id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 Rolnummer: P.23.1759.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-08-16 Raadplegingen: 699 - laatst gezien 2026-06-16 14:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.14 Fiches 1 - 3 Wanneer een beklaagde hoger beroep aantekent tegen een beslissing waarbij hij op grond van meerdere bewezenverklaarde telastleggingen bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek tot één straf werd veroordeeld en in zijn grievenschrift als grief vermeldt dat hij de schuld aan sommige van die telastleggingen betwist, is in hoger beroep niet alleen de schuld aan die laatste telastleggingen aanhangig maar ook de volledige straftoemetingsbeslissing met betrekking tot het geheel van de bewezenverklaarde telastleggingen; de saisine van de rechter in hoger beroep strekt zich in dat geval ook uit tot alle wettelijk mogelijke straffen en of maatregelen die op grond van de bewezenverklaarde telastleggingen kunnen of moeten worden opgelegd
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter STRAF - SAMENLOOP - Meerdaadse STRAFVORDERING Fiches 4 - 7 Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier vermeldt het hoger beroep van de beklaagde te volgen, geeft het te kennen dat het tegen het beroepen vonnis dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde
(1); hieruit volgt dat, wanneer een beklaagde hoger beroep instelt en een grief vermeldt over de schuld aan een of meerdere telastleggingen, het hoger beroep van het openbaar ministerie waarbij dezelfde grief wordt aangevoerd, de appelrechter rechtsmacht verleent om te oordelen over de schuld aan die telastleggingen alsook over de hiervoor in voorkomend geval op te leggen straffen en of maatregelen, die ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie door de appelrechter kunnen worden verzwaard
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter STRAF - SAMENLOOP - Meerdaadse STRAFVORDERING OPENBAAR MINISTERIE Tekst van de conclusie P.23.1759.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De straftoemeting na het hoger beroep van de beklaagde met als grief ‘straf en/of maatregel’ en het hoger beroep van het openbaar ministerie met als enige grief ‘volgappel’, ingevuld in de rubriek ‘andere’ ”.
- Procesverloop. Eiser wordt vervolgd wegens A) het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap of onder invloed van drugs of geneesmiddelen (art. 35 Wegverkeerswet), B) het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol met een concentratie van ten minste 0,35 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht, namelijk 0,90mg/lUAL (art. 34, § 2, 1° Wegverkeerswet), C) onopzettelijke slagen en verwondingen (art. 418 en 420 Sw.), D) het niet in alle omstandigheden hebben kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis (art. 10.1.3 Wegverkeersreglement en art. 29, § 1, lid 3, en 38, § 1.3° Wegverkeerswet) en E) het besturen van een voertuig op een autosnelweg aan een lagere snelheid dan 70 km/u zonder dat er een snelheidsbeperking gold (art. 21.2 Wegverkeersreglement en art. 29, § 1, lid 3, en 38, § 1.3° Wegverkeerswet). De Politierechtbank te Vilvoorde achtte bij vonnis van 5 december 2022 alle feiten bewezen en legde aan eiser een straf op voor het geheel, namelijk een geldboete van 1.600 euro (incl. opdeciemen), met uitstel voor de helft gedurende drie jaar, en bijkomend het verval van het recht tot het besturen van alle motorvoertuigen voor een termijn van twee maanden, waarbij het herstel afhankelijk is van het slagen in een medisch onderzoek en een psychologisch onderzoek. Op 4 januari 2023 stelde eiser hoger beroep in tegen alle beschikkingen van het vonnis en diende hij op dezelfde dag een grievenformulier in ter griffie, waarin hij de vakken schuld en straf en/of maatregel heeft aangekruist en in de vakken volgende tekst aanbracht: In het vak schuld: “De vrijspraak wordt gevorderd voor de tenlasteleggingen C (onopzettelijke slagen en verwondingen), D (stoppen voor voorzienbare hindernis), E (lagere snelheid dan toegelaten). Deze tenlasteleggingen zijn niet bewezen en worden betwist.” In het vak Straf en/of maatregel is geschreven: “Geldboete 1600 euro/rijverbod waarna medisch psychologisch onderzoek, Tenlasteleggingen zijn niet bewezen, minstens geen oorzakelijk verband, Te hoge geldboete, Te hoog rijverbod, Examens niet noodzakelijk”. Op 9 januari 2023 heeft de procureur des Konings hoger beroep ingesteld tegen alle beschikkingen van het vonnis en in het grievenformulier, die dag ingediend ter griffie, alleen het vak ‘Andere (herroeping van (probatie)opschorting of (probatie)uitstel, herstelvordering en/of teruggave, gerechtskosten, e.a.)’ aangekruist. In dat vak werd alleen het woord ‘volgberoep’ geschreven. Het bestreden vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, correctionele kamer 21N, van 15 november 2023, verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en stelt over haar rechtsmacht (saisine): “De rechtbank neemt kennis van de grieven van het hoger beroep van beklaagde. Deze betreffen de schuld voor wat betreft de tenlasteleggingen C, D en E en de strafmaat. De rechtbank neemt kennis van de grief van het hoger beroep van het openbaar ministerie. Deze betreft een volgberoep. De rechtbank beperkt de behandeling van deze zaak in graad van beroep tot de aangehaalde grieven” (blz. 3). Het bestreden vonnis spreekt eiser vrij voor de inbreuk van het niet tijdig kunnen stoppen (feit D) en legt met eenparigheid van stemmen één straf opgelegd voor de bewezen verklaarde feiten A, B, C en E, namelijk de straffen en maatregelen uitgesproken door de eerste rechter en daarbij de maatregel van de beperking van de geldigheid van het rijbewijs tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot gedurende één jaar (art. 37/1 Wegverkeerswet), waarbij de geldboete wordt verminderd met de kosten voor de installatie en het gebruik van het alcoholslot.
- Middel. In een eerste middel voert eiser aan dat ingevolge zijn grievenformulier en dat van het openbaar ministerie de saisine van het appelgerecht, wat betreft de straftoemeting, beperkt was tot de beoordeling van de straffen die specifiek door hem zijn aangeduid. Het openbaar ministerie heeft door het aankruisen van de rubriek ‘andere’ en gebruik van het woord ‘volgappel’ uitdrukkelijk en zonder redelijke twijfel aangegeven dat het zich de grieven van eiser eigen maakt. In strijd met de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering (Sv.) heeft de rechter in hoger beroep het alcoholslot opgelegd als bijkomende maatregel.
- Beoordeling 3.
- De opgave van grieven door de beklaagde. Op straffe van verval van het hoger beroep moet de eiser in hoger beroep een verzoekschrift of grievenformulier indienen, binnen de termijn van hoger beroep, dat nauwkeurig de grieven bevat die tegen het beroepen vonnis worden ingebracht (art. 204 Sv.). Een grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing, in het verzoekschrift of grievenformulier van hoger beroep, van een beslissing van het beroepen vonnis waarvan de eiser in hoger beroep de hervorming door de appelrechter vraagt
(1). De grievenverplichting heeft betrekking op de aanduiding van het voorwerp van het hoger beroep en niet op de aanduiding van de redenen waarom iets wordt bestreden
(2). Het grievenstelsel houdt in dat het hoger beroep zich in beginsel zal toespitsen op de beslissingsonderdelen vermeld in de akte van hoger beroep (art. 203 Sv.) en op de specifieke grieven die de eiser in hoger beroep tijdig inbrengt tegen het beroepen vonnis
(3). Slechts in een beperkt aantal gevallen kan de rechter in hoger beroep het debat en zijn rechtsmacht verruimen door een ambtshalve grief aan te brengen (art. 210 Sv.) of de zaak (in zijn geheel) aan zich te trekken (art. 215 Sv.). Het grievenformulier (KB 18 februari 2016, vervangen door het KB van 23 november 2017) bestaat uit twee kolommen, met als hoofdingen bovenaan ‘aankruisen indien van toepassing’ (linkerkolom) en ‘onderdeel van de beslissing met beknopte opgave van de reden(en)’ (rechterkolom) en heeft als derde rij een rubriek over alleen de straftoemeting. Het modelformulier vermeldt onder die laatste rubriek: “straf en/of maatregel (verplicht te vermelden straffen en/of maatregelen die worden betwist)”. De beklaagde die wordt veroordeeld tot een straf en bijkomend enkele veiligheidsmaatregelen moet ondergaan, zoals herstelonderzoeken (art. 38, §§ 3 en 6 Wegverkeerswet), kan ingevolge dit grievenstelsel (art. 204 Sv.) de rechtsmacht van de rechter in hoger beroep beperken tot alleen de straftoemeting of, meer specifiek, tot bepaalde straffen of maatregelen
(4). Hij kan het debat over de straftoemeting op gang brengen door ofwel de rubriek ‘straf en/of maatregel’ aan te kruisen en zo nodig aan te geven welke straf of maatregel hij te zwaar vindt, dan wel in een ander vak (zoals ‘Andere’) of zelfs buiten elk vak duidelijk te vermelden dat hij opkomt tegen de gehele beslissing inzake straftoemeting of tegen onderdelen van die beslissing. Het Hof nam aan dat de eiser in hoger beroep zijn grief kan beperken tot een aspect van een rubriek vermeld in het model-grievenformulier
(5). Bij het bepalen van zijn rechtsmacht of omvang van het debat in tweede aanleg, kan de rechter in hoger beroep rekening houden met de op het grievenformulier vermelde informatie over het beperken van de grief tot een welbepaalde beslissing binnen de aangekruiste rubriek, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(6). Verder stelde het Hof: “De omstandigheid dat een appellant in zijn verklaring van hoger beroep aangeeft dit rechtsmiddel te richten tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, maar in het grievenformulier slechts grieven aanvoert tegen bepaalde beslissingsonderdelen, heeft niet tot gevolg dat de saisine van het appelgerecht zich uitstrekt tot alle beschikkingen van het beroepen vonnis. Zij is beperkt tot die beslissingsonderdelen waartegen de appellant grieven aanvoert, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden”
(7). 3.2. Het volgappel van het openbaar ministerie. Wanneer alleen de beklaagde hoger beroep instelt en als grief schuld of straf opgeeft, mag de rechter in hoger beroep geen zwaardere straf of bijkomende straf opleggen. Deze beperking is gekend als het beginsel van de ‘relatieve werking van het hoger beroep’
(8). Wanneer het openbaar ministerie tijdig hoger beroep instelt en concrete grieven aanbrengt over de straftoemeting is dit mechanisme doorbroken
(9). De vraag in deze zaak is te weten wat de draagwijdte is van de enkele grief ‘volgberoep’ van de procureur des Konings, ondergebracht in het vak ‘Andere’. Betekent deze vermelding dat het openbaar ministerie een zwaardere straf nastreeft, of zich gewoon aansluit bij de grieven aangebracht door de beklaagde? In het tweede geval is het opleggen van een bijkomende straf, zoals een ontzetting uit burgerlijke rechten (art. 31 Sw.), of een bijkomende veiligheidsmaatregel, zoals het alcoholslot (art. 37/1 Wegverkeerswet), problematisch, aangezien de grief van de beklaagde de vraag inhoudt van een mildere bestraffing. Daarbij komt dat de beoordelingsmarge bij een enkele grief ‘volgappel’ aangekruist in het vak ‘andere’, afhangt van welke beslissingsonderdelen de beklaagde in zijn grievenformulier heeft aangeduid. Het voor het eerst opleggen van een alcoholslot in hoger beroep is toegelaten als het openbaar ministerie een afzonderlijke grief inzake de straffen of maatregelen heeft geformuleerd, en die grief niet heeft betwist tot de straffen betwist door de beklaagde. Het is vaste rechtspraak dat wanneer het openbaar ministerie in het model-grievenformulier de rubriek “Straf en/of maatregel” aanduidt, dit in de regel impliceert dat het de wijziging nastreeft van alle beslissingen van het beroepen vonnis over de strafmaat lastens de beklaagde waartegen het zijn hoger beroep richt, dit wil zeggen van alle beslissingen over het al dan niet opleggen van hoofd-, bijkomende en vervangende straffen of modaliteiten van die straffen aan die beklaagde
(10). Hieruit volgt dat het appelgerecht wel degelijk saisine heeft om de beklaagde een bijkomende straf of maatregel op te leggen, zelfs al heeft het openbaar ministerie deze straf of maatregel niet in eerste aanleg gevorderd, aangezien niet die vordering maar het grievenschrift bepalend is voor de saisine
(11). Het is daarbij zonder belang of de eerste rechter al dan niet een bepaalde straf of maatregel heeft opgelegd
(12). Wanneer het openbaar ministerie een ontvankelijk hoger beroep instelde en in zijn grievenformulier het vak van ‘straf en/of maatregel’ heeft aangekruist, zonder voorbehoud, mag de rechter in hoger beroep voor het eerst de maatregel van het alcoholslot opleggen. Het Hof oordeelde op 23 januari 2024: “Het opgeven door een appellant die de rubriek “Straf en/of maatregel” van het modelgrievenformulier heeft aangekruist, van de redenen voor het aanvoeren van die grief, is in beginsel zonder invloed op de draagwijdte van de grief, tenzij uit die redenen ondubbelzinnig het tegendeel blijkt. Indien een appellant die de rubriek “Straf en/of maatregel” van het modelgrievenformulier heeft aangekruist als redenen “volgappel” en de wenselijkheid van de oplegging van een zwaardere bestraffing vermeldt, houdt dit geen inperking in van de saisine van het appelgerecht op het vlak van de straftoemeting en belet dit het appelgerecht niet om naast straffen ook maatregelen zoals een alcoholslot op te leggen. Een beklaagde dient bij zijn verdediging rekening ermee te houden dat het appelgerecht binnen zijn saisine en in het licht van de relatieve werking van de ingestelde rechtsmiddelen alle straffen en of maatregelen kan opleggen die de wet toelaat en dit ongeacht of de eerste rechter die straffen en of maatregelen heeft opgelegd. Uit geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt de verplichting om de beklaagde uitdrukkelijk te wijzen op de mogelijkheid van het opleggen door het appelgerecht van een niet door de eerste rechter uitgesproken of door het openbaar ministerie uitdrukkelijk gevorderde straf”
(13). Dit oordeel had betrekking op een zaak waarin het openbaar ministerie opkwam tegen de beslissing van de politierechtbank om geen alcoholslot op te leggen, in zijn grievenformulier het vak ‘straf en/of maatregel’ had aangekruist, en die grief verduidelijkte met de mededelingen ‘volgappel’ en ‘de wenselijkheid van de oplegging van een zwaardere bestraffing’. Het Hof oordeelde dat deze grief met deze toelichting, de rechter in hoger beroep niet belette om naast straffen ook maatregelen zoals een alcoholslot op te leggen
(14). Het bestreden vonnis heeft uit het grievenformulier afgeleid dat het openbaar ministerie alleen een volgberoep heeft ingesteld. Het is vaste rechtspraak dat indien het openbaar ministerie in zijn grievenformulier verwijst naar het hoger beroep ingesteld door de beklaagde en aangeeft dit te volgen, het te kennen geeft dat het binnen de perken van zijn (navolgend) hoger beroep tegen het beroepen vonnis dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde, zich de grieven van de beklaagde eigen maakt
(15). Het gevolg daarvan is dat het openbaar ministerie de saisine van de rechter in hoger beroep beperkt tot de beslissingsonderdelen die de beklaagde in zijn grievenformulier vermeldt
(16). Raadsheer Bart MEGANCK stelt m.i. terecht dat het openbaar ministerie dat in zijn grievenformulier aangeeft louter volgberoep in te stellen “er rekening mee moet houden dat een volgberoep het (positieve) spiegelbeeld is van de grieven van de beklaagde en dus ook door de appelrechter binnen die perken beoordeeld zal dienen te worden”
(17). Het volgappel van het openbaar ministerie is door de wetgever ingelast in art. 203, § 1 Sv. om aan de rechter in hoger beroep de mogelijkheid te geven de strafrechtelijke veroordeling te kunnen verzwaren, zodat beklaagden niet automatisch hoger beroep instellen tegen een veroordeling, en op die manier de werklast van de rechter in hoger beroep beheersbaar blijft
(18). Vooraf moet worden opgemerkt dat het volgappel van het openbaar ministerie geen incidenteel beroep is, maar een zelfstandig principaal hoger beroep, dat niet afhankelijk is van het lot van het eerder door de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij ingestelde hoger beroep
(19)… Om de draagwijdte in te schatten van de grief ‘volgappel’ van het openbaar ministerie lijken mij drie aspecten van belang. Vooreerst geldt de verplichting van de eiser in hoger beroep om tijdig nauwkeurige grieven aan te brengen tegen het beroepen vonnis ook voor het openbaar ministerie (art. 204 Sv.)
(20). Het is niet omdat het openbaar ministerie gebruik maakt van zijn recht om na het hoger beroep van de beklaagde een volgberoep in te stellen, dat de rechter in hoger beroep de toestand van de beklaagde automatisch mag verzwaren. De grieven zijn volgens het Hof nauwkeurig wanneer de appelrechters en de partijen met zekerheid de beslissing of de beslissingen van het beroepen vonnis kunnen bepalen waarvan de appellant de hervorming vraagt, met andere woorden wanneer daardoor de mate waarin de zaak bij de appelrechters aanhangig is gemaakt, kan worden bepaald
(21). Een beroepsgrief van het openbaar ministerie dat uitsluitend is geformuleerd als volgappel, zonder aankruising van het vak ‘Straf en/of maatregel’ wordt nauwkeurig geacht, in de zin dat de rechter in hoger beroep op basis van die grief het hoger beroep van het openbaar ministerie niet vervallen kan verklaren
(22). Daaruit volgt evenwel nog niet dat de enkele grief ‘volgappel’ voldoende nauwkeurig is om daaruit af te leiden dat het openbaar ministerie een zwaardere bestraffing nastreeft. Aangezien het openbaar ministerie met die grief dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde, vormt strafverzwaring een probleem. De beklaagde die een grief aankruist inzake straftoemeting hoopt immers om in hoger beroep een lichtere straf te bekomen, terwijl het openbaar ministerie vanuit het belang van de samenleving van oordeel kan zijn dat de bestraffing in eerste aanleg ontoereikend, correct of te zwaar is. Alleen als het openbaar ministerie de straffen of maatregelen in het beroepen vonnis overdreven acht, vormt de grief ‘volgappel’ een goed aanknopingspunt, omdat er in dat geval een ‘spiegelbeeld van grieven’ ontstaat
(23). Ten tweede heeft het tijdstip van het ontvankelijk hoger beroep van het openbaar ministerie geen effect op het aankruisen van grieven. Het instellen van een hoger beroep in de bijkomende termijn van tien dagen, na het verstrijken van de termijn van 30 dagen van het hoger beroep van de beklaagde, verhindert het openbaar ministerie niet de grief ‘Straf en/of maatregel’ aan te duiden. Raadsheer Eric VAN DOOREN en ere-Eerste Voorzitter Michel ROZIE stellen hierover: “De additionele termijn geeft het openbaar ministerie meer bedenktijd om over zijn eventueel volgappel en de daarbij horende grieven te reflecteren”
(24). Het aankruisen van het vak ‘Andere’ met als geschreven toevoeging ‘volgberoep’ is dus niet de enig mogelijke optie. Raadsheer Steven VAN OVERBEKE geeft over de bijkomende beroepstermijn van tien dagen aan dat de wetgever daarmee beoogde “een comfortabele mogelijkheid te creëren voor het Openbaar Ministerie om de devolutieve werking -en met name de relatieve werking- van het hoger beroep van de beklaagde te verruimen (lees: een strafverzwaring mogelijk te maken in hoger beroep), ook en vooral wanneer het beroepen vonnis bij verstek werd gewezen en het hoger beroep van de beklaagde wordt aangetekend op een ogenblik dat de standaard-beroepstermijn voor het Openbaar Ministerie reeds verstreken is”
(25). Dit doorbreken van de relatieve werking van het hoger beroep van de beklaagde vereist wel dat het openbaar ministerie tijdig een verklaring van hoger beroep indient ter griffie (art. 203, § 1 Sv.) samen met een grievenschrift (art. 204 Sv.) dat een nauwkeurige grief over de strafmaat bevat, waaruit blijkt dat het de bestraffing door de eerste rechter als ontoereikend opvat
(26). Ten derde is de rubriek ‘Andere’ in het modelgrievenformulier verschillend van de rubriek ‘Straf en/of maatregelen’.. Het komt in de praktijk voor, zeker wanneer het volgberoep wordt ingesteld na het verstrijken van de termijn van dertig dagen van de beklaagde, dat de procureur des Konings het vak ‘Andere’ aankruist en daarbij ‘volgberoep’ vermeldt, ook al beoogt hij daarmee een zwaardere of bijkomende bestraffing. Doordat het vak ‘Straf/en of maatregelen’ niet is aangekruist, zoals in de voorliggende zaak, gaat het om een ‘louter volgappel’. Het gevolg daarvan is dat de rechter in hoger beroep geen rechtsmacht (saisine) heeft voor de gehele straftoemetingsbeslissing, dit is de beoordeling van “elk aspect van de bestraffing, zowel het opleggen of het niet-opleggen van hoofdstraffen en bijkomende straffen, hun maat en de modaliteiten ervan, alsook de veiligheidsmaatregelen”
(27). Uit deze drie elementen komt m.i. naar voor dat bij een louter volgappel van het openbaar ministerie, wat blijkt uit zijn tijdig grievenformulier, de rechter in hoger beroep inzake straftoemeting is gebonden door de beslissingsonderdelen die de beklaagde in zijn grievenformulier heeft vermeld. Indien de beklaagde een grief formuleerde over het opleggen van een straf of maatregel of de strafmaat, moet voor de interpretatie van de grief ‘volgappel’ worden gelet op de relatieve werking van het hoger beroep van de beklaagde. De beklaagde kan over de straftoemeting alleen maar een grief aanbrengen over een straf of maatregel die de eerste rechter heeft opgelegd. Zijn grief kan nooit een vraag inhouden om een bijkomende straf of maatregel op te leggen, gelet op de relatieve werking van het hoger beroep… Daarbij komt dat als de beklaagde tijdig grieven aanbrengt tegen specifieke straffen of maatregelen, de enkele grief ‘volgberoep’ van het openbaar ministerie de rechter in hoger beroep verhindert om andere straffen of maatregelen te beoordelen, dan deze geviseerd door de beklaagde. Reden is opnieuw dat de grief ‘volgappel’ zonder verdere toelichting inhoudt dat het openbaar ministerie zich aansluit bij de specifieke grieven van de beklaagde. Het eerste middel komt mij dan ook gegrond over. De situatie is allicht anders als het openbaar ministerie in het vak ‘Andere’ de term ‘volgappel’ invult met daarbij een toevoeging die zonder redelijke twijfel gericht is op een bijkomende straf, zoals ‘feiten onvoldoende beteugeld’ of ‘noodzaak om een bijkomende straf of maatregel op te leggen’. In deze situatie zou men kunnen aannemen dat de grief van het openbaar ministerie, hoewel het daarvoor bestemde vak ‘Straf en/of maatregel’ niet is aangekruist, toch een grief inhoudt over de gehele straftoemeting, die de rechter in hoger beroep toelaat een bijkomende straf of maatregel op te leggen
(28)… Wil het openbaar ministerie alle opties inzake straftoemeting openhouden, dan kan het best het vak ‘Straf en/of maatregel” aankruisen, zonder enige beperking
(29). De procureur des Konings mag er dus niet van uitgaan dat door het louter vermelden van de grief ‘volgappel’ de rechter in hoger beroep alle mogelijkheden heeft om de toestand van de beklaagde te verzwaren, met inbegrip van bijkomende straffen of veiligheidsmaatregelen. Het grievenstelsel is ingevoerd om de zaken in hoger beroep doelmatiger te behandelen, te beperken tot de betwiste onderdelen van het beroepen vonnis
(30). De wetgever wou de eiser in hoger beroep aansporen om concrete grieven in te brengen tegen het beroepen vonnis en goed na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen zijn hoger beroep, zodat de tegenpartij dadelijk kan uitmaken welke beslissingen worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal voeren
(31). Deze doelstelling geldt ook voor het openbaar ministerie dat na de beklaagde hoger beroep instelt
(32). Is strafverzwaring voor hem een optie, dan vermijdt hij best het woord ‘volgappel’ in te vullen in het grievenformulier. Tenslotte is er het gegeven dat het alcoholslot (art. 37/1, § 1 Wegverkeerswet) een beveiligingsmaatregel is
(33)die verschilt van de beveiligingsmaatregel van het medisch of psychologisch herstelonderzoek (art. 38, §§ 3, 5 en 6 Wegverkeerswet)
(34), reeds bevolen door de eerste rechter en bevestigd in het bestreden vonnis. Mij komt voor dat bij een loutere grief ‘volgberoep’ van het openbaar ministerie geënt op een specifieke grief van de beklaagde over herstelonderzoeken de rechter niet kan aannemen dat de grief van het volgappel toelaat om, voor het eerst, de maatregel van het alcoholslot op te leggen. Het eerste middel is bijgevolg gegrond. Het tweede middel over het opleggen van het alcoholslot zonder dat daarover een debat is gevoerd, kan niet leiden tot een ruimere cassatie, en behoeft aldus geen antwoord
(35). Tenslotte is het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, voor zover hij opkomt tegen de vrijspraak wegens telastlegging D. Omvang van de Cassatie. In geval van vernietiging verwijst het Hof van Cassatie, indien daartoe aanleiding is, de zaak, hetzij naar een gerecht van dezelfde rang als het gerecht dat de vernietigde beslissing heeft gewezen, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld (art. 435, eerste lid, Sv.). Indien de nietigheid slechts betrekking heeft op een bijkomende straf of maatregel en dus niet slaat op de schuldigverklaring of de hoofdstraffen, kan er grond zijn tot cassatie zonder verwijzing van de zaak, beperkt tot de onwettig uitgesproken bijkomende straf of maatregel
(36). Eiser in cassatie is de mening toegedaan dat als uw Hof het middel gegrond verklaart, er reden is tot cassatie “in zoverre het de geldigheid van het rijbewijs van de beklaagde beperkt tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot gedurende een termijn van één jaar”. Ik meen dat dit standpunt correct is, aangezien cassatie zonder verwijzing is aangewezen wanneer een eventuele verwijzingsrechter gehouden zou zijn zich te schikken naar wat uw Hof beslist heeft, en er aldus voor deze rechter niets meer te oordelen blijft
(37). Bovendien heeft de rechter in hoger beroep met afzonderlijke motieven geoordeeld over de hoofdstraf van de geldboete, de bijkomende straf van het rijverbod en de maatregelen van de herstelonderzoeken, zonder deze straffen of maatregelen te verzwaren. De onwettigheid wat betreft de bijkomende maatregel van het alcoholslot lijkt mij vermelde onderdelen van de straftoemeting niet aan te tasten
(38). Besluit: Gedeeltelijke cassatie zonder verwijzing van de zaak, wat betreft de maatregel van het alcoholslot, en verwerping voor het overige. ____________________________________
(1)Cass. 11 oktober 2023, AR P.22.1491.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.14, AC 2023, nr. 646, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 7 maart 2023, AR P.22.1478.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.1, AC 2023, nr. 173; Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1245.N, AC 2021, nr. 12, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1; Cass. 5 mei 2020, AR P.20.0047.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.3, AC 2020, nr. 269; Cass. 30 oktober 2019, AR P.19.0773.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.6, AC 2019, nr. 561; Cass. 16 mei 2018, AR P.17.1086.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180516.1, AC 2018, nr. 309, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas; Cass. 6 februari 2018, AR P.17.0457.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1, AC 2018, nr. 75; Cass. 1 februari 2017, AR P.16.1100.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9, AC 2017, nr. 78.
(2)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1702.N, AC 2024, nr. 61, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11; E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?”, in Vijftig jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu? Hommage aan Ernest Krings en Marcel Storme, Larcier 2018, 742; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (“Potpourri II”), tweede deel, RW 2015-16, 1447-1454; 115-133.
(3)Cass. 20 december 2023, AR P.23.0636.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231220.2F.3, AC 2023, nr. 865, met concl. van advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 6 december 2023, AR P.23.0502.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231206.2F.5, AC 2023, nr. 812; Cass. 11 mei 2021, AR P.21.0278.N, AC 2021, nr. 342, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 131-174; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1715-1719 en 1733-1743; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2023, 609.
(4)E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 128; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 165-170.
(5)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1245.N, AC 2022, nr. 14, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1.
(6)Cass. 27 juni 2023, AR P.22.1658.N, AC 2023, nr. 480, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38.
(7)Cass. 1 december 2020, AR P.19.1024.N, AC 2020, nr. 732, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11.
(8)Cass. 13 januari 2021, AR P.20.1203.F, AC 2021, nr. 23, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.11; Cass. 11 juin 2019, AR P.19.062.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.1, AC 2019, nr. 358; Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1706.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.4, AC 2015, nr. 101; Cass. 3 maart 2009, AR P.08.1842.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.8, AC 2009, nr. 168; F. LUGENTZ, “La procédure d’appel’, JT 2016, 430-433; S. VAN OVERBEKE, “Nog maar eens nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: wijzigingen door de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis”, RW 2022-23, 1010; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 581-582; M.A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1740; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1438.
(9)S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 49.
(10)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1702.N, AC 2024, nr. 61; Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1245.N, AC 2022, nr. 14, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1; Cass. 5 mei 2020, AR P.20.0047.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.3, AC 2020, nr. 269; Cass. 11 februari 2020, AR P.19.0798.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.2, AC 2020, nr. 117; Cass. 10 oktober 2017, AR P.17.0848.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8, AC 2017, nr. 543, T. Strafr. 2017, 377 noot B. MEGANCK; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal WINANTS, RW 2016-17, 620, NC 2016, 505 en T. Strafr. 2017, 34 noot B. MEGANCK; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 166.
(11)Cass. 6 februari 2024, AR P.22.1163.N, AC 2024, nr. 101, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.16. Zie ook B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: hoe precies moet nauwkeurig zijn?”, T. Strafr. 2017, 43.
(12)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1702.N, AC 2024, nr. 61; Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0207.N, AC 2021, nr. 359, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.4; Cass. 11 februari 2020, AR P.19.0798.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.2, AC 2020, nr. 117.
(13)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1702.N, AC 2024, nr. 61, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11.
(14)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1702.N, AC 2024, nr. 61, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11.
(15)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0671.N, AC 2020, nr. 8, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3; Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1222.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2, AC 2019, nr. 140; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, RW 2016-17, 620, NC 2016, 505 en T. Strafr. 2017, 34 noot B. MEGANCK; E. VAN DOOREN, “Het ambiguë volgappel van het openbaar ministerie”, RW 2016-17, 1402; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 125-127; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, die Keure 2020, 306; M.A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1716.
(16)Cass. 27 september 2017, AR P.17.0647.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6, AC 2017, nr. 506.
(17)B. MEGANCK, Noot onder Cass. 27 september 2017, T. Strafr. 2017, 377.
(18)E. VAN DOOREN, “Het ambiguë volgappel van het openbaar ministerie”, RW 2016-17, 140; S. VAN OVERBEKE, “Nog maar eens nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: wijzigingen door de wet van 6 december 2022 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken IIbis”, RW 2022-23, 1006.
(19)Cass. 23 november 2021, AR P.21.0720.N, AC 2021, nr. 738, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.25; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 121-123.
(20)Zie hierover Omzendbrief Col 05/2016 van het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, herziene versie van 1 juni 2023, p.6-8, www.om-mp.be.
(21)Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?”, in Vijftig jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu? Hommage aan Ernest Krings en Marcel Storme, Larcier 2018, 745-746; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2023, 611.
(22)Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal WINANTS, RW 2016-17, 620, NC 2016, 505 en T. Strafr. 2017, 34 noot B. MEGANCK; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 119; E. VAN DOOREN, “Het ambigue volgappel van het openbaar ministerie”, RW 2016-17, 1402.
(23)Over dit aspect B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: hoe precies moet nauwkeurig zijn?”, T. Strafr. 2017, 44, voetnoot 50; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 124-126.
(24)E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 129.
(25)S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 49.
(26)S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 49 en 121-128 en 166-167; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1715-1716 en 1741-1742; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de procédure pénale, Larcier 2023, 615.
(27)Cass. 6 februari 2024, AR P.22.1163.N, AC 2024, nr. 101. Zie ook Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1702.N, AC 2024, nr. 61, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11.
(28)S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer 2022, 109 en 125-126. Over de grief strafmaat en het verschil met de grief volgappel zie Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0147.N, AC 2020, nr. 437ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4; Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1222.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2, AC 2019, nr. 140.
(29)Over het aankruisen van specifieke grieven in het grievenformulier van het openbaar ministerie, eerder dan te kiezen voor een vak ‘andere’ gevolgd door de enkele vermelding ‘volgberoep’, zie B. MEGANCK, Noot onder Cass. 27 september 2017, T. Strafr. 2017, 377.
(30)Cass. 5 september 2023, AR P.23.0549.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3, AC 2023, nr. 531; Cass. 15 maart 2022, AR P.21.1649.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6, AC 2022, nr. 194, Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N, AC 2021, nr. 635, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10.
(31)Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141, met concl. van advocaat-generaal DECREUS, NC 2017, 280 noot E. VAN DOOREN, T. Strafr. 2017, 135 noot B. MEGANCK; E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?”, in Vijftig jaar Gerechtelijk Wetboek. Wat nu?. Hommage aan Ernest Krings en Marcel Storme, Larcier 2018, 742.
(32)B. MEGANCK, noot onder Cass. 27 september 2017, T. Strafr. 2017, 377.
(33)Cass. 28 september 2021, AR P.21.0262.N, AC 2021, n. 586, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.9; Cass. 8 juni 2021, AR P.21.0368.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.11, AC 2021, nr. 423; C. DE ROY, “De Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders”, RW 2018-19, 125; Ph. TRAEST, Topics verkeers(straf)recht, Intersentia 2021, 31-32
(34)Cass. 31 mei 2023, AR P.23.0200.F, AC 2023, nr. 393, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3.
(35)Noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting noch uit het bestreden vonnis blijkt dat de rechter in hoger beroep de maatregel van het alcoholslot in het debat heeft gebracht.
(36)F. VAN VOLSEM, “Beoordeling van het cassatieberoep in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 219 (over het casseren bij wijze van weglating of inkorting) en 220 (voorbeelden van gedeeltelijke cassatie zonder verwijzing); M.A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1863.
(37)Wat betreft een onwettig bevolen maatregel van het alcoholslot zie Cass. 23 februari 2022, AR P.21.1638.F, AC 2022, nr. 146 en de strijdige conclusie van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE in de zaak Cass. 1 juni 2022, AR P.22.0238.F, AC 2022, nr. 394, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220601.2F.3.
(38)Over dit aspect van cassatie beperkt tot een bijkomende straf of maatregel, zie o.a. Cass. 2 november 2022, AR P.22.0431.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221102.2F.3, AC 2022, nr. 690; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0491.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.13, AC 2022, nr. 310 (wat betreft vonnis 2012/1201); Cass. 23 februari 2022, AR P.21.1638.F, AC 2022, nr. 146, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220223.2F.5; Cass. 9 maart 2011, AR P.10.1769.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110309.2, AC 2011, nr. 186; J. OOSTERBOSCH en J.Ph. DE WIND, “L’étendue de la cassation en matière répressive”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 216-218. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.14 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110309.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180516.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191030.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211123.2N.25 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220223.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220601.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221102.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231206.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231220.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div