id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240423.2N.12 Rolnummer: P.24.0513.N Zaak: PROCUREUR GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-08-21 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-06-15 07:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.12 Fiches 1 - 2 Indien het onderzoeksgerecht een verdachte heeft verwezen naar het vonnisgerecht en met een afzonderlijke beslissing heeft geoordeeld dat de voorlopige hechtenis in de gevangenis of onder elektronisch toezicht wordt gehandhaafd en het vonnisgerecht vervolgens na een overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoek tot voorlopige invrijheidstelling de invrijheidstelling van de betrokkene beveelt mits het naleven van voorwaarden, blijven die voorwaarden gelden tot de eindbeslissing en hun geldigheidsduur niet is beperkt tot maximum drie maanden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 38 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 38 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2024, nr. 4, p. 263-
- - DECAIGNY, Tom; Noot'De geldingsduur van de invrijheidstelling onder voorwaarden in de vonnisfase' Tekst van de conclusie P.24.0513.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS:
- In deze zaak rijst de vraag of het vonnisgerecht die een beklaagde, in het kader van zijn verzoek tot voorlopige invrijheidsstelling neergelegd overeenkomstig artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet, in vrijheid stelt mits het naleven van voorwaarden, wettig kan beslissen dat de opgelegde voorwaarden gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomst die een einde maakt aan de vervolging, dan wel of in zulk geval de opgelegde voorwaarden maximum voor drie maanden kunnen gelden.
- De vrijheid onder voorwaarden en de invrijheidsstelling onder voorwaarden wordt geregeld door de artikelen 35 tot en met 38bis van Titel I, Hoofdstuk X, Voorlopige Hechteniswet.
- Vóór de wijzigingen doorgevoerd door de wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III
(1)was de toestand kort samengevat als volgt: Overeenkomstig artikel 35, § 1, lid 1, Voorlopige Hechteniswet, kan de onderzoeksrechter, in de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Artikel 35, § 5, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeksrechter en de onderzoeks-of vonnisgerechten over dezelfde bevoegdheden beschikken wanneer een verdachte of een beklaagde in vrijheid wordt gesteld. Luidens artikel 36, § 1, lid 1 en 2, Voorlopige Hechteniswet, kan de onderzoeksrechter in de loop van het gerechtelijk onderzoek, ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, één of meer nieuwe voorwaarden opleggen, reeds opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk opheffen, wijzigen of verlengen. De beslissing tot verlenging van de voorwaarden wordt genomen vóór het verstrijken van de door de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 35, § 1, bepaalde termijn. Bij gebreke hiervan vervallen de voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen worden verlengd voor de termijn die hij bepaalt en maximum voor drie maanden. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst, kan zij bij een afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de bedoelde voorwaarde wordt gehandhaafd of ingetrokken. Zij kan geen nieuwe voorwaarden opleggen (artikel 36, § 2, Voorlopige Hechteniswet, in de versie van vóór de wetswijziging door de wet van 18 januari 2024). Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden verlengen voor maximum drie maanden en uiterlijk tot het vonnis. Het vonnisgerecht kan die voorwaarden ook intrekken of vrijstelling verlenen van de naleving van sommige daarvan. Het kan geen nieuwe voorwaarden opleggen (artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet, in de versie van vóór de wetswijziging door de wet van 18 januari 2024). Verder bepaalt artikel 26, § 3, Voorlopige Hechteniswet dat wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank of naar de politierechtbank verwijst wegens een feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarop volgens de wet een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, kan zij de verdachte in vrijheid stellen of, bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft of dat hij in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35 Voorlopige Hechteniswet. Wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis, kan de voorlopige invrijheidsstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift (artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet). Uit deze bepalingen volgt dat wanneer de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten of het vonnisgerecht een verdachte of beklaagde in vrijheid stellen mits het naleven van voorwaarden, de voorwaarden slechts kunnen worden opgelegd voor een duur van maximum drie maanden. De opgelegde voorwaarden kunnen verlengd worden maar dit dient te gebeuren vóór het verstrijken van de opgelegde termijn. Bij gebreke hiervan vervallen de voorwaarden. 4. Artikel 56 van de wet van 18 januari 2024 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken III (hierna "MSS-III wet") wijzigt artikel 36, § 2, Voorlopige Hechteniswet met betrekking tot de geldingsduur van de bij afzonderlijke beschikking van de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, gehandhaafde voorwaarden. Tevens werden wijzigingen aangebracht aan artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet en werd een § 4 ingevoerd. Deze bepalingen luiden thans: "§ 2: Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijst wegens een feit dat de toepassing wettigt van een van de voorwaarden bedoeld in artikel 35, beslist zij bij een afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, of de opgelegde voorwaarden al dan niet gehandhaafd worden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakt aan de vervolging. Zij kan ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan. Zij kan geen nieuwe voorwaarden opleggen. § 3 Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan. Het kan geen nieuwe voorwaarden opleggen. § 4 De beslissingen en beschikkingen, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, krijgen uitwerking op de datum van de beslissing of beschikking". De MSS-III wet heeft eveneens wijzigingen aangebracht aan de artikelen 35
(2)en 38 Voorlopige Hechteniswet, maar deze wijzigingen betreffen voornamelijk de aangewezen diensten voor begeleiding en behandeling waarbij thans naar de bevoegde dienst van de gemeenschappen wordt verwezen. Deze wijzigingen hebben geen betrekking op de geldingsduur van opgelegde voorwaarden. Wel maakt artikel 38 Voorlopige Hechteniswet thans een onderscheid in periodiciteit van de verslaggeving door de bevoegde dienst van de gemeenschappen tussen verslaggeving tijdens het gerechtelijk onderzoek en na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek. Artikel 38, lid 2 en 3, Voorlopige Hechteniswet, zoals gewijzigd door artikel 57 van de MSS-III wet, bepalen dat in het kader van het toezicht op de naleving van de begeleidingsvoorwaarden de bevoegde dienst van de gemeenschappen tijdens het_gerechtelijk onderzoek een verslag overmaakt aan de onderzoeksrechter ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de door hem opgelegde termijn, en de dienst een kopie ervan bezorgt aan de procureur des Konings. Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek bezorgt de bevoegde dienst van de gemeenschappen een verslag aan de procureur des Konings telkens als deze erom verzoekt, en tenminste om de zes maanden.
- Uit een letterlijke lezing van de thans in voege zijnde artikelen 35 en 36 Voorlopige Hechteniswet, blijkt een onderscheid te bestaan tussen: - enerzijds de voorwaarden die lopende het gerechtelijk onderzoek bij een invrijheidsstelling onder voorwaarden door de onderzoeksrechter of het onderzoeksgerecht werden opgelegd en die door de raadkamer, bij de regeling van de rechtspleging, bij een afzonderlijke gemotiveerde beschikking worden gehandhaafd of gewijzigd: deze vallen onder de bepalingen van artikel 36, § 2 en 3, Voorlopige Hechteniswet, waarbij is op te merken dat de betrokkene reeds in vrijheid gesteld is onder voorwaarden en geen nieuwe voorwaarden kunnen opgelegd worden door de raadkamer of het vonnisgerecht. De bij deze beslissing van de raadkamer gehandhaafde of gewijzigde voorwaarden gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt. Deze kunnen, na de regeling van de rechtspleging, door het vonnisgerecht gewijzigd, opgeheven of vrijstelling van verleend worden op indiening van een verzoekschrift. - en anderzijds de voorwaarden die de raadkamer voor het eerst bij de regeling van de rechtspleging of die het vonnisgerecht na de regeling van de rechtspleging zou opleggen, wanneer zij een beklaagde die zich nog in voorlopige hechtenis bevindt in vrijheid stellen mits het naleven van voorwaarden: op die beslissingen blijven de ongewijzigde bepalingen van artikel 35, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet van toepassing. Dit houdt in dat de raadkamer en het vonnisgerecht de betrokkene in vrijheid kan stellen onder oplegging van één of meer voorwaarden voor de tijd die de raadkamer of het vonnisgerecht bepaalt en maximum voor drie maanden. Indien deze analyse gevolgd wordt, dient het aangegeven arrest te worden vernietigd zoals gevorderd door mijn ambt.
- Het komt mij evenwel voor dat de wetgever met de wijzigingen aangebracht aan de Voorlopige Hechteniswet door de MSS-III wet een ander systeem heeft willen invoeren. De wijzigingen aangebracht in de artikelen 36 en 38, Voorlopige Hechteniswet, vertrekken volgens de memorie van toelichting
(3)vanuit volgende uitgangspunten: "- de periodieke verlenging in de fase van het gerechtelijk onderzoek (eigen onderlijning) wordt behouden; De onderzoeksrechter behoudt de mogelijkheid om de vrijheid onder voorwaarden te verlengen met maximaal drie maanden. Hij kan onverminderd de voorwaarden ook wijzigen, (geheel op gedeeltelijk) opheffen en desgevallend nieuwe voorwaarden opleggen. Hij kan ook vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of van sommige daarvan. Op deze manier kan er in de beginfase van een vrijheid onder voorwaarden kort op de bal gespeeld worden. Voorwaarden kunnen aangepast worden aan veranderde omstandigheden of ze kunnen opgeheven worden indien de onderzoeksrechter ze niet langer noodzakelijk acht. - bij de regeling van de rechtspleging moet de raadkamer zich steeds uit spreken over het al dan niet handhaven van de opgelegde voorwaarden. Indien de raadkamer beslist tot handhaving dan loopt de termijn tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen, of desgevallend tot een beslissing van vroegere datum die een einde maakt aan de vervolging. Dit voorstel wordt gedaan, omdat deze fase van de gerechtelifke procedure gevoeliger is voor vergetelheden of vergissingen ( zo wordt tegemoetgekomen aan het advies van de Hoge Raad voor de Justitie) (eigen onderlijning). - de mogelijkheid is voorzien voor de raadkamer en het vonnisgerecht om de opgelegde voorwaarden te wijzigen, op te heffen, of vrijstelling te verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige ervan. Aangezien de termijn zal lopen tot een definitieve beslissing (en het dus om een lange periode kan gaan) is het belangrijk dat de raadkamer zich buigt over de voorwaarden. Actueel is immers niet voorzien in de mogelijkheid om deze voorwaarden te wijzigen, lees te milderen. Dit leidt tot problematische situaties. (…) De voorgestelde wijzigingen beogen dus ook toe te laten voorwaarden te wijzigen om ze te milderen. (…) Door ook de vonnisrechter de mogelijkheid te geven de voorwaarden te wijzigen, kunnen deze steeds up-to-date gehouden worden. De verdachte en het openbaar ministerie kunnen in deze fase vragen om de voorwaarden te wijzigen of op te heffen, of betrokkene vrijstelling te verlenen van de naleving ervan. Overeenkomstig het advies van de Raad van State houdt dit een voldoende waarborg in dat de rechter de proportionaliteit van de opgelegde voorwaarden kan verzekeren". Uit de parlementaire besprekingen van het wetsontwerp om Justitie menselijker, sneller en straffen te maken III blijkt dat de voorgestelde wetswijzingen van de Voorlopige Hechteniswet voortvloeien uit het opzet van het wetsvoorstel nr. 55-1032. Dit wetsvoorstel beoogde tegemoet te komen aan de vaststelling zoals weergegeven in het rapport van de Hoge Raad voor de Justitie over het bijzonder onderzoek naar het dossier van Steve Bakelmans en de aanbeveling van de Hoge Raad voor de Justitie betreffende het stelsel van de vrijheid onder voorwaarden
(4)
(5). In het gemelde rapport stelde de Hoge Raad voor de Justitie vast dat wanneer de termijn van de voorwaarden eindigt na de regeling van de rechtspleging er een risico is dat de verlenging van de voorwaarden niet wordt gevorderd door het parket
(6). De Hoge Raad voor de Justitie beval aan om ervoor te zorgen dat de voorwaarden blijven gelden tot er een definitieve uitspraak ten gronde is en hierbij te verzekeren dat er een periodieke verslaggeving is en de mogelijkheid om de opheffing of de wijziging van de opgelegde voorwaarden te vragen
(7). Ik merk op dat de situatie die door de Hoge Raad voor Justitie werd beschreven in het rapport over het bijzonder onderzoek naar het dossier van Steve Bakelmans de situatie betrof waarbij de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevond en bij de regeling van de rechtspleging, de betrokkene bij een afzonderlijke beschikking van de raadkamer in vrijheid werd gesteld mits oplegging van voorwaarden die golden voor een termijn van drie maanden. Deze termijn verstreek tijdens de procedure ten gronde zonder dat er een verlenging werd gevraagd waardoor de opgelegde voorwaarden vervallen waren. Het wetsontwerp nr. 55-1032 beoogde aldus dergelijke situatie te vermijden. Het oorspronkelijk wetsvoorstel nr. 55-1032 van 17 januari 2020 tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wat de termijn van de opgelegde voorwaarde in geval van vrijlating onder voorwaarden betreft, draaide het systeem volledig om: de bij voorwaardelijke invrijheidsstelling opgelegde voorwaarden zouden steeds blijven gelden tot er een uitspraak ten gronde is. Het oorspronkelijk wetsvoorstel koos er aanvankelijk niet voor om de mogelijkheid te behouden voor de onderzoeksrechter of de onderzoeks- of vonnisgerechten zelf een duurtijd te bepalen. Daartoe voorzag artikel 2 van het wetsvoorstel 55-1032 dan ook dat in artikel 35, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet de woorden "voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden" vervangen zou worden door de woorden "tot het vonnis"
(8)
(9). Na advies van de Raad van State en na voorlegging aan de gemeenschappen werd binnen de Interministeriële Conferentie Justitiehuizen samen met de gemeenschappen een alternatief voorstel uitgewerkt, vertrekkende vanuit bovengemelde uitgangspunten. Volgens memorie van toelichting komt huidige regeling zowel tegemoet aan de vaststelling van de Hoge Raad voor de Justitie als aan een voor de bevoegde diensten van de gemeenschappen werkbaar systeem
(10). Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt mijns inziens aldus dat de wetgever, met de wetswijzingen die door de MSS-III wet werden aangebracht aan Voorlopige Hechteniswet, het systeem van de invrijheidsstelling onder voorwaarden wenst te wijzigen en voortaan een onderscheid wenst te maken tussen enerzijds de fase van het gerechtelijk onderzoek en anderzijds de fase vanaf de regeling van de rechtspleging tot het vonnis ten gronde: - de voorwaarden die opgelegd worden tijdens het gerechtelijk onderzoek kunnen worden opgelegd voor maximum 3 maanden en kunnen of dienen periodiek verlengd te worden; - de voorwaarden die bij de regeling van de rechtspleging en in de fase voor de vonnisrechter door de raadkamer of het vonnisgerecht worden gehandhaafd of bij in vrijheidstelling worden opgelegd blijven gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum die aan einde maakt aan de vervolging. Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan de betrokkene, alsook het openbaar ministerie, ten allen tijde vragen om voorwaarden op te heffen, te wijzigen of er vrijstelling van te verlenen. Dit opzet van de wetgever wordt ook weerspiegelt in de wijzigingen aangebracht aan artikel 38 Voorlopige Hechteniswet, waarbij de bevoegde dienst van de gemeenschappen, in het kader van het toezicht op de naleving van de begeleidingsvoorwaarden, tijdens het gerechtelijk onderzoek een verslag overmaakt aan de onderzoeksrechter ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de door hem opgelegde termijn, en de dienst een kopie ervan bezorgt aan de procureur des Konings. Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek bezorgt de bevoegde dienst van de gemeenschappen een verslag aan de procureur des Konings telkens als deze erom verzoekt, en tenminste om de zes maanden. Dit systeem sluit zich aan bij het systeem dat geldt wanneer bij de regeling van de rechtspleging de voorlopige hechtenis bij een afzonderlijke beschikking van de raadkamer wordt gehandhaafd. Ook hier geldt van dan af geen periodieke rechterlijke controle op de voorlopige hechtenis maar kan de beklaagde een verzoekschrift neerleggen tot invrijheidsstelling. Het lijkt mij dan ook verdedigbaar te stellen dat uit de bepalingen van artikel 35 en 36 Voorlopige Hechteniswet, de samenhang tussen de daarin uitgewerkte regeling en de doelstelling van de wetgever, die zich blijkens de wetsgeschiedenis over de problematiek heeft beraden, volgt dat wanneer het vonnisgerecht een beklaagde in vrijheid stelt mits het naleven van voorwaarden, deze gelden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakt aan de vervolging. Indien dit ook de visie is van het Hof, kan de vordering tot vernietiging verworpen worden. ___________________________________
(1)BS 26 januari 2024.
(2)Artikel 55 van de MSS-III wet brengt volgende wijzingen aan in artikel 35 Voorlopige Hechteniswet: 1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "afdeling van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie" vervangen door de woorden "bevoegde dienst van de gemeenschappen"; 2° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "dienst van de justitiehuizen" vervangen door de woorden "bevoegde dienst van de gemeenschappen"; 3° in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "en aan de justitieassistent van de Dienst Justitiehuizen van de FOD Justitie" vervangen door de woorden "en aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen"; 4° paragraaf 6 wordt aangevuld met een lid, luidende: "De onderzoeksrechter of, na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de procureur des Konings bezorgt de bevoegde dienst of persoon, bedoeld in het tweede lid, de gegevens van het dossier die noodzakelijk zijn voor de behandeling of begeleiding van de betrokkene. Hiervoor kan, mits toelating van de onderzoeksrechter dan wel de procureur des Konings, beroep worden gedaan op de bevoegde diensten van de gemeenschappen, mits hen daartoe de nodige toelating te verlenen".
(3)ParLSt., Kamer, Doc 55 nr. 3322/001, p. 64-67.
(4)Parl.St., Kamer, Doc 55 nr. 3322/001, p. 63-64.
(5)Bijzonder onderzoek naar het dossier van Steve Bakelmans, verslag goedgekeurd door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor Justitie op 19 december 2019, www.hrj.be.
(6)Bijzonder onderzoek naar het dossier van Steve Bakelmans, verslag goedgekeurd door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor Justitie op 19 december 2019, p. 9, ww-w.hrj.be.
(7)Bijzonder onderzoek naar het dossier van Steve Bakelmans, verslag goedgekeurd door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor Justitie op 19 december 2019, p. 9, ww-w.hrj.be.
(8)Parl.St., Kamer, Doc 55 nr. 1032/001.
(9)Een gelijkaardig wetsvoorstel nr. 55-2159/001 werd ingediend door Marijke Dillen op 23 augustus 2021. Artikel 2 van dit wetsvoorstel 55-2159 voorzag dan ook dat in artikel 35, § 1, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet de woorden "voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden" vervangen zou worden door de woorden "tot een beslissing die een einde maakte aan de vervolging".
(10)Parl.St., Kamer, Doc 55 nr. 3322/001, p. 64. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240423.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div