id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2024 EC
Art. 3
.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 8
Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 8
Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 8
Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.1 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.2 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.3 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 3
.4 Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling
Art. 8
Tekst van de conclusie P.23.1729.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het recht op vertaling van stukken die essentieel zijn voor de verdediging (art. 3 EU-Richtlijn 2010/64)”.
- Bestreden arrest.
- Eiser wordt vervolgd als leidend persoon van een criminele organisatie ‘die zich bezighoudt met het opzetten van een internationale drugstrafiek van cocaïne en hasj’ (tel. A) en verkoop van verdovende middelen, in vereniging, als leidende persoon (tel. B), telkens voor feiten in de periode tussen 1 juni 2012 en 1 maart
- Het hof van beroep te Brussel stelt vast dat eiser, van Marokkaanse nationaliteit, door het hof van beroep van Borgarting (Noorwegen)
(1)werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 jaar wegens invoer van drugs vanuit Nederland of Zweden naar Noorwegen. Hij onderging zijn straf in Noorwegen van 3 september 2009 tot 20 maart 2012 en vervolgens in de gevangenis van Leuven-Centraal tot 9 november 2016, na overname van de tenuitvoerlegging van de straf door België. Ingevolge een beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank te Leuven werd hij op 9 november 2016 in vrijheid gesteld met het oog op repatriëring naar Marokko.
- Het bestreden arrest veroordeelt eiser wegens het organiseren vanuit de gevangenis te Leuven-Centraal van meerdere drugtransporten naar Noorwegen, gelet op de verklaringen van drugskoerier P.V., de telefonische contacten van P.V. met een oproepnummer dat toebehoort aan eiser (blz. 8) en de verklaring van eiser ter terechtzitting over zijn betrokkenheid bij de drugtransporten (blz. 9). Eiser voerde wel verweer over de leidinggevende rol in de criminele organisatie en in het verhandelen van verdovende middelen. Het hof van beroep acht alle feiten van de telastleggingen bewezen en heeft eiser veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van vier jaar. De onmiddellijke aanhouding werd bevolen. De bijzondere verbeurdverklaring werd uitgesproken van de goederen in beslag genomen in de cel van beklaagde in Leuven op 21 mei 2015, namelijk een agenda, een schrijfblok, twee briefjes en een GSM merk Samsung.
- Vertaling van essentiële processtukken.
- In een eerste middel, met twee onderdelen, voert eiser aan dat het strafdossier is gebaseerd op vaststellingen in het Noors strafonderzoek waarvan slechts een beperkt aantal stukken is vertaald in het Nederlands, in strijd met art. 3 EU-Richtlijn 2010/64 over het recht op vertaling en de artikelen 6.3.b en 6.3.c EVRM. Het feit dat alleen de tapgesprekken uit het Noors strafdossier zijn vertaald waaraan eiser zelf heeft deelgenomen, en niet andere relevante gesprekken over de drugtransporten vermeld in de telastleggingen, belet eiser om zijn verweer op te bouwen en zijn recht op tegenspraak uit te oefenen. De resultaten van het Noorse strafonderzoek moeten volledig aan de tegenspraak van eiser worden onderworpen. Door de keuze over de te vertalen bewijsstukken over te laten aan het openbaar ministerie, werden de rechten van verdediging van eiser onmiskenbaar geschonden.
- Beoordeling. Eiser voerde in beroepsconclusie aan dat het dossier niet in staat van wijzen is, omdat het Noorse strafdossier waarop de vervolging steunt weliswaar gevoegd is aan het voorliggende strafdossier, maar slechts gedeeltelijk is vertaald in het Nederlands (blz. 8 arrest).
- Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder het recht te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging (art. 6.3.b EVRM)
(2). De verdediging moet dan net als de vervolgende partij kennis krijgen van het bewijsmateriaal en zelf bewijsgegevens kunnen aanbrengen
(3). Het recht op toegang tot het strafdossier sluit aan bij het beginsel van wapengelijkheid (equality of arms), als onderdeel van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM). Uw Hof nam daarover aan: “Uit de artikelen 6.1, 6.3.b en 13 EVRM volgt dat de rechter in beginsel ertoe gehouden is de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is opdat de beklaagde effectief zou beschikken over voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden. Indien de rechter een uitstel weigert, wat hij niet enkel kan omwille van proceseconomische redenen, maar ook omdat hij dit uitstel niet noodzakelijk acht met het oog op de effectieve uitoefening van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de beklaagde, moet hij de concrete omstandigheden vaststellen waarop hij zich baseert en die omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de tijdspanne waarbinnen de beklaagde zijn verdediging heeft kunnen voorbereiden, de eigenheid van de zaak en de aanvoeringen van de beklaagde of zijn raadsman”
(4). 6. Het ingeroepen art. 6.3.b EVRM houdt ook verband met het recht op bijstand van een tolk voor beklaagden die de procestaal onvoldoende beheersen (art. 6.3.e EVRM)
(5)en het recht van verdachten en beklaagden op vertaling van essentiële processtukken. Deze waarborg is opgenomen en uitgewerkt in artikel 3 EU-Richtlijn 2010/64 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (Publ. 26 oktober 2010), naar Belgisch recht omgezet door de Wet van 28 oktober 2016 (BS 24 november 2016). Deze richtlijn dient de kosteloze en toereikende taalkundige bijstandsverlening te waarborgen, zodat verdachten of beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreken of verstaan, hun recht van verdediging volledig kunnen uitoefenen en het eerlijke verloop van de procedure wordt gewaarborgd (Preambule 17 EU-Richtlijn 2010/64)
(6).
- Art. 3.1 EU-Richtlijn 2010/64 bepaalt: “De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen”. De essentiële processtukken omvatten volgens art. 3.
- EU-Richtlijn 2010/64 beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. Art. 3.
- EU-Richtlijn 2010/64 stelt: “De bevoegde autoriteiten besluiten per geval of andere processtukken essentieel zijn. De verdachte of beklaagde of zijn raadsman kan een met redenen omkleed verzoek met deze strekking indienen”. Onderdelen van essentiële processtukken die niet relevant zijn om de verdachte of beklaagde in staat te stellen van de zaak tegen hem kennis te laten nemen, hoeven niet te worden vertaald (art. 3.
- EU-Richtlijn 2010/64)
(7). 8. Deze voorschriften doet geen afbreuk aan de nationale regelgeving betreffende de aanwezigheid van een raadsman in welke fase van de strafprocedure ook en evenmin aan de nationale regelgeving betreffende het recht van een verdachte of beklaagde om kennis te nemen van processtukken in een strafprocedure (art. 1.4 EU-Richtlijn 2010/64). De regels van de EU-Richtlijn 2010/64 zijn opgevat als minimumvoorschriften, die in het intern recht van de lidstaten kunnen worden uitgebreid. Verder mogen de regels niet minder rechtsbescherming bieden aan de beklaagde dan de normen die zijn opgenomen in het EVRM of het Handvest Grondrechten van de Europese Unie, zoals geïnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of het Hof van Justitie van de Europese Unie (Preambule 32 EU Richtlijn 2010/64)
(8). 9. Uit de rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg over het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) valt geen recht op vertaling van alle processtukken af te leiden. Het volstaat de stukken te vertalen die voor de verdediging van essentieel belang zijn om zijn verweer te voeren
(9). 10. Over het ‘essentieel processtuk’ in de andere taal, te vertalen op vraag van de rechter of de beklaagde, stelt Preambule 30 van de EU-Richtlijn 2010/64: “Bepaalde stukken moeten in dit opzicht altijd worden beschouwd als essentiële processtukken en moeten bijgevolg worden vertaald, zoals beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging of dagvaarding en vonnissen. Het behoort de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toe om uit eigen beweging of op verzoek van de verdachte of beklaagde of van diens raadsman te besluiten welke andere processtukken essentieel zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen en bijgevolg eveneens moeten worden vertaald”. Uw Hof nam aan dat voor processtukken andere dan de beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging in de dagvaarding en de vonnissen (die steeds worden geacht essentiële stukken te zijn) de strafrechter onaantastbaar oordeelt of ze essentieel zijn voor de effectieve uitoefening van het recht van verdediging. Hij kan daarbij alle relevante omstandigheden ter vrijwaring van dat recht in aanmerking nemen
(10). 11. Het feit dat de strafvervolging in belangrijke mate steunt op processtukken opgesteld in een andere taal dan deze van de rechtspleging of deze die de beklaagde voldoende begrijpt, zoals in deze zaak stukken afkomstig van een buitenlands strafdossier, betekent niet dat een vertaling van slechts een deel van de bewijsstukken het recht van verdediging aantast. De artikelen 6 EVRM en 3 EU-Richtlijn 2010/64 houden voor de beklaagde niet het recht in een vertaling te krijgen van alle bewijsstukken opgesteld in een taal die hij niet begrijpt
(11). De toekenning en de omvang van de bijstand door een beëdigd vertaler hangt af van specifieke omstandigheden van de zaak, te beoordelen door de strafrechter die van het verzoek tot vertaling kennisneemt
(12). Het Hof ziet daarbij toe op de wettigheid van de motieven van de afwijzing van een verzoek tot vertaling van een stuk dat niet tot de beperkte lijst van art. 3.2 EU-Richtlijn 2010/64 behoort. In zoverre eiser ervan uit gaat dat het recht van verdediging is miskend als er een ‘beperkte vertaling voorligt van het buitenlands strafdossier’, waardoor hij geen kennis kon nemen van bewijsmateriaal in zijn voordeel was, faalt het middel (eerste onderdeel) m.i. naar recht.
- Voorts mag van de beklaagde die de vertaling vraagt van stukken van een buitenlands strafdossier worden verwacht dat hij aannemelijk maakt dat vertaling van die stukken nodig is voor zijn recht van verdediging. Reden is dat de artikelen 6 EVRM en 3 EU-Richtlijn 2010/64 geen recht inhouden op vertaling van alle processtukken en de rechter niet moet ingaan op elk verzoek van de beklaagde tot vertaling van stukken. Uit het verzoek tot vertaling moet blijken dat het gaat om stukken die de beklaagde essentieel acht voor zijn verweer. In zoverre eiser aanvoert dat “de strafrechter niet mag oordelen dat eiser zelf de stelling moet onderbouwen dat de inhoud van niet-vertaalde stukken (meer bepaald afgeluisterde gesprekken vermeld in een PV in het Noors) noodzakelijk is voor zijn recht van verdediging”, faalt het middel (tweede onderdeel) m.i. naar recht.
- Het bestreden arrest oordeelt over het verzoek tot uitstel van eiser, om een vertaling van het gehele Noorse strafdossier te voegen (blz. 9-10): - het recht op een eerlijk proces, zoals verwoord in artikel 6 EVRM en zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, impliceert inderdaad dat een beklaagde recht heeft op een vertaling van de stukken van het strafdossier die essentieel zijn om zijn verdediging effectief te kunnen voeren; - de eiser beperkt zich ertoe te stellen dat de “inhoud van alle telefoontaps” die zijn uitgevoerd in het Noorse dossier “noodzakelijk zijn voor de daadwerkelijke uitvoering van de rechten van verdediging”, maar vermeldt verder geen enkele reden waarop deze stelling is gesteund. Het feit dat een gesprek in het kader van een gerechtelijk onderzoek wordt afgeluisterd, impliceert niet dat het meteen ook een relevant gesprek is of een essentieel stuk uitmaakt waarvan de vertaling noodzakelijk is voor de verdediging; - teneinde de hoedanigheid van de eiser binnen de criminele organisatie, respectievelijk vereniging, te bepalen zijn de weergaves van de relevante gesprekken waaraan de eiser heeft deelgenomen, zoals hierna samengevat weergegeven, essentieel. Dit is, in dit dossier, niet het geval voor wat anderen desgevallend over hem zouden hebben verklaard. De inhoud van de gesprekken waaraan de eiser zelf heeft deelgenomen, zijn immers dermate duidelijk dat men niet inziet wat andere gesprekken hieraan nog zouden kunnen toevoegen; - bijgevolg bevat het strafdossier alle informatie die de eiser nodig heeft voor de uitoefening van zijn verdediging en werd deze informatie vertaald naar een taal die hij begrijpt. Het recht van verdediging is bijgevolg niet miskend en er is geen reden om de strafvordering onontvankelijk of vervallen te verklaren. Het gerechtelijk onderzoek en het daaruit voortvloeiend strafdossier zoals het thans, na voeging van bijkomende stukken, voorligt, zijn volledig en de zaak is dan ook in staat van wijzen. De motivering over de gedeeltelijke vertaling (van stukken van een Noors strafdossier) die het recht op een eerlijk proces niet aantast lijkt mij naar recht verantwoord, zodat het middel niet kan worden aangenomen.
- Voor zover eiser aanvoert dat niet alle stukken gevoegd door het openbaar ministerie afkomstig van het Noors strafdossier zijn vertaald, verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, en is het niet-ontvankelijk. Tenslotte is het ingeroepen artikel 6.3.c EVRM over het recht op bijstand van een advocaat vreemd aan de grief over het recht op vertaling van essentiële processtukken en het recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verweer op te bouwen (art. 6.3.b EVRM), en faalt het in zoverre naar recht.
- Het oproepen en ondervragen van getuigen à charge.
- In een tweede middel komt eiser op tegen de beslissing om P.V., die een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, niet op de terechtzitting te ondervragen als getuige à charge. Het is op basis van de belastende verklaring van P.V. in Noorwegen dat het strafrechtelijk onderzoek in België is opgestart en eiser bij aanvang ervan werd beschouwd als een leidend persoon in een drugtrafiek naar Noorwegen. Volgens eiser zijn er onvoldoende compenserende elementen voorhanden om de beslissing tot het niet-horen van getuige à charge P.V. te verantwoorden, zodat het bestreden arrest in strijd is met art. 6 EVRM en art. 149 Grondwet.
- Beoordeling. Het is vaste rechtspraak dat de rechter die oordeelt over de gegrondheid van de strafvordering een verzoek van de beklaagde tot het (doen) ondervragen van een getuige à charge op de terechtzitting beoordeelt in functie van drie criteria, die voortvloeien uit de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM. Om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, moet de rechter in het concrete geval nagaan of (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen
(13). Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen
(14). 17. Uw Hof oordeelde dat het aan de rechter staat om rekening houdende met deze drie criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(15).
- Het bestreden arrest oordeelt over het niet-horen van getuige à charge P.V. op de terechtzitting als volgt (blz. 10-11): - V. is onvindbaar gebleken zowel voor de Belgische als voor de Noorse autoriteiten, zodat het openbaar ministerie niet kan worden verweten deze niet te hebben opgeroepen. Op dit ogenblik is er zelfs geen enkele zekerheid dat de betrokkene nog in leven is. Overigens heeft de eiser zelf niet het minste initiatief genomen om de betrokkene te dagvaarden om te verschijnen als getuige; - in zoverre de eiser zich erover beklaagt niet te zijn geconfronteerd met V., moet erop worden gewezen dat hij nauwelijks 15 dagen na zijn verzoek hiertoe op grond van artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering te hebben gericht aan de onderzoeksrechter, op zijn verzoek naar Marokko werd uitgewezen en sedertdien geen enkele rechtszitting nog persoonlijk heeft bijgewoond. Een confrontatie tussen beiden ter rechtszitting was en is bijgevolg in ieder geval uitgesloten; - de mogelijke hinder die de eiser heeft ondervonden bij de uitoefening van zijn verdediging ten aanzien van de verklaringen van V. in verband met de rol die de eiser zou hebben vervuld bij de zeven geïdentificeerde drugstransporten, werd ruimschoots gecompenseerd door onder meer de volgende elementen: 1°de eiser werd tijdens zijn verhoor op 21 mei 2015 geconfronteerd met de verklaringen van V. en heeft desbetreffend zijn standpunt kunnen uiteenzetten, overigens zonder door V. te kunnen worden tegengesproken; 2°hetzelfde geldt overigens ook voor de weergave van de afgeluisterde gesprekken tussen beiden, waarvan de eiser kennis heeft kunnen nemen en die zijn verdediging heeft kunnen duiden tijdens de behandeling van de zaak voor de eerste rechter en voor het hof van beroep; en 3°de verklaringen van V., zoals hierna zal blijken, zijn geen doorslaggevend element bij de beoordeling van de rol die de eiser vervulde binnen de vereniging, respectievelijk criminele organisatie, maar bevestigen enkel de vaststellingen die blijken uit de overige elementen van het strafdossier. - aldus zijn de rechten van verdediging gevrijwaard gebleven en is er ook hier geen reden de strafvordering onontvankelijk dan wel vervallen te verklaren. Mij komt voor dat het bestreden arrest rekening hield met de drie criteria die voortvloeien uit de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM en deze criteria correct heeft toegepast, zodat de beslissing om P.V. niet als getuige à charge op de rechtszitting te ondervragen naar recht verantwoord is. In zoverre kan het middel gesteund op art. 6 EVRM niet worden aangenomen.
- Tenslotte voert het middel dat stelt dat de rechter uit de door hem vastgestelde feiten niet wettig een bepaald rechtsgevolg kan afleiden, geen motiveringsgebrek aan, maar een wettigheidskritiek
(16). In zoverre het middel over een niet naar recht verantwoorde beslissing een schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, faalt het naar recht. 20. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren en ik besluit tot verwerping. ______________________________________
(1)Volgens Wikipedia is Borgarting lagmannsrett het hof van beroep voor zaken berecht in de regio Oslo.
(2)Over deze waarborg zie o.a. EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t/ Rusland, § 90-95; EHRM 16 november 2021, Kikabidze t/ Georgië, § 41-42 www.echr.coe.int; J. PRADEL en G. CORSTENS, Droit pénal européen, Parijs, Dalloz 2002, 397-400; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA 2022, 775-776; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol. 2, 2023, 1977-2020.
(3)EHRM 28 augustus 1991, Brandstetter t/ Oostenrijk, § 66-67; EHRM 6 juni 2012, Leas t/Estland, § 76-78, EHRM 16 november 2021, Kikabidze t/ Georgië, § 40-42, www.echr.coe.int; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6, AC 2020, nr. 733; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 867; P. DUINSLAEGER, “Het recht op wapengelijkheid”, RW 2015-16, 402-423; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 48-49; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol. 1, 2023, 743-820.
(4)Cass. 26 oktober 2021, AR P.21.0716.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.2, AC 2021, nr. 675, NC 2022, 391; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5, AC 2020, nr. 676.
(5)Zie alg. M. MINNAERT, “Tolken en vertalen in een fair trial”, NC 2008, 450-455; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol. 2, 2023, 2382-2415.
(6)Over deze doelstelling zie ook HvJ 12 oktober 2017, Sleutjes, C-278/16, punt 32; HvJ 5 oktober 2015, Covaci, C 216/14, EU:C:2015:686, punt 38, www.curia.europa.eu en GwH 24 september 2020, arrest 115/2020, B.8.1, www.const-court.be.
(7)Over deze bepaling zie L. HUYBRECHTS, “De Europese richtlijn betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en de Belgische wet en rechtspraak”, NC 2011, 1-7; F. VAN VOLSEM., “Het vertalingsrecht van dossierstukken ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging: niet absoluut en niet onbeperkt”, RABG 2015, 32-35; A. BALDOVIN, “Le renforcement du droit à l’assistance linquistique dans le cadre des procédures pénales”, RDPC 2017, 215-255; Y. VANDEN BOSCH, “Het recht op vertolking en vertaling in strafzaken & de omzetting van de EU-richtlijnen”, T. Strafr. 2017, 79-107; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL & SVACINA 2022, 792-794; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol.2, 2023, 2396-2401.
(8)L. ARNOU, “De andere taal in de strafprocedure en de rechten van verdediging”, NC 2017, 520.
(9)EHRM 19 december 1989, Kamasinski t/Oostenrijk; EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, EHRM 16 juli 2009, Baka t/ Roemenië; EHRM 12 januari 2010, H.K. t/België (nr. 22738/08); EHRM 4 november 2010, Katritisch t/ Frankrijk, § 41; EHRM 21 december 2010, Hovanesian t/Bulgarije, § 35; EHRM 14 oktober 2014, Baytar t/ Turkije, § 49; J. PRADEL en G. CORSTENS, Droit pénal européen, Parijs, Dalloz, 2002, 412; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 878-879; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 100; J. RAEYMAEKERS, “Schriftelijke taalbescherming bij de stukken uit het strafproces”, NC 2014 (extra nr.), 30-34; F. VAN VOLSEM, “Het vertalingsrecht van dossierstukken ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging: niet absoluut en niet onbeperkt”, RABG 2015, 26-36; L. ARNOU, “De andere taal in de strafprocedure en de rechten van verdediging”, NC 2017, 519-538; J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia 2017, 545 en 570-572; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol.2, 2023, 2396-2401.
(10)Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1, AC 2020, nr. 211, RO 56, met concl. OM. In dezelfde zin Cass. 14 januari 2014, AR P.13.1332.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.5, AC 2014, nr. 27 en Cass. 15 juli 2014, AR P.14.1029.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140715.3, AC 2014, nr. 472, RABG 2015, 21 noot F. VAN VOLSEM (over de regeling der rechtspleging).
(11)J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia 2017, 572.
(12)J. RAEYMAEKERS, “Schriftelijke taalbescherming bij de stukken uit het strafproces”, NC 2014 (extra nr.), 32.
(13)Cass. 19 december 2023, AR P.23.1157.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2, AC 2022, nr. 854; Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr. 696; Cass. 22 november 2022, AR P.22.0989.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12, AC 2022, nr. 750; Cass. 15 februari 2022, AR P.21.1418.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13, AC 2022, nr. 125, T. Strafr. 2022, 165 noot B. MEGANCK; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2, AC 2021, nr. 443, NC 2022, 383; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215, NC 2021, 348, RW 2021-22, 1635; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626, NC 2021, 49; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508, NC 2021, 46; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, AC 2017, nr. 181, T. Strafr. 2017, 210; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73, met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, NC 2017, 173, T. Strafr. 2017, 207; EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, § 27, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 19 januari 2021, Keskin t/Nederland, EHRM 2 december 2021, Iacob-Ridzi t/Roemenië, EHRM 10 januari 2023, Safssafi t/Nederland www.echr.coe.int. Zie ook A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DE HEYNING, “Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg”, T. Strafr. 2017, 227-229; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2021, 1400-1403; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol. 2, 2023, 2259-2279.
(14)Cass. 19 december 2023, AR P.23.1157.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2, AC 2023, nr. 854; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0343.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4, AC 2022, nr. 417, Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1, AC 2022, nr. 310, noot OM.
(15)Cass. 19 december 2023, AR P.23.1157.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2, AC 2023, nr. 854; Cass. 22 november 2022, AR P.22.0989.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12, AC 2022, nr. 750, RABG 2023, 640 noot V. VEREECKE; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0832.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19, AC 2022, nr. 710, NC 2023, 273; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, AC 2022, nr. 435, RABG 2022, 1353; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0343.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4, AC 2022, nr. 417 ; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1, AC 2022, nr. 310, noot OM; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2, AC 2021, nr. 443.
(16)Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, AC 2023, nr. 706, RO 17. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140715.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211026.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div