id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.10 Rolnummer: F.21.0176.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2024-09-24 Raadplegingen: 566 - laatst gezien 2026-06-19 01:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.10 Fiches 1 - 2 Belastingen zijn van openbare orde; bijgevolg moet de rechter zelf, zowel in feite als in rechte, beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld; hierbij is hij niet gebonden door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de belasting heeft gebaseerd en moet hij uitspraak doen over de andere gronden die het bestuur voor hem aanvoert ter verantwoording van de heffing; dit geldt evenzeer in het kader van een subsidiaire aanslag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE RECHT VAN VERDEDIGING - BELASTINGZAKEN Fiche 3 Wanneer de aan de rechter voorgelegde subsidiaire aanslag op een welbepaalde juridische grondslag is gesteund, maar het bestuur in ondergeschikte orde ook een andere juridische grond aanvoert, dient de rechter, wanneer hij de in hoofdorde aangevoerde kwalificatie verwerpt, na te gaan of de subsidiaire aanslag gewettigd is op grond van de in ondergeschikte orde aangevoerde juridische grond; stelt hij vast dat de subsidiaire aanslag op de in ondergeschikte aangevoerde juridische grond slechts ten dele gewettigd is, dan dient hij de subsidiaire aanslag ten belope van dat gedeelte geldig en uitvoerbaar te verklaren, zo nodig na de administratie de kans te hebben gegeven om de subsidiaire aanslag aan te passen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2024, nr. 1853, p. 12-
- - CB; Noot'Art. 356 wib 92 Subsidiaire aanslag: met juridische grond 'in ondergeschikte orde'' Fiscologue-Fiscologue - 2024, n° 1853, p. 12-
- - BUISSE, Christian; Note'Art. 356 CIR
- Cotisation subsidiaire: quid de l'argument invoqué 'à titre subsidiaire' ?' Tekst van de conclusie F.21.0176.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering.
- De achterliggende feiten van het geschil omvatten een uitvoerig relaas dat niet relevant is voor de beoordeling van het cassatieberoep. Het een geschil betreft de kwalificatie van een inkomen of een meerwaarde door de realisatie van certificaten en aandelen verkregen naar aanleiding van de stopzetting van een beroepswerkzaamheid of na die vorige beroepswerkzaamheid.
- In een tussenarrest van 18 december 2019 verklaarde het hof van beroep te Brussel de belasting van die materie als baten nietig en kwalificeerde de belastbare materie als meerwaarden. De administratie legde in toepassing van artikel 356 WIB92 subsidiaire aanslagen voor waarin toepassing werd gemaakt van artikel 28, eerste lid, 2°, WIB
- Het eindarrest stelt samengevat dat die subsidiaire aanslagen wettelijke grondslag missen omdat die bepaling niet meerwaarden belastbaar stelt. Volgens het bestreden arrest kan de in ondergeschikte orde gevorderde belasting van meerwaarden op grond van artikel 28, eerste lid, 1°, WIB92, niet worden toegekend omdat dit
(1)een verschil van tarief inhoudt,
(2)dergelijke subsidiaire aanslagen niet voorliggen, en
(3)artikel 356 WIB92 geen (beperkte) geldigverklaring toestaat middels een “ontheffing” van voorgelegde subsidiaire aanslagen.
- De eiser komt tegen dit arrest op met één middel bestaande uit grieven “in hoofdorde” en in “ondergeschikte orde”. 2 Bespreking van het middel. 2.1 Grieven “in hoofdorde”.
- De grief voert in eerste instantie de miskenning van de bewijskracht aan van het tussenarrest van 18 december
- Het gaat ervan uit dat het eindarrest oordeelt dat het tussenarrest van 18 december 2019 niet vaststelt dat de inkomsten werden verkregen of vastgesteld na stopzetting van de beroepswerkzaamheid.
- Die aanname berust echter op een verkeerde lezing van het arrest. Het bestreden arrest stelt vast dat de (nieuw) voorgelegde subsidiaire aanslagen op grond van artikel 28, lid 1, 2°, WIB ’92 meerwaarden belasten die worden vastgesteld uit hoofde van of naar aanleiding van de stopzetting van de beroepswerkzaamheid, terwijl dat niet in overeenstemming is met hetgeen werd vastgesteld in het tussenarrest van 18 december
- In zoverre mist de grief feitelijke grondslag.
- Steunend op dezelfde aanname voert de grief de schending aan van het gezag van gewijsde van het tussenarrest van 18 december
- In zoverre de grief is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht is de grief niet ontvankelijk.
- De appelrechters oordelen dat de verweerder terecht aanvoert dat de voorgelegde subsidiaire aanslagen niet in overeenstemming zijn met hetgeen werd vastgesteld in het tussenarrest van 18 december 2019 omdat de belastbare materie in de subsidiaire aanslagen worden gekwalificeerd als een inkomen zoals bedoeld in artikel 28, lid 1, 2° WIB92, er daarbij van uitgaande dat het gaat om ‘inkomsten die worden verkregen of vastgesteld na de stopzetting en die voortkomen uit de vorige beroepswerkzaamheid”. Deze niet bekritiseerde reden draagt de beslissing van de appelrechters dat de subsidiaire aanslagen, voor zover gebaseerd op artikel 28, eerste lid, 2° WIB92, niet uitvoerbaar kunnen worden verklaard. Aldus komt het middel, dat de schending aanvoert van artikel 28, eerste lid, 2° WIB92, artikel 19, eerste lid en 23 tot 28 Gerechtelijk wetboek en van artikel 41, 1° WIB92, op tegen overtollige motieven en kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2.2 Grieven “in ondergeschikte orde”.
- De eiser heeft voor de appelrechter in ondergeschikte orde gevorderd dat het gaat om inkomsten verkregen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, 1°, WIB
- De appelrechters oordelen dat die ondergeschikte vordering een verschil in tarief betekent, daarover geen subsidiaire aanslagen zijn opgesteld noch voorgelegd en artikel 356 WIB92 geen beperkte geldigverklaring toestaat middels een ontheffing. Ze beslissen dat die ondergeschikte vordering wettelijke grondslag mist.
- In tal van arresten oordeelde het Hof dat de rechter ook in geschillen inzake inkomstenbelastingen niet gebonden is door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de aanslag baseerde en bijgevolg uitspraak moet doen over de gronden die het bestuur voor het eerst voor hem aanvoert ter verantwoording van de belastingschuld of meer nog, zelf eigen juridische gronden moet aanvoeren als die de aanslag kunnen verantwoorden
(1). Bij arrest van 12 december 2019 oordeelde het Hof dat de fiscale wet de openbare orde raakt en de rechter bijgevolg, ongeacht de eventuele nietigheid van de administratieve akte behoudens wanneer deze noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, zelf in feite en in rechte dient te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld
(2). Bij arrest van 23 november 2023 oordeelde het Hof dat de omstandigheid dat het bestuur, bij de kennisgeving van het bestaan van een belastingschuld, nalaat om de belastingplichtige te informeren over de juridische gronden waarop de heffing steunt, de rechter niet ontslaat van zijn plicht om te onderzoeken of de heffing al dan niet wettig is op grond van de juridische motieven die tijdens het geding worden aangevoerd door het bestuur
(3). 10. In zijn conclusie bij het arrest van 23 november 2023 wees advocaat-generaal VAN DER FRAENEN erop dat uit de artikelen 355 en 356 WIB92 geen argumenten kunnen worden geput voor een andere visie
(4). Bij arrest van 26 februari 2010 oordeelde het Hof dat artikel 355 WIB92 de rechter niet verplicht om elke aanslag die niet conform een wettelijke regel is vastgesteld, in zijn geheel nietig te verklaren. Doordat belastingen van openbare orde zijn, moeten de rechtbanken van de rechterlijke orde, de facto en de jure, binnen de perken van het geschil waarvan zij hebben kennis genomen, zelf oordelen welke omschrijving moet worden gegeven aan de materiële belastbare bestanddelen. Wanneer een rechtbank vaststelt dat de aanslag ten dele gewettigd is door de herkwalificatie van diverse inkomsten als roerende inkomsten, dient die aanslag niet in zijn geheel nietig verklaard te worden aangezien de belastbare grondslag behouden blijft en enkel het belastingtarief en de berekening van de kosten gewijzigd blijft
(5). Ook met betrekking tot de subsidiaire aanslag zoals voorzien in het hier toepasselijk artikel 356 WIB92 oordeelt het Hof dat deze bepaling de rechter niet verplicht om over te gaan tot vernietiging van de aanslag en hij mag oordelen dat de aanslag slechts wordt ontheven in de mate dat een hoger tarief werd opgelegd dan het wettelijk verschuldigd tarief
(6).
- Het is deze situatie die hier voorligt. Indien de rechter vaststelt dat de subsidiaire aanslag op de in ondergeschikte aangevoerde juridische grond slechts ten dele gewettigd is, bijvoorbeeld omdat een ander tarief toepasselijk is, dan dient hij de (te herberekenen) subsidiaire aanslag ten belope van dat gedeelte geldig en uitvoerbaar te verklaren, hetzij de administratie de kans te gegeven om de subsidiaire aanslag aan te passen.
- Het arrest dat de voorgelegde subsidiaire aanslagen verwerpt zonder de ondergeschikte vordering van de administratie te beoordelen, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. De grief is gegrond. Besluit: cassatie. ________________________________________
(1)Zie o.m. Cass. 4 februari 1993, AR F1232F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130517.3, AC 1993, nr. 76, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930204.20: het hof van beroep dat in eerste en laatste aanleg uitspraak moet doen over de voorzieningen van de belastingplichtige moet, nu de belastingen de openbare orde raken, zelf in feite en in rechte uitspraak doen binnen de perken van het aan het hof voorgelegde geschil; het hof van beroep is niet gebonden door de ramingen in de conclusies van de partijen of in de beslissing van de directeur en kan meer bepaald eigen gronden aanvoeren om de heffing van het juiste bedrag te wettigen; Cass. 15 mei 2003, AR F.02.0025.F, AC 2003, nr. 298, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030515.6. Voorheen reeds: Cass. 14 februari 1986, AR F1227N, AC 1986, nr. 385, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860214.12, RW 1986-87, 346; Cass. 30 september 1983, AR F1077N, AC 1983, nr. 55, ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830930.2; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0003.N, AC 2020, nr. 579, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.1; VAN CROMBRUGGE S., “Invloed openbareordekarakter belasting op rechtsmacht fiscale rechter”, Fiscoloog 1718, 12.
(2)Cass. 12 december 2019, AR F.18.0073.N, AC 2019, nr. 664, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.4; In dezelfde zin reeds Cass. 23 december 2016, AR F.15.0083.N, AC 2016, nr. 746, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.2, met concl. van procureur-generaal wnd. D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161223.2. Deze rechtspraak ligt in het verlengde van het eerste arrest over deze kwestie: Cass. 3 maart 2011, AR F.08.0082.F, AC 2011, nr. 178, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110303.1, met concl. van eerste advocaat-generaal A. HENKES, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110303.1, (het zgn. Oxygène-arrest): de belasting raakt de openbare orde zodat de gerechtelijke rechtscolleges zelf in feite en in rechte uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de nietigheid van de beslissing van de administratie; Cass. 22 mei 2014, AR F.12.0188.N, AC 2014, nr. 371, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140522.9, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.9.
(3)Cass. 23 november 2023, AR F.20.0153.N, AC 2023, nr. 768, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5.
(4)Concl van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5, bij Cass. 23 november 2023, AR F.20.0153.N, AC 2023, nr. 768, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5.
(5)Cass. 26 februari 2010, AR F.08.0091.F, AC 2010, nr. 133, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100226.3.
(6)Cass. 12 juni 2015, AR F.14.0043.N, AC 2015, nr. 394, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.4. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830930.2 ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860214.12 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930204.20 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030515.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100226.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110303.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110303.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130517.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140522.9 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161223.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161223.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191212.1N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div