id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 mei 2024 ECLI
Art. 59
, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1999000472 Wet 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van
Art. 64
- 35 ELI link Pub nr 1999000472 Wet 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van
Art. 65
, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1999000472 Tekst van de conclusie C.19.0242.N Conclusie van de Advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen gewezen op 28 januari
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Het tweede onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in huidig geschil betreft de toepassing van artikel 65 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Inzonderheid betreft het de vraag of de tewerkstellende overheid van een politiefunctionaris van het operationeel kader, die het voorwerp uitmaakte van een ordemaatregel van een voorlopige schorsing in het belang van de dienst en gedurende deze termijn 75% van zijn wedde ontving, de uitgekeerde verloning kan terugvorderen indien een tuchtstraf van afzetting wordt uitgesproken die teruggaat tot de datum van ingang van de ordemaatregel. In concreto, kan verweerster de wedde die ze tijdens de ordemaatregel uitkeerde terugvorderen van eiser zo de afzetting terugwerkt tot de datum van ingang van de voorlopige schorsing? De appelrechters oordeelden van wel en dit op grond van de artikelen 1235 en 1376 Oud Burgerlijk Wetboek. b. Beoordeling. Ik onderschrijf deze visie niet. De politiefunctionarissen zijn onderworpen aan een eigen, specifiek, tuchtstatuut
(1). Gezien de aard en het doel van deze regelgeving is het onderworpen aan het principe van strikte interpretatie. Het antwoord op de vraag of er al dan niet tot terugvordering kan worden overgegaan gaat uit van de administratieve toestand, en de ambtsverplichtingen, die op de geschorste politiefunctionaris rusten gedurende deze ordemaatregel, alsook van wat het tuchtstatuut bepaalt inzake de mogelijkheid tot terugvordering. Vooreerst, wat betreft de administratieve toestand bepaalt artikel 8.2.6. Koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) dat de voorlopige schorsing bedoeld in artikel 59 van de hoger aangehaalde wet 1999 de betrokkene van rechtswege in de administratieve stand van non-activiteit plaatst. De administratieve toestand van non-activiteit staat er niet aan in de weg dat er nog steeds verplichtingen op de betrokkene rusten. Hij is en blijft immers een politiefunctionaris van het operationeel kader. Hij werd weliswaar uit de dienst verwijderd, doch het dienstverband werd niet verbroken. Hij blijft dus onderworpen aan het werkgeversgezag. Zo moet hij beschikbaar blijven voor zijn overheid
(2). Ook andere statutaire verplichtingen en beperkingen blijven op hem van toepassing. Wat, onder andere, inhoudt dat er in zijn hoofde een cumulverbod bestaat. Dus een nevenberoep of andere bijverdiensten zijn, in de regel, wettelijk verboden
(3). Eén en ander zoals geregeld is in de artikelen 134 en 135 Wet Geïntegreerde Politiedienst. Het is de betrokkene dus, in principe, verboden om een beroepsinkomen te verwerven uit andere activiteiten. De uitgekeerde wedde is dus de basis voor de bestaanszekerheid van de betrokkene
(4). Dit is dan ook normaal de enige wettelijke bron van inkomsten van de geschorste politieambtenaar. Het voorgaande is de reden waarom het laten ingaan van de tuchtstraf op het ogenblik dat de ordemaatregel van kracht werd - mogelijkheid die voorzien is in artikel 65, tweede lid van de wet van 1999 - geen negatieve impact kan hebben op de gedurende de schorsing uitbetaalde wedde. Er rusten immers gedurende deze periode ambtsverplichtingen op de betrokken ambtenaar waardoor hij in zijn handelen beperkt wordt. De verplichtingen, en de hieruit voortvloeiende beperkingen, waaraan de politiefunctionaris tijdens zijn voorlopige schorsing diende te voldoen kunnen niet retroactief ongedaan worden gemaakt. Verder blijkt bovendien duidelijk uit het tweede lid van het hoger vermelde artikel 65 dat, indien er een verrekening, met betaling, dient te gebeuren, dit slechts in één richting kan gebeuren te weten in het voordeel van de geschorste. Geen van de bepalingen van het tuchtstatuut voorzien in de mogelijkheid voor de tewerkstellende overheid om, zo de afzetting terugwerkt tot op de datum van het ingaan van de ordemaatregel, de gedurende deze periode genoten wedde deels of geheel terug te vorderen. Zoals hoger aangegeven is de wet van 1999 een lex specialis. De bevoegdheden, het handelen en de rechten van de tuchtoverheid/werkgever worden op een stringente wijze geregeld. Hetgeen, voor de overheid, niet voorzien is in de wet van 1999 kan niet worden toegepast. Deze wet is een keurslijf voor wat betreft het optreden van deze instantie. Er kan dan ook geen sprake zijn van de toepassing van de bepalingen van het Oud Burgerlijk Wetboek. Ook niet als aanvullend recht op gebeurlijke aspecten die in de wet van 1999 niet geregeld zouden zijn. Zo de overheid zou overgaan tot een invordering van wat gedurende de preventieve schorsing werd uitbetaald, zou het een schending zijn van de wettelijke bepalingen ter zake
(5). Eén en ander blijkt tevens uit het wetsvoorstel houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten waar, in de toelichting bij artikel 65, te lezen staat dat wanneer een ontslag van ambtswege of afzetting als tuchtstraf wordt opgelegd, de tijdens de ordemaatregel uitbetaalde wedde niet zal worden teruggevorderd
(6). De voorziene mogelijkheid om de tuchtstraf ten vroegste uitwerking te laten krijgen op de datum dat de voorlopige schorsing is ingegaan, heeft dan ook slechts als doel om te voorzien in een rechtsgrond voor de inhoudingen die plaatshadden gedurende de termijn van de schorsing. De ordemaatregel wordt zodoende opgeslorpt door de tuchtsanctie
(7). Zo het op een latere datum ingaat, heeft dit tot gevolg dat, voor de inhoudingen tijdens de schorsing, er geen grond was en de in de desbetreffende periode ingehouden wedde moet worden uitbetaald. Bij gebrek aan terugwerkende kracht is er immers geen opslorping van de ordemaatregel en komt ze van rechtswege te vervallen
(8). Het onderdeel is gegrond. 3. De overige grieven. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: Cassatie. _______________________________________
(1)E. DE RAEDT, A. LINERS, P. ROSSEEL, B. VAN THIENEN, “De Wet op het Politieambt”, Brussel, Uitgeverij Politeia 2017, p. 533.
(2)I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, Ambtenarenrecht – Rechtspositieregeling – Algemene beginselen van ambtenarentuchtrecht, Die Keure, Brugge 2011, p. 479.
(3)E. DE RAEDT, A. LINERS, P. ROSSEEL, B. VAN THIENEN, o.c., p. 528 en A. LINERS en J. MOUTON, Handboek tucht bij de politiediensten, Politeia 2023, p. 1035.
(4)I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, o.c., Die Keure, Brugge 2011, p. 513.
(5)I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, o.c., Die Keure, Brugge 2011, p. 513.
(6)Parl. St., Kamer, Wetsvoorstel houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, 1998-99, nr. 1965/1, p. 21 en A. LINERS en J. MOUTON, o.c., p. 1036.
(7)I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, o.c., Die Keure, Brugge, 2011, p. 510.
(8)I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, o.c., Die Keure, Brugge, 2011, p. 512 en A. LINERS en J. MOUTON , o.c., p. 1035. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240506.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240506.3N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div