← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 Rolnummer: P.24.0001.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-06-26 Raadplegingen: 614 - laatst gezien 2026-06-18 22:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.15 Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 28ter, §2 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid en 40, §1, Wet Politieambt kunnen politieambtenaren die ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt feiten vaststellen die wijzen op het bestaan van een misdrijf, alvorens de procureur des Konings daarvan bij proces-verbaal in kennis te stellen, autonoom informatie inwinnen en vaststellingen doen om de procureur des Konings daarover op zo doelmatig mogelijke wijze voor te lichten

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Fiches 3 - 5 Aanleiding tot de proactieve recherche in de zin van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering is het enkel bestaan van een redelijk vermoeden van een misdrijf, dat een verkennende dader- en fenomeengerichte informatiegaring verantwoordt; daarentegen verplicht informatie over nog te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen; dat politieambtenaren overeenkomstig artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid, en 40, § 1, Wet Politieambt informatie inwinnen en vaststellingen doen tot voorlichting van de procureur des Konings over strafbare feiten die zij hebben vastgesteld, impliceert niet dat zij slechts een door verdere informatiegaring te bevestigen vermoeden van het plegen van die feiten hebben, zoals bepaald in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; de rechter oordeelt onaantastbaar of omwille van de reeds beschikbare informatie, met inbegrip van de nood tot concretisering ervan aan de hand van verdere informatiegaring, het stadium van het zuiver “redelijk vermoeden” wordt overstegen en er geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Fiche 6 Witwassen is een al dan niet voortdurend misdrijf waarbij de dader zich op een in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek bepaalde wijze gedraagt met betrekking tot vermogensvoordelen als bepaald in artikel 42, 3°, Strafwetboek; het misdrijf waaruit de vermogensvoordelen zijn voortgesproten dient niet te zijn gekend, in zoverre de rechter op grond van de feiten die hij vaststelt elke regelmatige herkomst of oorsprong van die goederen kan uitsluiten
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 10 Het bewijs van witwasmisdrijven valt onder de principieel vrije bewijswaardering eigen aan het strafrecht; de rechter kan zodoende het bestaan van een witwasmisdrijf onaantastbaar afleiden uit alle hem voorgelegde feitelijke elementen; een van die feitelijke elementen kan bestaan in een manifeste discrepantie tussen de klaarblijkelijke legale bestaansmiddelen van een persoon en zijn klaarblijkelijke levensstijl, zoals dit wordt gestaafd door de vaststellingen van de verbalisanten; aldus kan de vaststelling van een dergelijke discrepantie, naargelang de omstandigheden, een aanwijzing opleveren van een in tijd en ruimte bepaalbaar witwasmisdrijf, op grond waarvan de politiediensten autonoom verdere informatie kunnen inwinnen overeenkomstig artikel 28ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 15, eerste lid, en 40, § 1, Wet Politieambt
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° of 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28ter, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 15, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus - 07-12-1998 - Art. 40, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Tekst van de conclusie P.24.0001.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “Het meer dan redelijk vermoeden van een reeds gepleegd misdrijf bij aanvang van een autonoom politieonderzoek wegens witwassen”. In deze zaak is de vraag aan de orde hoe concreet de aanwijzingen moeten zijn van het misdrijf witwassen als start voor een autonoom politieonderzoek. Het bestreden arrest stelt dat het aanvankelijk proces-verbaal (van 21 mei 2019) steunt op informatie uit politionele bron dat eiser rondrijdt met een BMW i8 (catalogusprijs 166.500 euro) en dat uit andere gegevens (opzoekingen in het Rijksregister en info van een eerdere politiecontrole) blijkt dat eiser maandelijks 1.400 euro verdient. Vervolgens won de politie informatie in aangeleverd door officiële instanties (zoals RVA en DIV) en door eigen opzoekingen op sociale media, alvorens de procureur des Konings in te lichten. Het bestreden arrest neemt aan (blz. 14) dat 1° het aanvankelijk proces-verbaal voldoende precieze, in tijd en ruimte bepaalbare elementen bevat die wezen op een concreet misdrijf, met name witwassen en 2° de verdediging niet aannemelijk maakt dat de politie de grenzen overschreed van een autonoom onderzoek. Volgens het hof van beroep voerde de politie een ‘reactief onderzoek’ en was er geen voorafgaande machtiging nodig van de procureur des Konings. Eiser voert aan dat de informatie bij aanvang van het politieonderzoek te summier was om een in tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf van witwassen te vermoeden. De politie voerde een proactief onderzoek zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur des Konings. Het bestreden arrest dat weigert de vergaarde bewijselementen nietig te verklaren schendt aldus artikel 28bis, § 2 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet
(1). Beoordeling. Het opsporingsonderzoek wordt volgens artikel 28bis, § 1 Wetboek van Strafvordering
(2)gevoerd onder de leiding van de procureur des Konings (à charge en à décharge), die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. Verder volgt uit de artikelen 15 en 40 Wet Politieambt dat de politie als taak heeft misdrijven op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen en de resultaten daarvan mee te delen aan de bevoegde overheden, in de vorm van processen-verbaal. Deze wetsbepalingen beperken de opdracht van politie niet tot het opstellen van een klacht of aangifte van het misdrijf, meteen over te maken aan de procureur des Konings, en tot het uitvoeren van instructies inzake de opsporing (bevolen door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter). De politie mag autonoom bewijsgegevens inwinnen, binnen het kader van een reactief onderzoek, dit is een onderzoek naar een reeds gepleegd en ontdekt misdrijf, in tijd en ruimte bepaalbaar. Het gaat daarbij om een precies vermoeden van een reeds gepleegd misdrijf
(3). Het Hof oordeelde dat als de politie stoot op “aanwijzingen van het plegen van een misdrijf”, zij autonoom kan optreden, om het misdrijf op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen en de daders te vatten (overeenkomstig artikel 15 Wet Politieambt)”
(4). De politie moet de procureur des Konings wel tijdig op de hoogte brengen van haar opsporingen, conform de richtlijnen van het OM (art. 28ter Sv.), zodat de procureur de leiding over de opsporing verwerft
(5). Voor een proactief onderzoek is van meet af aan schriftelijke toestemming nodig van de procureur des Konings. Het gaat volgens artikel 28bis, § 2 Wetboek van Strafvordering om het opsporen, verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde, maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten
(6). Er volgt dan een verkennend onderzoek om dat redelijk vermoeden te concretiseren (welk in tijd en ruimte bepaald misdrijf ligt aan de basis van het onderzoek?)
(7)en zo nodig een reactief onderzoek te voeren (in de vorm van een opsporingsonderzoek, art. 28bis Sv., of gerechtelijk onderzoek, art. 55 Sv.). Het Hof oordeelde hierover: “Proactieve recherche vereist de voorafgaande schriftelijke toestemming van het bevoegde openbaar ministerie teneinde de autonomie van de speurder onder het toezicht en de leiding van het openbaar ministerie te stellen zodra, op grond van een redelijk vermoeden van reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, relevante gegevens dienen ingezameld en verwerkt te worden, die tot het privéleven van de betrokkene behoren en die wegens hun vaagheid geen grond tot een onmiddellijk repressief optreden opleveren”
(8). Het onderscheid tussen een ‘proactief’ en ‘reactief’ vooronderzoek wordt gemaakt op basis van de duidelijkheid over het begane misdrijf
(9). De strafrechter oordeelt onaantastbaar of de politie over voldoende concrete gegevens beschikte van een reeds gepleegd misdrijf, wat een autonoom onderzoek toelaat, dan wel of er slechts een redelijk vermoeden was van een misdrijf, dat opheldering vergt via een (verkennend en) proactief onderzoek
(10). Verder gaat de rechter na of naar aanleiding van politionele vaststellingen de verrichte opsporingshandelingen een zodanige impact op het privéleven van personen hebben dat zij eveneens onder de noemer vallen van proactieve recherche (art. 28bis, § 2 Sv.)
(11). Het Hof ziet wel toe op de wettigheid van de motieven
(12). De grens tussen enerzijds een vaag of redelijk vermoeden of anderzijds een concreet of meer dan een redelijk vermoeden van een gepleegd misdrijf is moeilijk te trekken bij een witwasmisdrijf, omschreven in artikel 505, eerste lid, Strafwetboek (punten 2°, 3° of 4°). Witwassen betekent het verwerven, omzetten of verbergen van illegale vermogensvoordelen. Een veroordeling wegens witwassen vereist niet dat het achterliggend misdrijf gekend is, maar wel dat het uitgesloten is dat de goederen of gelden waarover de beklaagde beschikt een legale oorsprong hebben
(13). De rechter kan veroordelen als hij op basis van feitelijke gegevens, vatbaar voor tegenspraak, een manifeste wanverhouding vaststelt tussen de legale bestaansmiddelen van de beklaagde en zijn riante, exuberante levensstijl. Mij komt voor dat de wanverhouding tussen legale en reële inkomsten ook relevant is voor het opstarten van een witwasonderzoek. Politionele informatie over deze wanverhouding kan voldoende aanwijzingen opleveren van een in tijd en ruimte bepaalbaar witwasmisdrijf en aanleiding geven tot verder onderzoek, alvorens de procureur des Konings kennis krijgt van het misdrijf. Het bestreden arrest, dat in die zin oordeelt (blz. 15), lijkt mij naar recht verantwoord, zodat het middel niet kan worden aangenomen. De info bij aanvang van het politieonderzoek laat naar mijn mening toe een concreet witwasmisdrijf te ontdekken, namelijk de aankoop van een dure wagen met gelden van illegale herkomst
(14). Voor het overige komt de kritiek van eiser neer op een onjuiste toepassing van de wet, wat verschilt van een motiveringsgebrek en faalt het middel gesteund op artikel 149 Grondwet naar recht
(15). Er zijn geen ambtshalve middelen en ik besluit tot verwerping. ___________________________________
(1)Eiser verwijst (blz. 6) naar de parlementaire voorbereidingen over art. 28bis, § 2 Sv. over de onontvankelijkheid van de strafvordering als gevolg voor het ontbreken van de voorafgaande toestemming van het OM voor het voeren van een proactief onderzoek (Parl. St. Kamer 1996-97, 857/17, 66).
(2)Aangevuld door art. 2 wet 18 januari 2024, BS 26 januari 2024.
(3)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 995.
(4)Cass. 6 september 2022, AR P.22.0440.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.12, AC 2022, nr. 508, met concl. OM, Politie en recht 2023, 87; Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1354.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3, AC 2022, nr.
  1. zie ook Cass. 18 november 2015, AR P.15.1450.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151118.1, AC 2015, nr. 688; Cass. 16 juni 2015, AR P.15.0599.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.9, AC 2015, nr.
  2. Een autonoom politieonderzoek kan eveneens steunen op “een aangifte van verdachte handelingen die lijken te wijzen op het bestaan van een misdrijf” (Cass. 19 mei 2015, AR P.15.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.5, AC 2015, nr. 324)
(5)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1354.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3, AC 2022, nr. 158; Cass. 20 oktober 2015, AR P.15.0789.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.2, AC 2015, nr. 615; Cass. 17 maart 2010, AR P.10.0010.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.9, AC 2010, nr. 192, RDPC 2010, 953, T. Strafr. 2010, 332 noot F. SCHUERMANS; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, die Keure 2021, 89-90.
(6)F. HUTSEBAUT, “Het verschil tussen proactieve en reactieve recherche en de autonomie van de politiediensten”, Vigiles 2002, 103-104; B. VANGEEBERGEN en D. VAN DAELE, “De uitholling van de proactieve recherche”, NC 2008, 327-342; C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier 2018, 16-24; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 415-419.
(7)Over het aspect van een verkennende dader- en fenomeeninformatiegaring, als voorwerp van het proactief onderzoek, omdat de beschikbare informatie het stadium van het zuiver redelijk vermoeden van een gepleegd misdrijf niet overstijgt (art. 28bis, § 2 Sv.), zie Cass. 28 januari 2014, AR P.13.1753.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140128.11, AC 2014, nr. 74; Cass. 26 maart 2013, AR P.13.0133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5, AC 2013, nr. 212.
(8)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1354.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3, AC 2022, nr. 158; Cass. 18 november 2015, AR P.15.1450.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151118.1, AC 2015, nr. 688; Cass. 19 mei 2015, AR P.15.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.5, AC 2015, nr. 324; Cass. 17 maart 2010, AR P.10.0010.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.9, AC 2010, nr. 192; Cass. 4 juni 2002, AR P.02.0387.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5, AC 2002, nr. 340, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER.
(9)K. VANDERHEIDEN, F. VAN VOLSEM, T. DE WOLF en A. LINERS, Zakboekje strafprocesrecht, Kluwer, 2023, 29. Zie ook S. VANDROMME, “Commentaar bij art. 28bis Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier, 2017, 153: “Wanneer er slechts vage vermoedens zijn dat een misdrijf is gepleegd, maar dit nog niet concreet ontdekt is, is er sprake van proactieve recherche. Zodra er echter precieze vermoedens en in tijd en ruimte bepaalbare gegevens voorhanden zijn m.b.t. een concreet misdrijf, gaat het niet meer om een proactief, maar om een reactief onderzoek”.
(10)Cass. 26 maart 2013, AR P.13.0133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5, AC 2013, nr. 212, T. Strafr. 2013, 246; Cass. 2 oktober 2007, AR P.07.0685.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2, AC 2007, nr. 446.
(11)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1354.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3, AC 2022, nr. 158; Cass. 26 maart 2013, AR P.13.0133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5, AC 2013, nr. 212, T. Strafr. 2013, 246; Cass. 2 oktober 2007, AR P.07.0685.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2, AC 2007, nr. 446; Cass. 4 juni 2002, AR P.02.0387.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5, AC 2002, nr. 340, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER.
(12)Cass. 18 november 2015, AR P.15.1450.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151118.1, AC 2015, nr. 688: “Het staat aan de rechter om op grond van hem overgelegde gegevens, in feite te oordelen of de opsporingen die tot het openen van een strafdossier hebben geleid proactieve dan wel reactieve recherche vormen; het toezicht van het Hof beperkt zich ertoe na te gaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen heeft kunnen afleiden die daarmee geen verband houden of die, op grond daarvan, niet kunnen worden verantwoord”.
(13)Cass. 30 juni 2021, AR P.21.0303.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210630.2F.1, AC 2021, nr. 493; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0550.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.11, AC 2020, nr. 630, RABG 2021, 1677 noot L. DELBROUCK en V. KERKHOFS, “Witwas en de illegale oorsprong van het vermogensvoordeel, bewijs(
  1. t)nog maar eens last(
  2. ig)te zijn” (1682-1685); Cass. 5 februari 2019, AR P.18.1010.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.4, AC 2019, nr. 68. Over de bestanddelen van de witwasmisdrijven zie ook Cass. 20 februari 2024, AR P.23.1438.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.22, AC 2024, nr. 135, RW 2023-24, 1137, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(14)Dit is misdrijf is nader omschreven als feit B3 (blz. 3-4 en 25-27 bestreden arrest).
(15)Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, AC 2023, nr. 706, RO 17. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.15 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140128.11 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151118.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210630.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.