseressen op een eerlijk proces in gevaar brengt. Met hun oordeel schenden de appelrechters immers de rechten van verdediging van eiseressen, nu deze op die manier de facto het recht op hoger beroep tegen de weigering van het derdenverzet worden ontnomen. Artikel 6 EVRM verplicht de staten niet om een hoger beroep te organiseren, maar wanneer de staten dat recht op hoger beroep vrijwillig voorzien, moet dat hoger beroep voldoen aan de vereisten van artikel 6 EVRM en mag het niet van zijn substantie worden ontdaan. Het oordeel van de appelrechters in casu ontneemt het hoger beroep dat de eiseressen hebben ingesteld tegen de beslissing op derdenverzet elk nut (cf. derde subonderdeel van het vierde onderdeel)
(18). Dat de eiseressen in de procedure van beslag inzake namaak en in de procedure voor de appelrechter hun argumenten met betrekking tot de verzamelde bewijselementen kunnen laten gelden, is daarbij mijns inziens van geen belang. Daarenboven lieten de appelrechters na het argument van eiseressen aangevoerd in conclusie te beantwoorden volgens hetwelk bij de beoordeling van de sanctie in geval van onrechtmatig verkregen bewijs, rekening moet worden gehouden met het feit dat de onregelmatigheid door de verweersters opzettelijk werd begaan en de belangen van eiseressen op een grove wijze veronachtzaamd werden met de schending van het normdoel en de proportionaliteit (cf. vierde subonderdeel van het vierde onderdeel). Het onderdeel komt mij dan ook gegrond voor. Overige grieven. 16. Ik meen dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest. _________________________________
(1)Cass. 8 oktober 2015, AR C.14.0504.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151008.3, AC 2015, nr. 591.
(2)Zie voor dit beperkt gezag van gewijsde (van beschikkingen genomen op eenzijdig verzoekschrift, zoals ook de voorzitter van de ondernemingsrechtbank in het kader van artikel 1369bis/1 Ger.W. een beschikking op eenzijdig verzoekschrift neemt), G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier 2005, 245-246: “l’ordonnance rendue en référé a une autorité restreinte de chose jugée: tant que les choses restent en état, elle lie les parties et le magistrat que l’a prononcée. Il s’agit donc d’une autorité très restreinte de chose jugée; pour le surplus, l’ordonnance de référé (et l’arrêt d’appel en ce domaine) n’ont pas, quant au fond du litige, l’autorité de la chose jugée” (p. 245) en “le régime est le même pour une ordonnance rendue sur requête unilatérale” (p. 246). Zie ook F. DE VISSCHER en P. BRUWIER, La saisie-description et sa réforme, Les dossiers du Journal des tribunaux, Brussel, Larcier 2011, nr. 206.
(3)Bestreden arrest, randnummer 4.4.2.
(4)Artikel 1130 Ger.W.: “Het gerecht dat het derdenverzet toewijst, vernietigt de bestreden beslissing geheel of ten dele doch alleen ten aanzien van de derde. De vernietiging geldt ten aanzien van alle partijen in zover de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing.”
(5)F. DE VISSCHER en R BRUWIER, La saisie description et sa réforme, Brussel, Larcier 2011, 131 ; B. VANDERMEULEN, « Het lot van bewijsmateriaal na intrekking of wijziging van een beschrijvend beslag”, IRDI 2011, 132.
(6)De artikelen 1369bis/
- Tot
- Ger.W. werden ingevoerd bij de wet van 10 mei 2007 betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten strekte er onder meer toe Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten om te zetten in Belgisch recht.
(7)Zie Wetsontwerp I betreffende de burgerlijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten en Wetsontwerp II betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, Parl.St. Kamer 2006-07, doc 51 2943/001, p. 15.
(8)Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is en dat geen huiszoeking kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaal en in de vorm die ze voorschrijft.
(9)Artikel 8.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Krachtens het tweede lid van deze bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de rechten en vrijheden van anderen.
(10)Waaronder, niet limitatief, bedrijfsgeheimen en knowhow, doch tevens klantenlijsten, lijsten van leveranciers; financiële documenten.
(11)Artikel 1369bis/7 Ger.W.: “§
- Het verslag wordt ter griffie neergelegd binnen de termijn door de beschikking bepaald of, bij gebreke hieraan binnen de door artikel 1369bis/1, § 3, tweede lid bepaalde termijn. Een afschrift wordt onverwijld, bij aangetekende zending, door de deskundige verzonden, naar de verzoeker en naar de houder van de beschreven voorwerpen evenals, in voorkomend geval, naar de beslagene. §
- Dit verslag evenals alle stukken, monsters of inlichtingen vergaard gedurende de handelingen van beschrijving zijn vertrouwelijk en mogen slechts vrijgegeven of gebruikt worden door de verzoeker of zijn rechthebbende, binnen het kader van een procedure, Belgisch of buitenlands, ten gronde of in kort geding, onverminderd de toepassing van de bepalingen van de internationale verdragen die toepasselijk zijn in België.
(12)Artikel 1369bis/9 Ger.W.:” Indien binnen de termijn bepaald door de voorzitter die uitspraak doet over een verzoek gegrond op artikel 1369bis/1, of, indien dergelijke termijn niet is vermeld, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig dagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is volgend op de ontvangst van het verslag verstuurd overeenkomstig artikel 1369bis/7, § 1, tweede lid, de beschrijving niet gevolgd wordt door een dagvaarding ten gronde voor een bevoegde rechtsmacht, heeft de beschikking van rechtswege geen rechtsgevolgen meer en mag de verzoeker de inhoud van het verslag niet gebruiken of bekendmaken, dit alles onverminderd het recht op schadevergoeding”.
(13)Bijlage 1 – Hoorzitting van 5 juni 2012 met de heer Etienne GOETHALS, eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de heer Antoon BOYEN, voorzitter van het hof van beroep te Brussel en mevrouw Laurence MASSART, raadsheer bij het hof van beroep van Brussel bij het Wetvoorstel van 20 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering wat de nietigheden betreft (Parl.St. Kamer 2012-13, Doc. 53 0041/003). Hetgeen geciteerd werd in deze conclusie, werd vervolgd door: “Eender welke onwettigheid of onregelmatigheid kan slechts tot uitsluiting van het bewijs leiden, in de volgende drie gevallen: - als de wet de nietigheid bepaalt; -als een substantiële regel wordt overtreden (bijvoorbeeld: een huiszoeking die gebeurt zonder bevel van de onderzoeksrechter) en - als het eerlijk proces in gedrang komt. Het overschrijden van een louter vormelijke regel (bijvoorbeeld: een huiszoekingsbevel zonder handtekening van de onderzoeksrechter doch waarvan, aan de hand van andere stukken, geen twijfel bestaat dat het uitgevaardigd werd door de onderzoeksrechter) kan gelden tot bewijs”.
(14)Cass. 16 december 2021, AR C.18.0314.N, AC 2021, nr. 806, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.8, na concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER; voor een toelichting bij het arrest zie Jaarverslag 2021, p. 108-113.
(15)Cass. 14 juni 2021, AR C.20.0418.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.2, AC 2021, nr. 437.
(16)Cass. 2 mei 2013, RW 2014-15, 826; Cass. 26 april 2012, AR C.11.0393.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120426.5, AC 2012, nr. 261; Cass. 25 november 2011, AR C.10.0559.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111125.1, AC 2011, nr. 646.
(17)Cass. 1 oktober 2009, Limb. Rechtsl. 2010, 77.
(18)Vergelijk B. VAN DEN BERGH, “Derdenverzet na machtiging tot beslag inzake namaak toegestaan op eenzijdig verzoekschrift: wat met de intussen aangetroffen sporen van namaak?”, RW 2014-15, 829. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240314.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240314.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111125.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120426.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151008.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div