id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 mei 2024 ECLI
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Fiscaal dossier houdende stukken vreemd aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging - Inzagerecht van de belastingplichtige - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 In geval de belastingplichtige van oordeel is dat de toegang tot de stukken of gedeelten van die stukken van het fiscaal dossier die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten en hij die aanvoering ook enigszins aannemelijk maakt, staat het aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen, zo nodig de overlegging van die stukken of gedeelten van stukken te bevelen en desnoods een miskenning van de rechten van de belastingplichtige te sanctioneren
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BELASTINGZAKEN Vrije woorden: Fiscaal dossier houdende stukken vreemd aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging - Vraag tot inzage door de belastingplichtige - Taak van de fiscale rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2024, nr. 35, p. 8-
- - HERMANS, Naomi; Noot'Hof van Cassatie vult openbaarheid van bestuur eng in' Tekst van de conclusie F.22.0031.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
- Situering. Het geschil heeft betrekking op een aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2016 voor een bedrag van 1.967.318,48 euro. Eiser heeft voor het aanslagjaar 2016 (inkomsten van 2015) geen aangifte in de personenbelasting ingediend. Dat houdt verband met het feit dat hij niet in België in het bevolkingsregister was ingeschreven, maar officieel domicilie hield in de Dominicaanse Republiek. Op basis van onderzoeken bij enkele vennootschappen uit de groep De Witte evenals op basis van de vaststellingen tijdens een huisvisitatie bij eiser, heeft de taxatiedienst geoordeeld dat eiser beroepsinkomsten, meer bepaald bedrijfsleidersbezoldigingen, heeft genoten en die had moeten aangeven vermits ze belastbaar zijn in de personenbelasting omdat eiser zijn fiscaal domicilie in België, namelijk in Heusden, heeft. De gerechtelijke betwisting van de gevestigde aanslag leidde tot een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 19 oktober
- Eiser komt op tegen dit arrest met drie middelen tot cassatie.
- Bespreking van het eerste middel. (…) TWEEDE ONDERDEEL. 2.
- In het tweede onderdeel voert eiser aan dat de appelrechters hun beslissing om de oorspronkelijk vordering van eiser ongegrond te verklaren enkel hebben kunnen nemen dan met miskenning van de verplichting van verweerder om principieel het volledig administratief dossier waarover hij beschikt voor te leggen, bij gebreke aan opgave van enige doelstelling van algemeen belang die volstaat om daar afbreuk aan te doen (Schending van de artikelen 6.1 EVRM, 47, 48 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dd. 12 december 2007 en 347, derde lid WIB92), met als gevolg dat de beoordeling van de betwiste aanslag op basis van het onvolledig administratief dossier de rechten van verdediging van eiser, de wapengelijkheid tussen partijen en zijn recht op tegenspraak miskent en geen eerlijk proces oplevert (Schending van de artikelen 6.1 EVRM, 47, 48 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dd. 12 december 2007, de algemene rechtsbeginselen houdende de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak, het recht op woord en wederwoord en de wapengelijkheid en 347, derde lid WIB92). 2.
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 47, 48 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dd. 12 december 2007 kan het m.i. niet worden aangenomen, nu deze bepalingen niet van toepassing zijn in een louter nationaalrechtelijke context inzake inkomstenbelastingen waarin geen uitvoering van het Unierecht aan de orde is. 2.
- Met betrekking tot de draagwijdte van het beginsel van de wapengelijkheid in een fiscale procedure die aanleiding geeft of kan geven tot een administratieve geldboete of een belastingverhoging met het karakter van een straf als bedoeld door artikel 6.1 EVRM, oordeelde het Hof in een arrest van 25 september 2020 als volgt: "Het beginsel van de wapengelijkheid zoals vervat in het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en in het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat in een dergelijke procedure de belastingplichtige in de regel toegang heeft tot alle gegevens behorend tot het fiscale dossier van de administratie, met inbegrip van de stukken die de administratie heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid. De administratie kan evenwel de toegang weigeren tot die stukken of gedeelten van die stukken, indien die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging. In dat geval vereisen het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de belastingplichtige immers niet dat hij toegang ertoe heeft. In geval de belastingplichtige niettemin van oordeel is dat de toegang tot die stukken noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten en hij die aanvoering ook enigszins aannemelijk maakt, staat het aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen en desgevallend een miskenning van de rechten van de belastingplichtige te sanctioneren"
(1). Met de zinsnede “De administratie kan evenwel de toegang weigeren tot die stukken of gedeelten van die stukken, indien die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging” viseert het Hof m.i. zowel stukken uit een strafdossier die niet de belastingplichtige maar enkel derden aanbelangen als stukken waarop de administratie haar taxatie niet heeft gebaseerd (ongeacht of die stukken al dan niet op derden betrekking hebben). 2.6. Anders dan het tweede onderdeel aanvoert, is de rechter die oordeelt dat het recht van verdediging niet werd miskend doordat de belastingplichtige geen toegang heeft gekregen tot alle stukken van het administratief dossier, niet steeds verplicht dit te rechtvaardigen op grond van doelstellingen van algemeen belang. Uit de rechtspraak van het EHRM valt dit niet af te leiden
(2). Indien de administratie geen inzage geeft in bepaalde stukken, omdat zij derden aanbelangen of omdat zij zich voor de taxatie niet op die stukken heeft gebaseerd, moet daarvoor m.i. geen reden van algemeen belang worden aangevoerd. Een reden van algemeen belang moet m.i. enkel worden aangevoerd wanneer de administratie toegang zou weigeren tot stukken waarop de beslissing tot taxatie wel is gebaseerd. 2.7. Zoals verweerder terecht opwerpt in zijn memorie is de reikwijdte van de door eiser aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie luidens dewelke een beperking van de toegang tot het administratief dossier slechts gerechtvaardigd is door doelstellingen van algemeen belang, beperkt tot geschillen over belastingen die onder het Unierecht vallen en is deze bijgevolg niet van toepassing op voorliggend geschil dat betrekking heeft op een aanslag in de inkomstenbelasting
(3). 2.
- In zoverre het tweede onderdeel aanvoert dat geen van de gedane vaststellingen, noch opgegeven overwegingen van het bestreden arrest betrekking hebben op een doelstelling van algemeen belang die zou toelaten afbreuk te doen aan de verplichting van verweerder om het volledig dossier mee te delen zodat niet wettig werd beslist dat de niet-overlegging door verweerder van het volledig administratief dossier geen schending inhoudt van het recht van verdediging, faalt dit onderdeel derhalve naar recht in zoverre de appelrechters hun beslissing niet dienden te verantwoorden op grond van doelstellingen van algemeen belang. (….)
- Besluit: Vernietiging. _______________________________________
(1)Cass. 25 september 2020, AR C.17.0561.N, AC 2020, nr. 577, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.10.
(2)Zie i.v.m. het feit dat een belastingadministratie niet verplicht is aan de belastingplichtige stukken mee te delen waarop de taxatie niet gebaseerd is, EHRM 24 februari 1994, Bendenoun v. Frankrijk, r.o. 52 en de bespreking van dit arrest in DE RAEDT, S., en VAN DE VIJVER, A., Fiscale Rechtspraakoverzichten, Grondrechten in fiscalibus 1989-2014, Gent, Larcier 2016, p. 389, nr. 514. Er is daarbij geen sprake van het moeten aanvoeren van een reden van algemeen belang voor het weigeren van toegang tot stukken.
(3)Zie overigens de conclusie van adv.-gen. BOBEK bij het arrest van het HvJ inzake Glencore (C-189/18) van 16 oktober 2019, onder nr. 61, waarin over het recht van toegang tot het dossier wordt gesteld: “Daarentegen kan het recht van toegang tot het dossier, zoals ik in de zaak Ispas heb voorgesteld, niet zodanig worden uitgelegd dat de belastingplichtige recht van ‘inzage in het volledige dossier’ moet hebben, als daarmee wordt bedoeld ‘de volledige verzameling documenten en informatie die de administratieve autoriteit in bezit heeft’, met inbegrip van ‘elementen die niet direct betrekking hebben op het genomen besluit, zoals sommige interne aantekeningen, kladversies, ondersteunende berekeningen en alle van derden verkregen informatie’”. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240530.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240530.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div