← België

ORELIA GROUP nv contra BELGISCHE STAAT, MIN FIN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 Rolnummer: F.20.0135.N Zaak: ORELIA GROUP nv contra BELGISCHE STAAT, MIN FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2025-04-22 Raadplegingen: 423 - laatst gezien 2026-06-18 18:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.6 Fiche 1 Het dwangbevel inzake btw is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT Fiches 2 - 3 De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert voor zover die argumenten en gegevens worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot dezelfde belastingschuld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - UITVOERENDE MACHT BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 4 Het komt aan de feitenrechter toe om te oordelen of de motivering voldoende is. Hij mag daarbij het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet schenden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Fiche 5 Er is voor de toepassing van het Btw-wetboek sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de bedoeling beoogd in dit wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 1, § 10 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 6 De tijdsbeperking verbonden aan de tariefverlaging houdt rechtstreeks verband met het doel van de maatregel, die een stimulans van de bouwsector beoogde die niet meer noodzakelijk werd geacht na 31 december 2010
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 7 In geval van misbruik in de zin van artikel 1, § 10, Btw-wetboek wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 8 Rechtsmisbruik door middel van vooruitfacturatie om te kunnen genieten van een tijdelijk geldend voordeliger btw-tarief, heeft tot gevolg dat het wel van toepassing zijnde btw-tarief verschuldigd is op de gefactureerde bedragen; de omstandigheid dat in geval van misbruik van aftrek van btw uitdrukkelijke bepalingen voorzien in een geldboete en terugstorting doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Fiche 9 De belastingplichtige die foutief, want met rechtsmisbruik, een te laag btw-tarief heeft toegepast, heeft de werkelijk verschuldigde btw niet tijdig betaald, zodat daarop nalatigheidsinterest is verschuldigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Tekst van de conclusie F.20.0135.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: Situering. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eiseres op 17 december 2010 vier facturen uitreikt met betrekking tot bouwwerkzaamheden van vier werven voor rusthuizen en serviceflats. Volgens de administratie maken deze facturen een (overdreven vervroegde) voorfacturatie en misbruik uit met de bedoeling te kunnen genieten van een tijdelijk verlaagd btw-tarief van 6% in de plaats van 12% met betrekking tot huisvesting in het kader van sociaal beleid van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010. De administratie aanvaardt dat 25% van deze facturen geen rechtsmisbruik uitmaakt en stelt voor het overige deel een navordering in voor het tariefverschil. In het bestreden arrest van 30 augustus 2017 bevestigt het hof van beroep Antwerpen de navordering van de administratie, met uitzondering van de boete. De eiseres komt met twee middelen op tegen dat arrest. Bespreking van de middelen. Eerste middel: motivering dwangbevel. Na te hebben vastgesteld dat het dwangbevel en het proces-verbaal niet vermelden welke doelstelling van een wettelijke bepaling wordt gefrustreerd, konden de appelrechters volgens de eiseres niet zonder schending van de motiveringsverplichting oordelen dat er fiscaal misbruik is. De rechtspraak van het Hof over de motivering van een dwangbevel kan als volgt worden samengevat. Het dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde waarvoor het proces-verbaal de grondslag biedt, is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd. De motivering moet afdoende zijn, hetgeen impliceert dat de beslissing vervat in het dwangbevel en het proces-verbaal voldoende door de motivering moet worden gedragen
(1). Het dwangbevel als taxatietitel waarin de belastingschuld wordt geconcretiseerd, dient het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk te maken
(2). Een afdoende uitdrukkelijke motivering van een bestuurshandeling vereist evenredigheid tussen het gewicht en de motivering van de beslissing
(3). Geen wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat het bestuur na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld
(4). Het staat aan de feitenrechter te oordelen of de motivering van de bestuurshandeling afdoende is; daarbij mag hij evenwel het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet schenden
(5). De appelrechters stellen vast dat het dwangbevel en het daarbij gevoegde proces-verbaal zeer uitvoerig en correct in feite en in rechte het misbruik motiveren door middel van de vervroegde facturatie. Op basis van de gemaakte verwijzingen en vaststellingen over het proces-verbaal en dwangbevel konden de appelrechters naar recht oordelen dat de eiseres in de mogelijkheid verkeerde zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. Het eerste middel lijkt overigens te zijn afgeleid van het tweede middel waarin de eiseres aanvoert dat ze niet heeft gehandeld in strijd met de doelstellingen van de betrokken maatregel. Vermits blijkt dat het tweede middel feitelijke grondslag mist, hetzij faalt naar recht, komt het daarvan afgeleide eerste middel niet ontvankelijk voor. Tweede middel: motivering, gevolg en nalatigheidintrest bij misbruik. In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechters niet wettig konden beslissen dat de facturen in strijd waren met de doelstellingen van de wet door te oordelen dat de facturen bedoeld zijn om de BTW opeisbaar te maken en het de bedoeling was van de wetgever om de bouwsector te stimuleren. Over deze door de eiseres vermelde doelstellingen oordelen de appelrechters dat deze niet zijn gediend indien de belastingplichtige door de vooruitfacturatie voor nog niet uitgevoerde werken een fiscaal voordeel bekomt, namelijk de toepassing van een tijdelijk verlaagd tarief en dat dit in het bijzonder geldt nu het eigen is aan een tijdelijke tariefverlaging dat deze beperkt is in de tijd en het aldus niet de bedoeling was om deze permanent in te voeren, waardoor de door de eiseres verrichte vooruitfacturatie de tijdsbeperking miskent, ten gevolge waarvan de correcte inning en doorstorting van de BTW aan het correcte tarief onmogelijk wordt gemaakt
(6). Gelet op deze duidelijke overwegingen lijken de in het onderdeel aangenomen uitgangspunten over de doelstellingen van de wetsbepaling, te berusten op een onvolledige lezing van het arrest en feitelijke grondslag te missen. Met de voormelde overwegingen verantwoorden de appelrechters de beslissing dat er sprake is van misbruik naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. De eiseres voert in het onderdeel aan dat het tijdelijk karakter van de tariefverlaging slechts een kenmerk is eigen aan de gebruikte methode om de doelstelling van de maatregel te bereiken en niet het doel zelf is van die maatregel, zijnde het stimuleren en verhogen van de activiteit in de bouwsector. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat, is de tijdsbeperking niet louter een kenmerk van de methode van de doelstelling, maar aan te merken als een essentiële aspect van de doelstelling ervan, namelijk het tijdelijk karakter met het oog op de relance van de (sociale) bouwsector. Het essentiële aspect van de tijdelijke aard van de maatregel komt ook tot uiting in de voorwaarde dat de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bedoelde werken moet zijn ingediend bij de bevoegde overheid vóór 1 april 2010
(7). In zoverre het onderdeel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. De appelrechters stellen vast dat volgens de administratie de doelstelling van de wetgever bij de tijdelijke tariefverlaging in artikel 1sexies KB nr. 20 een stimulans was aan de bouwsector die niet meer noodzakelijk werd geacht na 31 december 2010
(8). In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de doelstelling van de toepasselijke bepaling is beperkt tot de subsidiaire oorzaken van opeisbaarheid van de BTW (namelijk de facturatie) en tot het stimuleren van de bouwsector, berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Het tweede onderdeel is gericht op het gevolg dat de administratie verbindt aan de vaststelling van het vastgesteld misbruik, namelijk de navordering van het verschil tussen het verlaagd tarief en het normale BTW-tarief. Bij arrest van 11 januari 2024 oordeelde het Hof dat in geval van fiscaal misbruik in de zin van artikel 344 WIB92 de belastbare grondslag en belastingberekening zodanig wordt hersteld dat de verrichting aan een belasting overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden
(9). Ook wat betreft de toepassing van artikel 1, § 10, W.BTW, lijkt het Hof in geval van misbruik door vooruitfacturatie te hebben aanvaard dat daardoor het recht tot zijn normale uitoefening dient te worden herleid of door het opleggen van het herstel alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden
(10). Transacties waarmee een misbruik gepaard is gegaan, worden zo geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen
(11). Het herstel middels de toepassing van de normaal verschuldigde belasting is (zoals een herstelvordering
(12)) géén sanctie en onderscheidt zich van een eventueel
(13)op te leggen straf. Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting en kan niet worden aangenomen. Het derde onderdeel betreft het ontbreken van een rechtsgrond om naar aanleiding van de navordering ingevolge het vastgestelde misbruik nalatigheidsintresten aan te rekenen. De eiseres voert aan dat het legaliteitsbeginsel zich verzet tegen de aanrekening van intresten voor situaties waarin de wet dat niet uitdrukkelijk voorziet. Artikel 91, § 1, W.BTW bepaalt dat een interest van 0,8 pct. per maand van rechtswege is verschuldigd wanneer de belasting niet is voldaan binnen de termijn die ter uitvoering van artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, Btw-wetboek is gesteld. Uit deze bepaling volgt dat nalatigheidsinterest is verschuldigd indien, zoals ten deze wegens fiscaal misbruik, wordt vastgesteld dat een te laag BTW-tarief werd toegepast en de werkelijk verschuldigde BTW niet tijdig werd betaald. Aldus voorziet artikel 91, § 1, W.BTW in een rechtsgrond indien bij toepassing van artikel 1, § 10, W.BTW, vast staat dat de juiste verschuldigde belasting niet tijdig werd betaald. Het onderdeel faalt naar recht. Besluit: verwerping. _______________________________________
(1)Cass. 19 april 2018, AR F.17.0066.N, AC 2018, nr. 252, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180419.2, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180419.2; Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N, AC 2003, nr. 426, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7.
(2)Cass. 3 februari 2000, AR C.96.0380.N, AC 2000, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5; Cass. 20 maart 2008, AR F.07.0016.N, AC 2008, nr. 194, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.1.
(3)Cass. 15 februari 1999, AR S.98.0007.F, AC 1999, nr. 88, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990215.6.
(4)Cass. 20 maart 2014, AR F.12.0090.N, AC 2014, nr. 220, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140320.9, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140320.9; Cass. 20 maart 2008, AR F.07.0016.N, AC 2008, nr. 194, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1; Cass. 1 december 2005, AR C.03.0354.N, AC 2005, nr. 638, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.5.
(5)Cass. 7 september 2017, AR C.16.0360.N, AC 2017, nr. 452, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170907.2, met concl. advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170907.2; Cass. 1 februari 2017, AR C.15.0310.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.3, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.3; Cass. 12 november 2015, AR C.13.0257.N, AC 2015, nr. 669, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.5; Cass. 11 september 2003, AR C.01.0114.N, AC 2003, nr. 426, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7; Cass. 14 april 2003, AR S.00.0116.N, AC 2003, nr. 251, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.11; Cass. 3 februari 2000, AR C.96.0380.N, AC 2000, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5.
(6)Bestreden arrest, p.13 in fine; zie ook I. MASSIN, “Voorschot tegen verlaagd tarief: 25% van bouwkost als tolerantie”, Fiscoloog 2011, nr. 1é, 7; J. VAN DYCK, “Nog snel factureren om het verlaagd BTW-tarief te genieten?”, Fiscoloog 2010, nr. 1224, 1; Voorafgaande Beslissing nr. 2010.201 van 15 juni 2010, https://eservices.minfin.fgov.be/myminfin-web/pages/public/fisconet/document/fdf11a87-e03c-44ea-ad66-5bc7c8879d33/2010.201%20%20dd.%2015.06.2010.
(7)Ingevoerd door artikel 3, 2° van het Koninklijk besluit van 9 december 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven; waarbij de aanvankelijk tot 31 december 2009 voorziene maatregel werd verlengd tot 31 december 2010.
(8)Arrest, p. 13.
(9)Cass. 11 januari 2024, AR F.23.0008.N, AC 2024, nr. 81, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.1.
(10)Cass. 29 januari 2021, AR F.19.0103.N, AC 2021, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.24, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.24.
(11)HvJ 21 februari 2006, C-255/02, Halifax, pt. 93 e.v., ECLI:EU:C:2006:121; HvJ 22 december 2010, C-103/09, eald Leasing, pt. 53, ECLI:EU:C:2010:804; Gent (5e k.) nr. 2012/AR/1307, 24 september 2013, TFR 2014, afl. 470, 886, met noot van W. PANIS en J. PERMEKE J., “Een concrete toepassing van het misbruikverbod inzake btw (volgens de regels van de kunst)”, TFR 2014/18, nr. 470, 895.
(12)Cass. 2 maart 2004, AR P.03.1187.N, AC 2004, nr. 112, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.8.
(13)“… de vaststelling van een misbruik [moet niet] leiden tot een sanctie…”: HvJ 21 februari 2006, C-255/02, Halifax, pt. 93, ECLI:EU:C:2006:121. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240502.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990215.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000203.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030911.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140320.9 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140320.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151112.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170202.1F.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170907.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170907.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180419.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180419.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.24 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.24 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240111.1N.1 ECLI:EU:C:2006:121 ECLI:EU:C:2010:804 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.