← België

BELGISCHE STAAT contra SOENEN HENDRIK nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.6 Rolnummer: F.23.0020.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra SOENEN HENDRIK nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-07-10 Raadplegingen: 457 - laatst gezien 2026-06-19 00:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240328.1N.6 Fiche 1 De aanwending als bewarende titel bedoeld in artikel 334, § 4, Programmawet, betreft een bewarende maatregel die strekt tot zekerheid van de betaling van de betwiste schuld; het betreft derhalve geen bewarend beslag in eigen handen onderworpen aan de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 Gerechtelijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 334, § 1 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Fiche 2 Deze maatregel moet evenredig zijn met het nagestreefde doel, zodat de rechter de vrijgave van de aangewende som kan bevelen indien de betwisting hem kennelijk gegrond voorkomt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Tekst van de conclusie F.23.0020.N Conclusie van de heer advocaat-generaal S. Ravyse: Het geschil betreft de vraag of de administratie (in 2019) een btw-tegoed kan aanrekenen op een betwiste btw-schuld en op betwiste vennootschapsbelasting. In het bestreden arrest van 6 september 2022 oordeelde het hof van beroep te Gent dat artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 enkel toepasselijk is op niet betwiste schulden en de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek niet zijn vervuld, waardoor de ingehouden bedragen door de administratie dienen te worden vrijgegeven aan de belastingschuldige. In het enig middel voert de eiser de schending aan van het hier toepasselijk artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 (hierna ‘de Programmawet’), zoals gewijzigd bij wet van 25 december 2017, in werking getreden op 1 januari 2019. Waar deze bepaling de mogelijkheid om belastingtegoeden aan te rekenen op belastingschulden aanvankelijk beperkte tot niet betwiste belastingschulden, werd door de wetswijziging van 25 december 2017 de mogelijkheid tot aanrekening van een belastingtegoed op een belastingschuld (onder meer) uitgebreid tot betwiste belastingschulden ten bewarende titel. Hoewel de hier toepasselijke versie van artikel 334, § 4, van de Programmawet de aanrekening van tegoeden voorziet voor betwiste belastingschulden ten bewarende titel, oordeelt de appelrechter dat deze bepaling beperkt is tot niet betwiste schulden. Aannemelijk steunde de appelrechter zich op de vorige (oude) versie van artikel 334 van de Programmawet. De eiser voert terecht aan dat de appelrechter met die beoordeling artikel 334 van de Programmawet miskent. Het middel komt gegrond voor. Bij arrest van 12 december 2008 oordeelde het Hof dat een dergelijke aanzuivering een wijze van betaling bij wege van schuldvergelijking uitmaakt en op deze vorm van schuldvergelijking de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn
(1). In de voorbereidende werken bij de voormelde wetswijziging van 25 december 2017 herhaalt de wetgever dat de aanzuivering een schuldvergelijking ‘sui generis’ betreft
(2). In zoverre het middel aanvoert dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn, komt het eveneens gegrond voor. In het voormelde arrest 12 december 2008 oordeelde het Hof ook dat de maatregel evenredig moet zijn met het nagestreefde doel en dat de rechter op vraag van de schuldenaar de vrijgave van de aangezuiverde som kan bevelen indien de betwisting hem kennelijk gegrond voorkomt. De door de verweerster in haar memorie aangevoerde voorstelling dat het middel naar recht faalt omdat een rechterlijke toetsing mogelijk moet zijn, heeft geen betrekking op de in het middel aangevoerde schendingen. Besluit: cassatie. ______________________________
(1)Cass. 12 december 2008, AR F.07.0072.N, AC 2008, nr. 729, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.5.
(2)Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 2746/1, 70, https://www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/2746/54K2746001.pdf. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240328.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240328.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.