id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240528.2N.2 Rolnummer: P.24.0579.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-08-26 Raadplegingen: 337 - laatst gezien 2026-06-18 19:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.2 Fiches 1 - 2 In zoverre het middel van een ouder miskenning aanvoert van de rechten van de minderjarige wegens het niet-respecteren van de hoorplicht, heeft de eiser als ouder en onderscheiden procespartij in een procedure van gerechtelijke hulpverlening geen hoedanigheid om daartegen op te komen, en is het middel niet-ontvankelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 52ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 52ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Als uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat de ouder voor de appelrechter heeft aangevoerd dat het niet-respecteren van de hoorplicht van de minderjarige zijn rechten heeft miskend, kan hij dit niet voor het eerst voor het Hof doen, en is zijn middel over zijn rechten middel nieuw en niet- ontvankelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 52ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Wettelijke bepalingen: Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 52ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 52ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 416 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de conclusie P.24.0579.N Conclusie van advocaat-generaal Bart De Smet: “De ontvankelijkheid van een middel ingeroepen door een ouder over een maatregel van jeugdbescherming opgelegd zonder het horen van zijn kind ouder dan 12 jaar (art. 52ter Wet Jeugdbescherming en art. 416 Sv.)”. Eiser is de vader van de 12-jarige N., die sinds december 2020 onder toezicht staat van de jeugdrechter te West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, wegens een verontrustende situatie. Het bestreden arrest van de jeugdkamer te Gent (van 11 maart 2024) bevestigt de beschikking van de jeugdrechter (van 2 januari 2024), genomen na een vonnis tot verlenging van de maatregel (van 7 juni 2023), om de minderjarige toe te vertrouwen aan een instelling in W., waarbij rechtstreekse contacten tussen het kind en zijn vader (eiser) vooralsnog zijn uitgesloten. Na een onderbreking van 25 april 2024 tot 8 mei 2024, wegens plaatsing in een andere instelling, met als module crisisopname, is de voorlopige maatregel van het bestreden arrest nog steeds in uitvoering, ingevolge de wijzigende beschikking van de jeugdrechter van 25 april 2024. Er lijkt mij dan ook geen reden te zijn om het cassatieberoep zonder voorwerp te verklaren, wegens een nieuwe maatregel, die de vorige vervangt
(1). Bij de behandeling van de zaak voor de jeugdkamer was de minderjarige niet persoonlijk aanwezig, maar vertegenwoordigd door zijn advocaat. Het bestreden arrest stelt hierover dat het ‘ten uitzonderlijke titel’ de vertegenwoordiging door een advocaat toestaat, zonder enige toelichting. Volgens eiser is het arrest in strijd met de verplichting tot het horen van minderjarigen ouder dan 12 jaar in zaken van een verontrustende situatie, zoals die voortvloeit uit art. 52ter Jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 (JBW)
(2). Kinderen die in staat zijn zich een eigen mening te vormen, moeten volgens artikel 12 VN-Kinderrechtenverdrag
(1989)hun visie naar voren kunnen brengen in procedures die hen aanbelangen. Daarbij dient de rechter een ‘passend belang’ te hechten aan de mening van het kind, rekening houdend met de ‘leeftijd en rijpheid’ van het kind (art. 12 Kinderrechtenverdrag)
(3). Het hoorrecht van minderjarigen is eveneens beschermd door artikel 22bis Grondwet
(4)en door punt 5, eerste zin, van de Voorafgaande Titel van de Jeugdbeschermingswet, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest ingevolge art. 45 Decr. 15 februari 2019 (BS 26 april 2019). In zaken van minderjarigen die onder toezicht staan van de jeugdrechter, wegens een verontrustende situatie, is het hoorrecht voor minderjarigen ouder dan 12 jaar opgevat als een hoorplicht. Artikel 52ter JBW, eerste lid, in de versie van toepassing in het Vlaams Gewest, bepaalt de jeugdrechter de jongere die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, vóór het nemen van een maatregel persoonlijk moet horen, tenzij de minderjarige niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of hij weigert te verschijnen
(5). Telkens de minderjarige voor de jeugdrechter verschijnt, heeft hij recht op bijstand van een advocaat, gelet op de artikelen 52ter en 54bis Wet Jeugdbescherming. Voor het wijzigen van het recht op persoonlijk contact met een ouder moet de jeugdrechter het hoorrecht van de minderjarige respecteren
(6). Het hoorrecht is in de eerste plaats een waarborg voor de minderjarige ouder dan 12 jaar. Hij kan, met bijstand van een advocaat, vrij zijn mening geven over de verontrustende situatie en de gepaste maatregelen, telkens de jeugdrechter of de jeugdkamer (art. 58-59 Jeugdbeschermingswet) over zijn belang oordeelt. Het gaat daarbij om beslissingen waarbij de jeugdrechter een maatregel van jeugdbescherming overeenkomstig artikel 51 Decreet Integrale Jeugdhulp intrekt, aanpast of verlengt. Aangezien minderjarigen in beginsel handelingsonbekwaam zijn, de gevolgen van hun handelingen niet steeds kunnen inschatten
(7), is het best dat zij (indien ouder dan 12 jaar) zelf deelnemen aan de bespreking van de zaak, in het kabinet van de jeugdrechter of op de terechtzitting. Het hoorrecht is eveneens van belang voor de jeugdrechter, die moet oordelen over het nut van verdere gedwongen hulpverlening in het belang van de minderjarige. De jeugdrechter kan dit belang van de minderjarige allicht beter inschatten als hij zelf een gesprek kan voeren met de minderjarige, aan de hand van op informatie aangereikt in het dossier jeugdbescherming, zoals recente verslagen van jeugdhulpverleners. Verder kan het (verplicht) horen van de minderjarige ouder dan 12 jaar in het belang zijn van de ouders, die eveneens partij zijn in de procedure. Wanneer zij aanvoeren dat een bepaalde maatregel niet in het belang is van hun gezin of kind, kunnen zij dit standpunt toetsen aan de mening die hun kind zelf vertolkt, met bijstand van zijn advocaat. Deze aspecten kwamen aan bod in het arrest van uw Hof van 2014, over een minderjarige die niet verscheen voor de jeugdkamer en werd vertegenwoordigd door haar advocaat. De jeugdkamer oordeelde dat gelet op artikel 54 Wet Jeugdbescherming (opgeheven in het Vlaams Gewest, ingevolge art. 67 Decr. Vl. 15 februari 2019) er een rechtstreeks contact wordt gelegd tussen de jeugdrechtbank, de minderjarige en zijn ouders, vanwege de opvoedende aard van de te nemen maatregelen, maar dat gelet op de ‘omstandigheden van de zaak’, het enkele feit dat de minderjarige niet verscheen, niet toelaat het recht op vertegenwoordiging door een advocaat te ontzeggen. De jeugdkamer gaf aan dat de minderjarige “uit vrees voor haar ouders” niet wou verschijnen. Het Hof oordeelde dat deze beslissing naar recht is verantwoord, en de grief van de moeder over o.a. artikel 52ter en 54bis Wet Jeugdbescherming niet kan worden aangenomen
(8). Een ouder kan aldus belang hebben bij de grief in cassatie over het niet-horen van zijn kind ouder dan 12 jaar tijdens het debat voor de jeugdkamer over een voorlopige maatregel van jeugdbescherming, die tevens een inperking inhoudt van het recht op eerbiediging van het gezinsleven (art. 8 EVRM) en het ouderlijk gezag
(9). Vertegenwoordiging van het kind door een advocaat, buiten de drie vermelde uitzonderingen, kan het voor de ouder moeilijk maken om de actuele visie van zijn kind te achterhalen en daarover verweer te voeren, zeker als de jeugdrechter beperkingen heeft opgelegd aan het omgangsrecht van het kind met de betrokken ouder. Daaruit volgt m.i. evenwel niet dat de ouder een schending van vermelde wetsbepalingen steeds als ontvankelijk cassatiemiddel kan aanvoeren. Een ouder die meent dat de jeugdkamer zijn recht van verdediging miskent, dient daarover tijdig verweer te voeren, zo niet is het cassatiemiddel dat steunt op deze waarborg nieuw en niet-ontvankelijk
(10). Uit de stukken blijkt niet dat eiser uitstel vroeg om de minderjarige te laten deelnemen aan de bespreking voor de jeugdkamer of opmerkingen heeft gemaakt op de vraag tot vertegenwoordiging van de minderjarige door zijn jeugdadvocate. Ook voerde eiser voor de jeugdkamer geen verweer over de vraag of de raadsman van de minderjarige correct het standpunt heeft vertolkt van de minderjarige (oa. over het stappenplan om geleidelijk de contacten met vader op te bouwen). Eiser voerde als verweer dat er in zijn milieu geen verontrusting is, de plaatsing van N. psychologische problemen voor zijn zoon meebrengt en het dossier zou moeten worden onttrokken aan de jeugdrechter te Kortrijk (met overheveling naar de jeugdrechter te Oudenaarde). Het middel van eiser lijkt mij niet-ontvankelijk te zijn, voor zover de ingeroepen onwettigheid verband houdt met de uitoefening van zijn recht van verdediging. Voor zover het middel erop neerkomt dat de bestreden beslissing het recht miskent van de minderjarige om persoonlijk te worden gehoord, voorafgaand aan elke maatregel, heeft eiser naar mijn mening geen hoedanigheid om in cassatie op te komen. In zoverre is het middel eveneens niet-ontvankelijk. Ik heb geen ambtshalve middelen en besluit tot verwerping. __________________________________
(1)Op dit punt zie Cass. 8 oktober 2013, AR P.13.1190.N, arrest niet gepubliceerd, J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR 1996, p. 673.
(2)Deze wetsbepaling is in de memorie aangehaald bij de bespreking van het middel, evenwel niet in de rubriek ‘geschonden wetsbepalingen’, dat art. 63ter Wet Jeugdbescherming bevat.
(3)(GwH) 29 augustus 2019, arrest 118/2019, B.11.1, met verwijzing naar EHRM, grote kamer, 8 juli 2003, Sommerfeld t. Duitsland, §§ 65-69; 3 september 2015, M. en M. t. Kroatië, §§ 180-181; 2 februari 2016, N. TS. en anderen t. Georgië, § 72); L. CAPPON en F. VANDER LAENEN, “Gehoord worden is nog geen inspraak: perspectieven van minderjarigen en ouders op de beslissingen genomen door de jeugdrechter”, TJK 2015, 3-19; H. ASSELMAN, “Participatie van minderjarigen in protectionele procedures voor de jeugdrechtbank: overwegingen bij het hoorrecht en het recht op vertegenwoordiging door een advocaat”, TJK 2016, 179-185; S. RAP, “Heilige graal of werkelijkheid? Het recht om gehoord te worden voor kinderen in juridische procedures”, TJK 2019, 131-133.
(4)GwH 29 augustus 2019, arrest 119/2019, B.6.6. Over art. 22bis GW zie P. LEMMENS, “De rechten van het kind als grondrechten in de Belgische rechtsorde”, in Kinderrechten in België, (ed.) W. VANDENHOLE, Intersentia 2008, 51-55; S. SOTTIAUX, Grondwettelijk recht, Intersentia 2016, 432.
(5)H. ASSELMAN, l.c., TJK 2016, 183; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, die Keure 2021, 552-553.
(6)H. ASSELMAN, l.c., TJK 2016, 183.
(7)I. DE JONGHE en L. UYTTENHOVE, Hulpverlening en recht, Intersentia 2020, 248. Zie ook C. ELIAERTS, “De gerechtelijke bescherming van de jeugdigen”, in Jongeren & Recht, Intersentia 2003, 165, die erop wijst dat een hoorplicht van de minderjarige het risico vermindert van druk uitgeoefend op de minderjarige om niet te verschijnen, af te zien van zijn recht zijn mening naar voor te brengen.
(8)De moeder voerde in cassatie aan dat de appelrechter de artikelen 51, 52, 52ter, 54 en 54bis van de voormelde wet heeft geschonden, doordat hij uitspraak heeft gedaan zonder de minderjarige te horen en zonder haar raadsman te machtigen om haar op de rechtszitting van het hof van beroep te vertegenwoordigen (Cass. 4 juni 2014, AR P.14.0704.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140604.2, AC 2014, nr. 402).
(9)Over het aspect van maatregelen van jeugdbescherming en art. 8 EVRM zie Cass. 23 november 2022, AR P.22.1223.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221123.2F.7, AC 2022, nr. 753; Cass. 24 oktober 2012, AR P.12.1333.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121024.2, AC 2012, nr. 564, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.
(10)Over het nieuw cassatiemiddel dat miskenning aanvoert van het recht van verdediging, zie F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 133-138; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1823-1824. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240528.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240528.2N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121024.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140604.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221123.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div