← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 Rolnummer: P.23.0732.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-06-26 Raadplegingen: 572 - laatst gezien 2026-06-19 02:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13 Fiches 1 - 2 Bij toepassing van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats, de termijn om hoger beroep in te stellen tegen een verstekbeslissing kan evenwel niet verstrijken dan na een rechtsgeldige betekening van de veroordeling bij verstek; wanneer een bij verstek gewezen vonnis aan de beklaagde bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt betekend door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie, begint de beroepstermijn de dag na die betekening te lopen; het gegeven dat de beklaagde van die betekening geen kennis kreeg en slechts na die beroepstermijn voor het eerst kennis nam van zijn verstekveroordeling en van de betekening ervan, doet daaraan geen afbreuk en verhindert hem als dusdanig niet alsnog een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden; de betekening aan de procureur des Konings bij toepassing van artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek is evenwel niet rechtsgeldig wanneer die laatste de woon- of verblijfplaats kende of diende te kennen van degene aan wie wordt betekend

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.23.0732.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De betekening van het verstekvonnis aan het openbaar ministerie, wegens onbekende woonst van de beklaagde, als beginpunt van de termijn voor het hoger beroep van de beklaagde en het openbaar ministerie (art. 203, § 1 Sv.)”.
  1. Eiser in cassatie komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel dat zijn op 25 januari 2021 ingesteld hoger beroep tegen het verstekvonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 8 mei 2020 laattijdig en niet-ontvankelijk verklaart. Het bestreden arrest stelt vast dat het verstekvonnis op 15 juni 2020 regelmatig werd betekend aan het openbaar ministerie en vanaf dat moment de termijn van hoger beroep van 30 dagen een aanvang nam. De betekening in 2020 is volgens het arrest geldig omdat eiser op dat moment reeds was geschrapt van ambtswege op een adres in Tienen (op 29 oktober 1996) en geen gekende woon-of verblijfplaats had.
  2. Eiser voert aan dat het openbaar ministerie op loyale wijze opzoekingen moet verrichten naar de woon-of verblijfplaats van de bij verstek veroordeelde beklaagde en zijn adres in Tienen kende of behoorde te kennen, omdat dit adres in het aanvankelijk proces-verbaal was vermeld. De betekening van het verstekvonnis aan de procureur des Konings is dan ook ongeldig en deed de termijn voor hoger beroep niet lopen. De beslissing om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens laattijdigheid is dan ook in strijd met de artikelen 203 Wetboek van Strafvordering, 40, lid 2 Gerechtelijk Wetboek en 6 EVRM.
  3. Beoordeling. De beklaagde die in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, kan daartegen opkomen door het rechtsmiddel van verzet of hoger beroep aan te wenden. Bij het gelijktijdig instellen van verzet en hoger beroep met dezelfde omvang vervalt het hoger beroep als de eerste rechter het verzet ontvankelijk verklaart en opnieuw uitspraak doet over de grond van de zaak (art. 187, § 4 Sv.)
(1). Indien de beklaagde eerst een ontvankelijk hoger beroep instelde en nadien verzet aantekende tegen dezelfde beslissing, wordt het verzet onontvankelijk verklaard (art. 187, § 5, 3° Sv.). 4. Wanneer het verstekvonnis hem niet in persoon is betekend, beschikt de beklaagde over een buitengewone termijn om verzet aan te tekenen. Die termijn van 15 dagen loopt vanaf de dag na de dag waarop hij kennis kreeg van de akte van betekening van het verstekvonnis, niet van de inhoud van het verstekvonnis
(2), met die beperking dat na de verjaring van de straf opgelegd bij verstek geen verzet meer mogelijk is (art. 187, § 1 Sv.). 5. De bij verstek veroordeelde beklaagde kan ervoor kiezen, zonder enige motivering, om de veroordeling rechtstreeks aan te vechten bij de rechter in hoger beroep (art. 203 Sv.). Hij moet er wel mee rekening houden dat de termijn voor hoger beroep aanvangt op een vast moment, niet op een moment van effectieve kennisname van de betekening van het vonnis. Volgens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan ter griffie (van de rechtbank die het bestreden vonnis wees) uiterlijk 30 dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of haar woonplaats. Er bestaat dus geen buitengewone termijn voor het instellen van het hoger beroep
(3). 6. In de hypothese dat het verstekvonnis geldig, regelmatig is betekend aan de woon- of verblijfplaats van de beklaagde (art. 35, 38 en 40 Ger. W.) of aan het openbaar ministerie, wegens onbekende woonst (art. 40 Ger. W.), loopt vanaf de dag na die betekening de termijn van 30 dagen voor het instellen van hoger beroep (art. 203 Sv.)
(4)en de gewone termijn voor het aantekenen van verzet (art. 187, § 1, eerste lid, Sv.)
(5). Wegens het ontbreken van een betekening in persoon aan de beklaagde kan de beklaagde, als extra waarborg, nog verzet instellen in de buitengewone termijn van 15 dagen, met ingang de dag van de kennisname van de betekening van het verstekvonnis (art. 187, § 1, tweede lid, Sv.)
(6). Het hoger beroep van de beklaagde ingesteld na die termijn van 30 dagen is niet-ontvankelijk, behalve bij overmacht of onoverkomelijke dwaling
(7)of bij de ongeldige betekening van het verstekvonnis. Buiten deze uitzonderlijke situaties is het voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep zelfs niet van belang te weten wanneer de beklaagde kennis had van de betekening van het verstekvonnis
(8). 8. De termijn voor het instellen van hoger beroep tegen een verstekvonnis kan niet verstrijken dan na een rechtsgeldige betekening van dat vonnis
(9). Van een ongeldige betekening is er sprake als in de akte van betekening de nodige informatie ontbreekt over het instellen van rechtsmiddelen
(10)of als de akte is betekend aan een fout adres of op een wijze die in strijd is met de artikelen 33-40 Ger. W. Over de betekening van de verstekbeslissing zonder de vereiste informatie over rechtsmiddelen nam het Hof reeds aan: “De afwezigheid van een dergelijke kennisgeving heeft tot gevolg dat de termijnen voor het instellen van verzet en van hoger beroep geen aanvang nemen. Daaruit volgt bovendien dat de verstekbeslissing geen kracht van gewijsde verkrijgt en de termijn voor verjaring van de straf geen aanvang neemt”
(11). De ongeldige betekening van het verstekvonnis, waardoor die betekening niet- rechtsgeldig of ‘onbestaande is’
(12), houdt bijgevolg in dat de rechter het hoger beroep ingesteld buiten de termijn van 30 dagen na betekening (art. 203, § 1 Sv.) niet onontvankelijk kan verklaren wegens laattijdigheid. De rechter moet dan kennis nemen van de zaak, binnen de perken van de akte van hoger beroep en de aangebrachte grieven, behalve als een ambtshalve grief een ruimere beoordeling toelaat (art. 203, 204 en 210 Sv.) of er reden is tot evocatie van de gehele zaak (art. 215 Sv.). 9. Het aspect van de ongeldige betekening is vooral aan de orde, zoals in de voorliggende zaak, als de veroordeling bij verstek is betekend aan het openbaar ministerie, omdat er op dat moment geen woon-of verblijfplaats van de beklaagde gekend was. Artikel 40, tweede lid, eerste zin, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Heeft de betrokkene in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats, dan wordt de betekening gedaan aan de procureur des Konings in wiens rechtsgebied de rechter die van de vordering kennis moet nemen of heeft genomen, zitting houdt”. Het Hof stelde hierover, op 4 april 2023: “Wanneer een beklaagde bij verstek is veroordeeld, moet de verklaring van hoger beroep, ingeval het exploot in strafzaken niet kan worden betekend zoals bepaald in de artikelen 33 tot 35 Gerechtelijk Wetboek en de gerechtsdeurwaarder het afschrift van het exploot, overeenkomstig artikel 40, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, heeft betekend aan het openbaar ministerie, worden gedaan uiterlijk dertig dagen na deze betekening, behoudens overmacht of onoverkomelijke dwaling. Het gegeven dat een beklaagde van die betekening geen kennis kreeg en slechts na die beroepstermijn voor het eerst van zijn verstekveroordeling vernam, doet daaraan geen afbreuk en verhindert hem als dusdanig niet alsnog een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden”
(13). 10. Cruciaal voor het recht van verdediging is dat het openbaar ministerie moeite doet, binnen de grenzen van het haalbare, om de actuele woon-of verblijfplaats van de veroordeelde te achterhalen. De betekening conform art. 40, lid 2, Ger.W. is alleen toegestaan als het openbaar ministerie geen kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde
(14). Over het aspect van het ‘behoren te kennen’ van de actuele verblijfplaats van de beklaagde, voor de betekening van de dagvaarding of het verstekvonnis, oordeelde het Hof op 22 november 2022: “Of het openbaar ministerie die kennis kon hebben, moet worden beoordeeld door na te gaan of het openbaar ministerie redelijkerwijze de nodige stappen heeft gezet om de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde te achterhalen. Bij die beoordeling kan eveneens de houding van de persoon aan wie moet worden betekend in aanmerking worden genomen, indien die van aard is om het achterhalen van zijn woonplaats, verblijfplaats of gekozen woonplaats te bemoeilijken of onmogelijk te maken. Uit het enkele feit dat in een welbepaald strafdossier gegevens voorkomen betreffende de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van een beklaagde, moet niet noodzakelijk worden afgeleid dat het openbaar ministerie dat is belast met de vervolging van deze beklaagde, in een ander strafdossier kennis had of kon hebben van de gegevens uit het eerste strafdossier. De rechter oordeelt rekening houdend met het voorgaande en in het licht van de concrete elementen van de zaak onaantastbaar of het openbaar ministerie kennis had of kon hebben van de woonplaats, de verblijfplaats of de gekozen woonplaats van de veroordeelde. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord”
(15).
  1. Het bestreden arrest stelt dat op met moment van de betekening van het verstekvonnis van 8 mei 2020 eiser geen gekende woonplaats had, omdat hij ‘op 29 oktober 1996’ was afgevoerd van ambtswege. Het gaat m.i. om een materiële vergissing, aangezien 29 oktober 1996 de geboortedatum is van eiser en uit het uittreksel van het rijksregister blijkt dat de afvoering van ambtswege van het laatst gekende adres van eiser in Tienen dateert van 10 september
  2. Mij komt voor dat het Hof deze materiële verschrijving kan verbeteren en deze verbetering geen afbreuk doet aan de vaststelling van het hof van beroep dat op datum van betekening van het verstekvonnis, op 15 juni 2020, “de beklaagde in België noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats, noch gekozen woonplaats had”. Het hof van beroep mocht dan ook aannemen dat de betekening van het verstekvonnis van de correctionele rechtbank aan het openbaar ministerie regelmatig was, en de termijn van hoger beroep van 30 dagen deed aanvangen. Het oordeel van laattijdige hoger beroep lijkt mij naar recht verantwoord en is verenigbaar met het ingeroepen artikel 6 EVRM, omdat eiser vanaf het moment dat hij kennis had van die regelmatige betekening verzet in de buitengewone termijn had kunnen instellen, maar ervoor koos om het rechtsmiddel van hoger beroep aan te wenden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  3. Het bestreden arrest geeft m.i. ook correct aan, niet bekritiseerd door eiser, dat het hoger beroep van het openbaar ministerie, ingesteld als volgberoep op dezelfde dag als dat van eiser (25 januari 2021) laattijdig is, bij ontstentenis van een ontvankelijk hoger beroep van de beklaagde. Op het moment van dit hoger beroep was de gewone termijn van 30 dagen ook reeds verstreken voor het openbaar ministerie (art. 203, § 1, eerste lid, Sv.). Van een ontvankelijk ‘volgberoep’ binnen de termijn van 10 dagen na het instellen van hoger beroep door de beklaagde is er evenmin sprake (art. 203, § 1, tweede lid, Sv.). Een laattijdig ingesteld hoger beroep van de beklaagde kan immers geen aanleiding geven tot een ontvankelijk volgappel van het openbaar ministerie
(16). 13. Voor het overige verplicht het middel over het kunnen achterhalen van de woonplaats van eiser aan de hand van gegevens uit het aanvankelijk proces-verbaal tot een onderzoek van feiten, en is het niet-ontvankelijk. Er zijn geen ambtshalve middelen in cassatie aan te voeren en ik besluit tot verwerping. __________________________________
(1)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, 1269; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2019, 528.
(2)Cass. 30 mei 2023, AR P.23.0498.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17, AC 2023, nr. 390; Cass. 16 december 2020, AR P.20.0660.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4, AC 2020, nr. 780, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 11 juni 2014, AR P.14.0374.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2, AC 2014, nr. 417; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1419; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1667-1670; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1429-1430.
(3)Cass. 4 april 2023, AR P.22.1634.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1, AC 2023, nr. 262; Cass. 10 december 2019, AR P.19.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6, AC 2019, nr. 655; GwH 3 juli 2002, nr. 119/2002, BS 17 september 2002; Gent 13 februari 1979, RW 1978-79, 2323 noot A. VANDEPLAS; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 48 en 55; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1725-1730; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1441-1442; P. VANDENBRUWAENE, Y. LIÈGEOIS en B. DE SMET, “Het complexe systeem van verstek, ontvankelijk of niet-ontvankelijk verzet, ongedaan verzet en hoger beroep. Voorstellen tot vereenvoudiging”, RW 2014-15, 963-972.
(4)Cass. 4 april 2023, AR P.22.1634.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1, AC 2023, nr. 262; Cass. 10 december 2019, AR P.19.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6, AC 2019, nr. 655; Cass. 27 mei 1998, AR P.98.0260.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980527.11, AC 1998, nr. 277, RW 1999-2000, 96; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 48; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1343; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 186.
(5)Cass. 29 september 2021, AR P.21.0586.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210929.2F.7, AC 2021, nr. 596.
(6)Cass. 13 april 2021, AR P.21.0108.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.10, AC 2021, nr. 262; Cass. 24 oktober 2017, AR P.17.0666.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6, AC 2017, nr. 587; K. VEECKMANS, “Buitengewoon verzet: een adequaat rechtsmiddel?”, NC 2019, 17.
(7)Cass. 17 oktober 2023, AR P.23.0665.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.12, AC 2023, nr. 653; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1634.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1, AC 2023, nr. 262; Cass. 9 maart 2022, AR P.21.0830.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220309.2F.4, AC 2022, nr. 178, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 12 januari 2021, AR P.20.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3, AC 2021, nr. 17; Cass. 25 november 2020, AR P.20.0760.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.4, AC 2020, nr. 722; Cass. 10 december 2019, AR P.19.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6, AC 2019, nr. 655; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 48 en 55.
(8)Cass. 4 april 2023, AR P.22.1634.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1, AC 2023, nr. 262; Cass. 10 december 2019, AR P.19.0537.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6, AC 2019, nr. 655; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 48.
(9)Cass. 28 november 2023, AR P.23.1132.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4, AC 2023, nr. 784; Cass. 25 september 2018, AR P.17.1230.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180925.2, AC 2018, nr. 496.
(10)Cass. 28 november 2023, AR P.23.1132.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4, AC 2023, nr. 784 (zie ook de verwijzingen in de koppen van dit arrest).
(11)Cass. 28 november 2023, AR P.23.1132.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4, AC 2023, nr. 784.
(12)Cass. 31 maart 2020, AR P.20.0093.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.6, AC 2023, nr. 262, “De betekening aan de procureur des Konings moet als onbestaande worden beschouwd wanneer de partij op wiens verzoek zij werd verricht, de woon- of verblijfplaats kende of diende te kennen van degene aan wie wordt betekend”.
(13)Cass. 4 april 2023, AR P.22.1634.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1, AC 2023, nr. 262.
(14)Cass. 22 november 2022, AR P.22.0378.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7, AC 2023, nr. 746, RW 2022-23, 1306, RABG 2023, 631; Cass. 31 maart 2020, AR P.20.0093.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.6, AC 2020, nr. 219; Cass. 4 november 2009, AR P.09.0972.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4, AC 2009, nr. 640, RABG 2010, 425, noot F. VAN VOLSEM; Cass. 29 april 2009, AR P.09.0107.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3, AC 2009, nr. 285, RDPC 2010, 69, RW 2010-11, 1053, noot BDS. Zie ook T. TOREMANS, “De nietigheid van de betekening aan de procureur des Konings wegens kennis van de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde”, RW 2013-14, 163-169; P. HOET, “Gewoon en buitengewoon verzet versus verjaring van de straf en van de strafvordering”, T. Strafr. 2021, 106-107.
(15)Cass. 22 november 2022, AR P.22.0378.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7, AC 2022, nr. 746, RW 2022-23, 1306, RABG 2023, 631.
(16)Cass. 17 oktober 2023, AR P.23.0665.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.12, AC 2023, nr. 653; Cass. 23 november 2021, AR P.21.0720.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.25, AC 2021, nr. 738; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 123; E. DE BOCK, “Geen onbeperkt volgappel in de tijd voor het openbaar ministerie”, De Juristenkrant, 12 januari 2022, p. 6. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980527.11 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180925.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200331.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210929.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.25 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220309.2F.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231017.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.