id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240425.1N.2 Rolnummer: F.21.0191.N Zaak: S. contra BELGISCHE STAAT, MIN v FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-08-22 Raadplegingen: 405 - laatst gezien 2026-06-15 04:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240425.1N.2 Fiches 1 - 2 De aan de aandeelhouders en vennoten uitgekeerde inkomsten uit burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht die vallen onder het fiscale stelsel van de transluciditeit kwalificeren a rato van hun maatschappelijke rechten, als inkomsten uit roerende goederen en niet als opbrengsten van onroerende goederen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.1 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.2 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.1 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3.2 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Tekst van de conclusie F.21.0191.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. 1.
- Wijlen de heer A.S. (waarvan eisers de wettige erfgenamen zijn) heeft inkomsten verkregen uit een aantal Franse sociétés civiles immobilières de droit commun (vrij vertaald: burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht, hierna afgekort “SCI”), die in Frankrijk niet hebben geopteerd voor de onderwerping aan de vennootschapsbelasting, doch wel voor een afwijkend fiscaal regime, m.n. dat niet de SCI zelf maar wel haar deelgerechtigden de (Franse) vennootschapsbelasting vereffenen in verhouding tot hun aandeel. Zo werd het belastbaar resultaat van de SCI’s in hoofde van wijlen de heer A.S. als deelgerechtigde, voor dat deel dat overeenstemt met zijn rechten in die vennootschappen, belast in Frankrijk als een onroerend inkomen. Dit wordt ook het zgn. Franse stelsel van ‘transluciditeit’ genoemd. 1.
- Het geschil betreft de vraag naar de fiscale behandeling die de uitkeringen, gedaan door deze SCI’s aan hun Belgische deelgerechtigden, in België ondergaan. De kwestieuze inkomsten werden in België in de personenbelasting aangegeven als vrijgestelde onroerende inkomsten, met progressievoorbehoud. De fiscale administratie meende echter dat de genoten uitkeringen van SCI’s als roerende inkomsten (dividenden) zonder roerende voorheffing, belastbaar tegen 25%, moeten worden beschouwd en vestigde supplementaire aanslagen voor de aanslagjaren 2012, 2013 en
- 1.
- De gerechtelijke betwisting van de aanslagen leidde tot een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, dd. 7 oktober
- De eerste rechter verklaarde de vorderingen van eisers, onder meer strekkende tot ontheffing van de aanslagen, ongegrond. Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Gent dd. 29 juni
- Eisers komen op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie. (…)
- Bespreking van het tweede middel. 3.
- Eisers komen op tegen de beslissing tot kwalificatie van de uitkeringen door de Franse burgerlijke vastgoedvennootschappen aan haar deelgerechtigden als roerende inkomsten. Volgens eisers is het logisch dat wanneer de kwalificatie van inkomsten door twee lidstaten tegenstrijdig is en leidt tot een dubbele belasting, de kwalificatie door de lidstaat waarmee er het meeste aanknopingspunten zijn, doorslaggevend is. Zij wijzen erop dat de onroerende goederen in Frankrijk gelegen zijn, ook de zetel van werkelijke leiding van de burgerlijke vastgoedvennootschappen in Frankrijk gelegen is en de meeste aanknopingspunten dus met Frankrijk bestaan, zodat het verantwoord is de inkomsten van Belgische rijksinwoners uit hoofde van hun deelgerechtigdheid in een Franse translucide burgerlijke vastgoedvennootschap op basis van artikel 22 van het DBV België-Frankrijk een invulling te geven naar Frans fiscaal recht en deze te kwalificeren als onroerende inkomsten, en bijgevolg die inkomsten in België vrij te stellen met toepassing van de artikelen 3.1 en 19.A.2 van dat verdrag. (Schending aan van de artikel 1 van de wet van 14 april 1965 houdende goedkeuring van het DBV van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk; de artikelen 1,1°, 3, 22 en 19.A.2 van het DBV van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk; en de artikelen 6 en 7 WIB92) 3.
- Artikel 3.1 DBV België-Frankrijk voorziet dat "inkomsten uit onroerende goederen, met inbegrip van hun toebehoren (...) slechts belastbaar [zijn] in de verdragsluitende Staat waar deze goederen zijn gelegen". Artikel 3.2 DBV België-Frankrijk bepaalt: "Het begrip 'onroerend goed' wordt bepaald volgens de wetten van de verdragsluitende Staat waar het betreffende goed is gelegen". Wanneer een fiscale inwoner van België inkomsten verkrijgt die krachtens artikel 3.
- in Frankrijk belastbaar zijn, moet België volgens artikel 19.A.
- DBV die inkomsten van Belgische inkomstenbelasting vrijstellen. 3.
- In het slotprotocol, punt 2, bij het DBV België-Frankrijk is een regeling opgenomen voor inkomsten behaald door middel van een specifieke Franse immobiliënvennootschap, de zogenaamde “société d’attribution”. Dit is een vennootschap die de bouw of verwerving van onroerende goederen tot doel heeft met het oog op de onderverdeling daarvan in fracties die bestemd zijn om in eigendom of in vruchtgebruik te worden toegekend aan de vennoten. Het doel van deze vennootschappen omvat eveneens het beheer en het onderhoud van deze onroerende goederen tot bij de totstandkoming van een andere organisatie. Deze vennootschappen kunnen in gelijk welke vorm worden opgericht, dus zowel in de vorm van een burgerlijke personenvennootschap als in de vorm van een kapitaalvennootschap
(1). De protocolbepaling staat toe dat Frankrijk deze inkomsten overeenkomstig haar interne recht als onroerende inkomsten beschouwt. Dit houdt in dat de inkomsten die uit deze vennootschappen behaald worden, zonder enige beperking in Frankrijk mogen worden belast. Gezien het fiscaal transparante regime dat van toepassing is op deze vennootschapsvorm belast Frankrijk de door deze vennootschap gerealiseerde inkomsten in hoofde van de aandeelhouders als inkomsten van onroerende goederen. 3.4. Voor de burgerlijke onroerende vennootschappen naar Frans recht die een ander doel hebben dan datgene dat wordt geviseerd in punt 2 van het slotprotocol, en voor zover ze niet geopteerd hebben voor de toepassing van de Franse vennootschapsbelasting, voorziet artikel 8 van de Franse Code Général des Impôts (CGI) in een fiscaal regime dat translucide wordt genoemd. Dit houdt in dat de leden van de burgerlijke vennootschap persoonlijk onderworpen zijn aan de inkomstenbelasting voor het gedeelte van de maatschappelijke winst die overeenstemt met hun rechten in de vennootschap. Krachtens artikel 238bis K CGI, wordt voornoemd gedeelte in de vennootschapswinst, voor elke natuurlijke persoon die ten private titel optreedt en lid ervan zou zijn, geacht een onroerend inkomen te zijn gelet op de aard van de activiteit van die vennootschappen. Uit arresten van het Hof uit 2016 en 2017 volgde reeds dat uitkeringen door een SCI aan een Belgisch rijksinwoner in België belastbaar zijn als een dividend, nu deze niet als onroerend inkomsten kunnen worden beschouwd: “Uit de artikelen 8 en 238bis K van de CGI, in de uitleg ervan die in Frankrijk gangbaar is, volgt niet dat maatschappelijke rechten in die burgerlijke vastgoedvennootschappen, die een van hun leden onderscheiden rechtspersoonlijkheid en fiscale persoonlijkheid hebben, beantwoorden aan het begrip onroerend goed voor de toepassing van artikel 3.1 Frans-Belgisch Dubbelbelastingverdrag”
(2). De tekst van het nieuwe DBV met Frankrijk
(3)voorziet overigens ook uitdrukkelijk dat de kwalificatie van de door dergelijke SCI uitgekeerde bedragen conform de bepalingen van het Belgische WIB moet gebeuren
(4). Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht. 4. Besluit: Verwerping. ______________________________________
(1)JANSEN, T. en DE VOS, P., Handboek internationaal en Europees belastingrecht, Antwerpen, Intersentia 2006, blz. 137
(2)Cass. 21 september 2017, AR F.15.0075.N, AC 2017, nr. 490, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170921.1; Cass. 29 september 2016, AR F.14.0006.F, AC 2016, nr. 533, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160929.2.
(3)Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Franse Republiek voor het vermijden van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en voor het voorkomen van het ontwijken en het ontduiken van belasting, ondertekend te Brussel op 9 november 2021.
(4)Paragraaf 12 van het protocol bepaalt immers: “Voor de toepassing van de bepalingen van paragraaf 2 van artikel 22 wordt de aard van de bedragen die betaald of toegekend worden aan een houder van bewijzen van deelneming, vennoot of lid door een persoon bedoeld in paragraaf 4 van artikel 4 bepaald ingevolge de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992”. Auteurs VAN GOIDSENHOVEN en SMET merken op: “Ook onder het nieuwe DBV zullen de betreffende inkomsten dus tweemaal worden belast. Eenmaal als onroerend inkomen in hoofde van de Belgische rijksinwoner-vennoot in Frankrijk op het moment dat de inkomsten door de SCI worden verworven. Een tweede keer in België als een dividend wanneer de betreffende inkomsten aan die vennoot worden uitgekeerd.” (VAN GOIDSENHOVEn, E., SMET, R., “Het nieuwe dubbelbelastingverdrag met Frankrijk - Ingrijpende veranderingen”, in: DE CNIJF, H. (ED.), MAES, L. (ED.), Fiscaal Praktijkboek 2022-2023. Directe Belastingen. Fiscale nieuwigheden praktisch bekeken, Wolters Kluwer 2023, 427). PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240425.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240425.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160929.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170921.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div