← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2024 EC

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.24.0053.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: Onderwerp: De overschrijding van de redelijke termijn – Beveiligingsmaatregel - Herstel in het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor een theoretisch en een praktisch examen en voor een medisch en een psychologisch onderzoek (artikel 38, § 6, Wegverkeerswet).

  1. Eiser werd schuldig verklaard aan een snelheidsovertreding begaan op 15 maart 2021, met name binnen een bebouwde kom, de maximum toegelaten snelheid van 50 km/u te hebben overschreden door aan een gecorrigeerde snelheid van 87 km/u te hebben gereden (inbreuk op artikel 11.1, lid 1, Wegverkeersreglement; art. 29, § 3, Wegverkeerswet), met onder meer de omstandigheid dat hij, binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarin hij op 28 augustus 2019 door de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk veroordeeld werd met toepassing van de artikelen 29, § 1, lid 1, 29, § 3, lid 3, 30, §§ 1, 2 of 3, 33, §§ 1 of 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 of 62bis van de Wegverkeerswet, of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen opnieuw heeft overtreden (art. 38, § 6, lid 1, Wegverkeerswet). De eerste rechter was van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak overschreden is en veroordeelde eiser tot een geldboete van 75 euro, te verhogen met opdeciemen, de bijdrage voor het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, de vaste vergoeding en alle kasten van het geding. De eerste rechter legde, gelet op de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, geen verval op van het recht tot sturen. Het openbaar ministerie tekende hoger beroep aan met als grief dat de eerste rechter verzaakte aan het verplichte rijverbod en bovendien ingevolgde artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet de vier herstelproeven moesten worden opgelegd aangezien dit een veiligheidsmaatregel vormt en geen straf. Het bestreden vonnis oordeelt dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden en sluit zich op dit punt aan bij de motivering van de eerste rechter. Anders dan de eerste rechter, oordeelt het bestreden vonnis dat naast een geldboete een effectief verval van het recht tot sturen, weliswaar onder het wettelijk minimum, moet worden opgelegd. Het oordeelt verder dat overeenkomstig artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet gesteld worden van het slagen voor de vier herstelexamens en -onderzoeken. Eiser werd, naast de door de eerste rechter opgelegde geldboete, vervallen verklaard van het recht tot sturen voor een termijn van twee maanden en het herstel van het recht werd afhankelijk gemaakt van het slagen voor de vier herstelexamens en -onderzoeken.
  2. Eiser voert de schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Hij verwijt in essentie dat het bestreden vonnis de overschrijding van de redelijke termijn niet in overweging heeft genomen voor wat het opleggen van de vier herstelexamens en – onderzoeken betreft. De uitgesproken straf, zijnde volgens eiser het opleggen van voormelde examens en onderzoeken zou geenszins gemotiveerd zijn waardoor de motiveringsplicht is geschonden, te meer gelet op de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn.
  3. Artikel 6.
  4. EVRM waarborgt het recht van een behandeling binnen een redelijke termijn. Wanneer de redelijke termijn van een behandeling overschreden is, dient een passend rechtsherstel te worden verleend voor de overdreven lange duur van de procedure

(1). Noch artikel 6.1. EVRM noch de rechtspraak van het EHRM bepalen wat het gevolg is dat moet worden vastgeknoopt aan de overschrijding van de redelijke termijn. Buiten de situatie waarbij de overschrijding van de redelijke termijn gevolgen heeft op de bewijsvoering of de uitoefening van de rechten van verdediging, zal de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, moeten bepalen wat het meest passende herstel hiervoor is op het vlak van de straftoemeting. Wanneer de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, kan hij ofwel de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf opleggen die lager is dan de wettelijke minimumstraf, overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. De rechtspraak aanvaardt dat de rechter een straf of straffen kan uitspreken die bij wet zijn bepaald, voor zover hij een reële en meetbare strafvermindering toepast op alle of één of meerdere van de straffen die hij zou hebben opgelegd indien er geen overschrijding van de redelijke termijn was. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de rechter in zulk geval te vermelden tot welke straf hij de beklaagde zou hebben veroordeeld indien de redelijke termijn niet was overschreden
(2). 4. In casu bevond de eiser zich in staat van herhaling zoals bepaald in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. Artikel 38, § 6, Wegverkeerswet regelt een bijzonder herhalingsregime. Bij het herhaald plegen van zware verkeersovertredingen moet de rechter een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig opleggen van minimum drie, zes of negen maanden naargelang er sprake is van een enkelvoudige, tweevoudige of drievoudige recidive. Overeenkomstig artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, is de rechter tevens verplicht om, naast het opleggen van een rijverbod, het herstel van het recht tot sturen, afhankelijk te maken van het slagen afhankelijk te maken van het slagen voor een theoretisch en een praktisch examen en voor een geneeskundig en een psychologisch onderzoek. De verplichting om te slagen voor een theoretisch en een praktisch examen en voor een geneeskundig en een psychologisch onderzoek om het herstel in het recht tot sturen te verkrijgen nadat het verval van het recht tot sturen bij vonnis is uitgesproken, is echter geen strafrechtelijke sanctie, maar een beveiligingsmaatregel
(3). Een beveiligingsmaatregel heeft primair de bedoeling de samenleving te beschermen tegen personen of situaties die een gevaar kunnen opleveren en wordt opgelegd met als doel het algemeen belang te beschermen
(4). Zo oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de verplichting om te slagen voor een theoretisch en een praktisch examen en voor een geneeskundig en een psychologisch onderzoek om het herstel in het recht tot sturen te verkrijgen nadat het verval van het recht tot sturen bij vonnis is uitgesproken, een preventieve beveiligingsmaatregel betreft die een doel van algemeen belang nastreeft. Het Grondwettelijk Hof stelt dat “de verplichting om te slagen voor een theoretisch en praktisch examen en voor een medisch en psychologisch onderzoek om het herstel in het recht tot sturen te verkrijgen nadat het verval van het recht tot sturen bij vonnis is uitgesproken, beoogt dus niet de recidiverende bestuurder te bestraffen, maar de maatschappij tegen onverantwoord verkeersgedrag te beschermen. De maatregel die beoogt te waarborgen dat een bestuurder over de vereiste bekwaamheden en kwalificaties beschikt om zich in het verkeer te begeven, is evenredig met de nagestreefde doelstelling en zou niet als een strafmaatregel kunnen worden beschouwd louter vanwege de gestrengheid ervan”
(5). Het lijkt mij verdedigbaar om te stellen dat een beveiligingsmaatregel, die aldus niet tot doel heeft de dader van een misdrijf te straffen maar opgelegd wordt in het algemeen belang, niet in aanmerking kan komen om gemilderd te worden (bv. door het opleggen van slechts één van de vier herstelexamens en - onderzoeken) of niet opgelegd te worden, als passend herstel voor een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. In de rechtsleer kan steun gevonden worden voor deze visie. Zo stelt F. KUTY “Les mesures de sûreté n'etant pas une peine, la condamnation par simple déclaration de culpabilité n'exclus pas leur prononciation pourvu que leurs conditions d'application soient réunies” (vrije vertaling: “Aangezien veiligheidsmaatregelen geen straf zijn, sluit een eenvoudige schuldigverklaring niet uit dat deze worden opgelegd op voorwaarde dat aan de voorwaarden voor toepassing ervan is voldaan.)”
(6). J. MEESE stelt dat het verval van het recht tot sturen als sanctie niet kan worden uitgesproken in combinatie met een eenvoudige schuldigverklaring, maar het verval van het recht tot sturen dat gegrond is op een lichamelijke ongeschiktheid (artikel 42 Wegverkeerswet) steeds kan worden opgelegd, omdat het een beveiligingsmaatregel betreft
(7). Ook tijdens de parlementaire besprekingen van het wetsontwerp tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, werd gesteld dat de eenvoudige schuldigverklaring niet verhindert dat strafaanvullende maatregelen worden uitgesproken
(8). Hoewel dit handelt over de mogelijke gevolgen van een eenvoudige schuldigverklaring bespreken, kan mijns inziens hieruit afgeleid worden dat beveiligingsmaatregelen los staan van een strafvermindering als passend herstel voor een overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre het middel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht. Zoals vermeld legde het bestreden vonnis een verval van het recht tot sturen op voor een termijn onder het wettelijk minimum, zodat de opgelegde bestraffing ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn op een duidelijke en reële wijze werd verminderd. De beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ik heb geen ambtshalve middelen. Conclusie: verwerping. ______________________________
(1)Over de redelijke termijn: M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 9° ed., 2021, I, 51-66; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, vol 2, parti III, Larcier 2023, 1411-1681 ; J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier 2006.
(2)Cass. 10 mei 2022, AR P.22.0100.N, AC 2022, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.8; Cass. 8 juni 2016, AR P.16.0236.F, AC 2016, nr. 384, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1; Cass. 7 oktober 2014, AR P.14.0506.N, AC 2014, nr. 580, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141007.3; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N, AC 2013, nr. 269, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2; Cass. 18 september 2012, AR P.12.0349.N, AC 2012, nr. 470, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120918.1.
(3)GwH 28 mei 2019, nr. 88/2019; GwH 11 oktober 2018, nr. 137/2018; GwH 15 juni 2017, nr. 76/2017; GwH 22 december 2016, nr. 168/2016, www.court-const.be; Cass. 31 mei 2023, AR P.23.0200.F, AC 2023, nr. 393, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3; Cass. 27 oktober 2020, AR P. 20.0869.N, AC 2020, nr. 664, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7; Cass. 10 januari 2018, AR P.17.0827.F, AC 2018, nr. 22, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.4; Cass. 27 april 2016, AR P.15.1468.F, AC 2016, nr. 286, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.8.
(4)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch Strafrecht, Acco, Leuven, 399; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, t. IV: la peine, Larcier 2017, 1174.
(5)GwH 15 juni 2017, nr. 76/2017, B.6.6., www.const-cour.be.
(6)F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, vol 2, parti III, Larcier 2023, p. 1678, nr. 1683.
(7)J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier 2006, p. 317, nr. 334.
(8)Pal.St. Kamer, 1998-99, Doc 1961/5, p. 10. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240326.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120918.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141007.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160427.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160608.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180110.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.