id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 mei 2024 ECLI
Art. 145
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Art. 145
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 40, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek
Art. 145
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 182
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.24.0283.N Advocaat-generaal BART DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “Het effect van de onregelmatige betekening van de rechtstreekse dagvaarding aan de beklaagde op de behandeling van de zaak op verzet en in hoger beroep”. 1. Verweerder wordt vervolgd wegens meerdere verkeersinbreuken. Het bestreden vonnis oordeelt, op hoger beroep van het OM (eiser in cassatie) en op tegenspraak, dat de onregelmatige betekening van de dagvaarding wordt gesanctioneerd met nietigheid, wegens schending van de rechten van verdediging. De onregelmatigheid brengt mee dat de strafvordering niet rechtsgeldig is ingesteld, het verstekvonnis nietig is en er ook in hoger beroep geen oordeel mogelijk is over de grond van de zaak
(1). 2. De memorie van antwoord van verweerder (beklaagde) is ingediend buiten de termijn van acht vrije dagen voorafgaand aan de zitting van het Hof en is daardoor niet-ontvankelijk
(2). Eiser (de procureur des Konings te Brussel) voert aan dat niet elke onregelmatige betekening van de dagvaarding het recht van verdediging aantast (eerste middel), dat er geen sprake is van nietigheid van de gehele procedure, omdat een eventuele miskenning van het recht op verdediging kan worden hersteld in de procedure op verzet of hoger beroep (tweede middel) en de onregelmatige betekening van de dagvaarding geen belang meer heeft als het verzet ontvankelijk is verklaard, behalve de kosten. Daarbij komt dat de onregelmatige betekening geen nietigheid meebrengt van de vorderingen op verzet en in hoger beroep (derde middel). 3. Beoordeling. Wanneer de beklaagde geen gekende woon- of verblijfplaats heeft (in België of in het buitenland), wordt de dagvaarding of het verstekvonnis betekend aan de procureur des Konings, gelet op artikel 40, lid 2 Ger.W. Deze betekening is enkel geldig als het OM de woon- of verblijfplaats van de beklaagde niet kon achterhalen
(3). 4. Het Hof nam op 12 september 2000 aan dat bij een foute betekening van de rechtstreekse dagvaarding aan het OM (omdat de beklaagde al was ingeschreven in het bevolkingsregister) de zaak niet regelmatig aanhangig is gemaakt bij de vonnisrechter. Dit vormgebrek gaf aanleiding tot cassatie zonder verwijzing. In die visie heeft de nietigheid ontstaan door de foute betekening van de dagvaarding een negatieve uitwerking op alle procesfasen, ook de uitspraak op verzet van de beklaagde. Herstel van de nietigheid kan alleen door een nieuwe regelmatige betekening van de dagvaarding, waardoor het proces ten gronde van meet af aan wordt overgedaan, of door de vrijwillige verschijning van de beklaagde, waardoor het proces gewoon verder loopt
(4). De beklaagde moet daarbij niet bewijzen dat de onregelmatigheid zijn belangen heeft geschaad
(5). 5. Andere arresten van het Hof gaan uit van een meer pragmatische visie, in die zin dat de onregelmatige betekening van de dagvaarding niet noodzakelijk een obstakel vormt voor een proces ten gronde. In 1994 had het Hof reeds geoordeeld dat de beklaagde die wegens een foute betekening geen kennis had van de dagvaarding, zijn recht van verdediging kon uitoefenen door verzet aan te tekenen
(6). Hierbij valt op te merken dat het verstekvonnis vervalt bij een ontvankelijk verklaard verzet. De rechter doet dan opnieuw uitspraak over de grond van de zaak, behoudens ongedaan verzet of afstand van verzet (art. 187, § 4 Sv.)
(7)en de verzetdoende partij wordt in dezelfde toestand geplaatst alsof de beslissing niet was uitgesproken
(8). Een tweede dagvaarding levert in die context dan ook weinig meerwaarde op. Op 6 februari 2008 gaf het Hof aan dat de onregelmatige betekening van de dagvaarding niet leidt tot nietigheid van de erop volgende regelmatige procedures op verzet of na hoger beroep. In deze zaak werd de beklaagde, die in eerste aanleg (op verzet) de nietigheid van de betekening opwierp, op het juiste adres gedagvaard in hoger beroep
(9). 6. Waar het op aankomt, is de impact van de foute betekening van de dagvaarding op het recht van verdediging, met als toetssteen het proces in zijn geheel. Richtinggevend is het arrest van 2 juni 2020, dat stelt: “De betekening van een dagvaarding in strafzaken in strijd met de bepalingen van artikel 40 Gerechtelijk Wetboek leidt tot de nietigheid van de betekening indien deze onregelmatigheid het recht van verdediging van de beklaagde miskent. Of er een miskenning is van het recht van verdediging moet worden beoordeeld op basis van het strafproces in zijn geheel. Een eventuele miskenning van dit recht tijdens de procedure bij verstek kan worden geremedieerd door de behandeling van de zaak op verzet waarbij de beklaagde alle processuele grieven kan laten gelden”
(10). 7. Indien de onregelmatige betekening
(11)van de dagvaarding het recht van verdediging niet ernstig en onherstelbaar heeft aangetast, omdat de beklaagde verweer kan voeren voor de rechter op verzet of de rechter in hoger beroep, kan men aldus aannemen dat de onregelmatigheid geen effect heeft op het instellen van de strafvordering en de uitspraak ten gronde, op tegenspraak. Het is aan de vonnisrechter om over het herstel van de onregelmatigheid in een latere procesfase te oordelen, aan de hand van concrete gegevens van de zaak, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. Het bestreden vonnis lijkt mij niet verenigbaar met deze beginselen, zodat de middelen in zoverre gegrond zijn. Besluit: cassatie met verwijzing van de zaak, wat betreft de beslissing over de instelling van de strafvordering. __________________________________
(1)Het bestreden vonnis sluit aan bij de visie van het beroepen vonnis van de politierechtbank, dat het verzet van eiser tegen zijn veroordeling bij verstek gegrond verklaart en stelt dat de strafvordering niet rechtsgeldig werd aanhangig gemaakt, wegens een foute betekening van de dagvaarding aan het openbaar ministerie (art. 40 lid 2 Ger.W.).
(2)De uiterste datum voor het indienen van de memorie, was vrijdag 26 april 2024, de memorie werd op maandag 29 april 2024 ingediend en de zaak was voor het Hof vastgesteld op dinsdag 7 mei 2024. Over de vereiste van acht vrije dagen voor de zitting van het Hof, waarbinnen een ontvankelijke memorie van antwoord wordt ingediend, zie Cass. 7 juni 2016, AR P.16.0294.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.7, AC 2016, nr. 381; Cass. 19 mei 2015, AR P.15.0559.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.4, AC 2015, nr. 326; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops publ. 2023, 195.
(3)Cass. 22 november 2022, AR P.22.0378.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7, AC 2022, nr. 746, RW 2022-23, 1306, RABG 2023, 631; Cass. 4 november 2009, AR P.09.0972.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4, AC 2009, nr. 640, RABG 2010, 425 noot F. VAN VOLSEM, “Over de wijzen van betekening in strafzaken in het algemeen en aan een in een buitenlandse gevangenis opgesloten beklaagde in het bijzonder” (427-436); Cass. 29 april 2009, AR P.09.0107.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3, AC 2009, nr. 285, RDPC 2010, 69, RW 2010-11, 1053, noot B. DE SMET. Zie ook T. TOREMANS, “De nietigheid van de betekening aan de procureur des Konings wegens kennis van de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde”, RW 2013-14, 163-169; P. HOET, “Gewoon en buitengewoon verzet versus verjaring van de straf en van de strafvordering”, T. Strafr. 2021, 106-107.
(4)A. VANDEPLAS, “Vrijwillige verschijning door de verdachte”, in Comm. Straf. 1993, p. 6; A. DE NAUW, “De gevolgen van een foutieve wijze van betekenen in strafzaken”, R. Cass. 1994, 348; F. VAN VOLSEM, “Over de wijzen van betekening in strafzaken in het algemeen en aan een in een buitenlandse gevangenis opgesloten beklaagde in het bijzonder”, RABG 2010, 435.
(5)Cass. 15 september 1993, AR P.93.0234.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930915.9, AC 1993, nr. 349. Contra: Cass. 29 maart 1995, AR P.94.1400.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950329.4, AC 1995, 175, RW 1996-97, 915 noot L. VAN OVERBEKE, “Onregelmatigheid van de dagvaarding in strafzaken (916-17).
(6)Cass. 7 juni 1994, AR 7624, AC 1994, nr. 291, R.Cass. 1994, 349 noot A. DE NAUW; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, nr. 2056.
(7)Cass. 6 oktober 2021, AR P.21.0757.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211006.2F.6, AC 2021, nr. 623, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., JLMB 2021, 1620; GwH 25 november 2021, arrest 172/2021, B.1.3, www.const-court.be. Over art. 187, § 4 Sv. zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1673-1683.
(8)Cass. 7 december 2016, AR P.16.0650.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.2, AC 2016, nr. 701, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 20 maart 2024, AR P.23.1585.F, AC 2024, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240320.2F.2.
(9)Op dit punt zie Cass. 6 februari 2008, AR P.07.1497.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.5, AC 2008, nr. 87, RDPC 2008, 817 en R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 936: “onregelmatigheden van de betekening van de inleidende akte leiden niet tot nietigheid van de daarop volgende regelmatige procedures op verzet of na hoger beroep”. Over het herstel van een miskenning van het recht van verdediging begaan in eerste aanleg in een latere procesfase zie ook F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, 899 en 1005.
(10)Cass. 2 juni 2020, AR P.19.0985.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.2, AC 2020, nr. 343.
(11)Indien de dagvaarding niet is betekend, kan de rechter de zaak niet ten gronde behandelen, omdat hij zichzelf niet kan gelasten met de erin vermelde feiten. Op dit punt zie Cass. 14 oktober 2020, AR P.20.0578.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201014.2F.7, AC 2020, nr. 638, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240507.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930915.9 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950329.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080206.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090429.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091104.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201014.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211006.2F.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221122.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240320.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div