← België

MS AMLIN INSURANCE SE contra WONDERWEG VZW

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240603.3N.10 Rolnummer: C.23.0167.N Zaak: MS AMLIN INSURANCE SE contra WONDERWEG VZW Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2024-08-28 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-15 07:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.10 Fiche 1 Het begrip “reiziger”, van artikel 2, 6° van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten en artikel 2, 3°, KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten dient te worden uitgelegd in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 - Art. 3.6) KB 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 29-05-2018 - Art. 2, 3° - 05 ELI link Pub nr 2018012508 Fiches 2 - 3 De vraag of een rechtspersoon, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden, als reiziger bedoeld in de zin van artikel 3.6), Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad kan worden beschouwd noodzaakt, overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Moet het begrip “reiziger” van artikel 3.6) Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd dat het ook een rechtspersoon omvat, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 Tekst van de conclusie C.23.0167.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen, gewezen op 19 december
  2. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  3. Wat betreft het derde onderdeel. (...)
  4. Wat betreft het tweede onderdeel. (...)
  5. Wat betreft het eerste onderdeel. De problematiek in het eerste onderdeel betreft de invulling van het begrip “reiziger” in artikel 2, 6° van de wet van
  6. Het is deze die, ingevolge artikel 2, 3° van het KB van 2018, wordt beschermd tegen een gebeurlijke insolventie van de professioneel waarop de wet van 2017 van toepassing is. Ter discussie staat de vraag of verweerster een reiziger is de zin van de wet van
  7. Door eiseres wordt aangevoerd dat als reiziger enkel kan begrepen worden de, individuele, natuurlijke persoon die de eigenlijke en effectieve reiziger is. Het is deze die de bescherming geniet, doch niet de verweerster die voor haar leden de pakketreis heeft besteld en betaald. De wet van 2017 is een omzetting van de Richtlijn 2015/
  8. Het begrip reiziger van de wet dient dan ook geïnterpreteerd te worden in de betekenis die het heeft in artikel 3, 6) van de Richtlijn. De vraag die zich derhalve stelt is of als reiziger in de zin van de Richtlijn kan worden beschouwd, een rechtspersoon die handelt in het kader van zijn maatschappelijk doel en die van een handelaar, in de zin van artikel 3 van de Richtlijn, een pakketreis koopt doch waar dit niet plaats heeft op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een handelaar en de rechtspersoon, waarvan sprake in artikel 2, 2°, c) van de Richtlijn. Uit artikel 267 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie volgt dat de beantwoording van deze vraag tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie behoort. Het is dan ook aangewezen dat Uw Hof de navolgende prejudiciële vraag stelt: “Moet het begrip “reiziger” van artikel 3.6) Richtlijn Pakketreizen aldus worden uitgelegd dat het ook rechtspersonen omvat, waarbij die handelen in het kader van hun maatschappelijk doel, en die niet op basis van een algemene overeenkomst met een professioneel voor het regelen van zakenreizen pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen of afzonderlijk verkochte reisdiensten kopen?”
  9. Conclusie: Het stellen van de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240603.3N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.10 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.