← België

B. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 juni 2024 ECL

Art. 1476

, § 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1476

, § 2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 5 Een beding in een samenwoningsovereenkomst dat een sanctie inhoudt voor de samenwonende die de wettelijke samenwoning beëindigt, is strijdig met de openbare orde en bijgevolg nietig; dit is het geval wanneer de ene partij zich ertoe verbindt om aan de andere partij een persoonlijke onderhoudsuitkering te betalen als zij de samenwoning beëindigt en de bedongen onderhoudsuitkering disproportioneel is, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, zoals de duur van de samenwoning, de organisatie van de samenleving, de inkomsten en mogelijkheden van de partijen en de duur van de onderhoudsplicht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTELIJKE SAMENWONING Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1478

, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1478

, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1478

, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0025.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering.

  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het geschil betrekking heeft op de regelmatigheid van de door de eiseres gevorderde vergoeding zoals deze is voorzien in een samenlevingsovereenkomst naar aanleiding van de beëindiging van een wettelijk samenwoning. Zowel de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, als het hof van beroep te Brussel in het bestreden arrest van 8 september 2022 verklaarden die vordering van de eiseres tot toekenning van een vergoeding op grond van de samenlevingsovereenkomst ongegrond.
  2. Het geschil betreft in het bijzonder de geldigheid van het volgend beding in de samenwoningsovereenkomst tussen de partijen: “Indien de verbreking van het samenwonen volgt na een lang en duurzaam samenleven, kan de samenlever die geen beroep uitoefende, doch slechts het huishouden deed, aanspraak maken op een rente, maandelijks aan hem uit te betalen, teneinde hem een evenwaardige levensstandaard te bieden. Deze rente dient in onderling overleg te worden vastgesteld en bij gebrek aan akkoord door een neutraal deskundige. Deze rente valt evenzeer weg bij huwelijk of een samenleven met een andere persoon, wat door alle middelen kan bewezen worden.”
  3. De appelrechter oordeelt dat dit beding is aangetast door een absolute nietigheid; het legt (samengevat) een buitenproportionele plicht op aan de onderhoudsplichtige zonder beperking en maakt een disproportioneel opzegbeding uit bij het beëindigen van de samenleving

(1).
  1. Tegen dat arrest komt de eiseres in cassatie op met één middel, bestaande uit vier onderdelen en vier subonderdelen. 2 Wettelijk kader onderhoudsuitkeringen tussen wettelijke samenwoners. 2.1 Gebrek aan wettelijke onderhoudsplicht.
  2. Artikel 301, § 2 oud BW bepaalt dat een behoeftige ex-echtgenoot een onderhoudsuitkering na echtscheiding kan vorderen ten laste van de andere ex-echtgenoot. Een gelijkaardige wettelijke onderhoudsplicht is niet voorzien bij de beëindiging van een wettelijke samenwoning
(2). Wettelijke samenwoners zijn net zoals echtgenoten wel gehouden om tijdens de wettelijke samenwoningsrelatie naar evenredigheid van ieders mogelijkheden bij te dragen in de lasten van de samenwoning (art. 1477, § 3 oud BW), maar voor hen geldt geen hulp- en bijstandsplicht
(3). Wettelijke samenwoners zijn in tegenstelling tot echtgenoten er niet toe gehouden om hun levensstandaard met elkaar te delen
(4)en bijgevolg ook niet om de terugval in levensstandaard na de beëindiging van de wettelijke samenwoning te compenseren met een onderhoudsuitkering
(5). 2.1.1 Onderhoudsuitkering als dringende en voorlopige maatregel? 5. Krachtens artikel 1479, derde lid oud BW kan de familierechtbank de dringende en voorlopige maatregelen gelasten die ingevolge de beëindiging van de wettelijke samenwoning gerechtvaardigd zijn. Er bestaat discussie of de rechter op die basis alsnog een onderhoudsuitkering kan toekennen aan de financieel-economisch minder gegoede samenwoner. Volgens een eerste strekking is dat niet mogelijk, omdat artikel 1479, derde lid oud BW eerder een materieelrechtelijke bevoegdheidsverdeling in het voordeel van de familierechtbank bevat
(6). Bovendien is het voorwerp van de dringende en voorlopige maatregelen beperkter na beëindiging van de wettelijke samenwoning, o.m. door het wegvallen van de bijdrageplicht tot de lasten van de samenwoning
(7), terwijl een hulpplicht tussen wettelijke samenwoners sowieso ontbreekt
(8). Volgens een tweede strekking kan artikel 1479, derde lid oud BW wel als een autonome rechtsgrond worden aangewend om een onderhoudsuitkering toe te staan, voor zover dit gerechtvaardigd is ingevolge de beëindiging van de wettelijke samenwoning
(9). De financiële moeilijkheden van de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kunnen zo ten dele worden opgevangen, met dien verstande dat deze compensatie niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk om hem of haar tot zelfredzaamheid te brengen
(10). Andere rechtsleer is voorzichtiger en stelt dat een onderhoudsuitkering onder artikel 1479, derde lid oud BW enkel gebaseerd kan zijn op het criterium ‘behoefte’. De samenwoner die aanspraak maakt op de onderhoudsuitkering, dient dan aan te tonen dat hij effectief behoeftig is en dus niet in zijn eigen primaire noden kan voorzien
(11). 6. Bij arrest van 16 juni 2021 oordeelde het Hof dat een onderhoudsuitkering als dringende en voorlopige maatregel onder artikel 1479, derde lid oud BW in ieder geval niet kan steunen op een (niet-bestaande) hulpplicht tussen wettelijk samenwoners. De appelrechter die een persoonlijk onderhoudsgeld toekent aan de wettelijk samenwoner die gebaseerd is op de wederzijdse hulpplicht van de partijen en de mogelijkheid voor de uitkeringsgerechtigde om een levensstandaard aan te houden die zij zou gehad hebben indien er geen “scheiding” was geweest, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht
(12). 2.1.2 Onderhoudsuitkering als natuurlijke verbintenis? 7. Volgens een strekking in de rechtspraak en rechtsleer kan in bepaalde gevallen een onderhoudsuitkering worden toegekend op basis van de erkenning van een natuurlijke verbintenis
(13). Wanneer de wettelijke samenwoner bijvoorbeeld eerder heeft aangegeven te willen bijdragen tot het onderhoud van zijn ex-partner na de beëindiging van de samenwoning, kan dit een omvorming van een natuurlijke verbintenis in een civiele verbintenis uitmaken. De toekenning of voorzetting van onderhoudsuitkeringen kan dan gerechtvaardigd zijn. De succesvolle aanwending van deze rechtsgrond is echter afhankelijk van de wil van de onderhoudsplichtige wettelijke samenwoner tot novatie in een civiele verbintenis, aangezien een natuurlijke verbintenis as such niet in rechte kan worden afgedwongen
(14). 2.2 Conventionele onderhoudsuitkeringen tussen wettelijke samenwoners.
  1. Wegens de onzekerheid rond de toekenning van een onderhoudsuitkering na de beëindiging van de wettelijke samenwoning, stelt zich de vraag of wettelijke samenwoners hierover in hun samenwoningsovereenkomst een conventionele regeling kunnen opnemen. Overeenkomstig artikel 1478, vierde lid oud BW regelen de wettelijke samenwoners hun samenwoning immers naar eigen goeddunken door middel van een overeenkomst, voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477 oud BW, met de openbare orde of de goede zeden, met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij of met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Deze samenwoningsovereenkomst moet bij notariële akte worden gesloten.
  2. Strekking pro conventionele onderhoudsuitkeringen.
  3. De meerderheid van de rechtspraak en rechtsleer is van mening dat een conventionele onderhoudsuitkering in de samenwoningsovereenkomst mogelijk is
(15). De wettelijke samenwoners kunnen immers ook een hulpplicht stipuleren voor tijdens de samenwoning
(16), zodat zij principieel ook een onderhoudsuitkering voor na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kunnen overeenkomen
(17). Bovendien koppelt de wetgever zelfs gevolgen aan een conventionele hulpplicht en onderhoudsuitkering tussen wettelijke samenwoners, aangezien dit een wettelijke voorwaarde is voor het verkrijgen van een overlevingsrente bij arbeidsongevallen of beroepsziekten
(18). 11. Een belangrijke voorwaarde voor een dergelijke conventionele onderhoudsuitkering is dat zij geen bestraffing mag vormen voor de beëindiging van de wettelijke samenwoning en in die zin geen ‘strafbeding’ (zie verder) mag zijn
(19). In dat geval is de individuele vrijheid om de wettelijke samenwoning te beëindigen immers aangetast, wat ingaat tegen de openbare orde en goede zeden en een absolute nietigheid tot gevolg heeft
(20). 12. Indien periodieke onderhoudsuitkeringen zijn overeengekomen, moeten zij bijgevolg beperkt zijn in de tijd, om te vermijden dat de vrijheid van de onderhoudsplichtige om de samenwoning te beëindigen een lege doos wordt
(21). Een eenmalige som (overbruggingsbedrag) dient dan weer beperkt te zijn in omvang en mag niet verder gaan dan nodig om de onderhoudsgerechtigde samenwoner tot zelfredzaamheid te kunnen brengen
(22). De criteria die worden aangehaald om deze grens (beperkt in de tijd dan wel in omvang) te kunnen bepalen, zijn onder meer de duur van de wettelijke samenwoning, de feitelijke organisatie van de samenwoning, de draagkracht van de partijen en de overeengekomen voorwaarden voor de toekenning van de onderhoudsuitkering (bv. wederkerigheid, al dan niet criterium van behoeftigheid, …)
(23). Een minderheid stelt deze beperkingen voor de overeengekomen onderhoudsuitkering evenwel in vraag, aangezien niets in ons recht een persoon zou verbieden om zich in de schulden te werken en de algemene leer van wilsgebreken kan worden ingeroepen om zwakkeren te beschermen
(24). 2.2.1 Strekking contra conventionele onderhoudsuitkeringen. 13. VAN GYSEL meent dat het stipuleren van een hulpplicht en een daaraan gekoppelde onderhoudsuitkering ingaat tegen de openbare orde, omdat zij de individuele vrijheid van personen regelen
(25). Het is om diezelfde reden bijvoorbeeld ook onmogelijk voor wettelijke samenwoners om een samenwonings- of getrouwheidsplicht overeen te komen, of een vermoeden van vaderschap
(26). Dat de sociale wetgeving de verkrijging van een overlevingsrente afhankelijk maakt van het overeenkomen van een hulpplicht en onderhoudsuitkering tussen de wettelijke samenwoners, is een onvolkomenheid van de wetgeving en mag volgens hem niets aan die conclusie veranderen
(27). 3 Bespreking van het middel.
  1. De eiseres komt op tegen het oordeel van de appelrechter dat het beding uit de samenwoningsovereenkomst van 22 november 2006, waarin de partijen een conventionele onderhoudsuitkering zijn overeengekomen, nietig is en daardoor in zijn geheel niet kan worden toegepast. Het enige middel bevat verschillende onderdelen en subonderdelen, die ofwel zijn gericht op het oordeel inzake de ongeldigheid van het beding (eerste onderdeel, tweede onderdeel en eerste, tweede en derde subonderdeel van het vierde onderdeel), ofwel op het oordeel inzake de gevolgen van deze ongeldigheid van het beding (derde onderdeel en vierde subonderdeel van het vierde onderdeel). 3.1 Eerste onderdeel.
  2. In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechter de bewijskracht van het betrokken beding uit de samenwoningsovereenkomst heeft miskend. Dit beding geeft de samenwoner die geen beroep uitoefende, immers enkel een aanspraak op een rente teneinde hem een evenwaardige levensstandaard te bieden, en houdt aldus geen garantie in op het behoud van dezelfde levensstandaard, zoals de appelrechter oordeelde.
  3. De appelrechter citeert het betrokken beding meermaals in het bestreden arrest
(28)waardoor het Hof de beweerde miskenning van de bewijskracht ervan kan toetsen. 17. Het onderdeel lijkt feitelijke grondslag te missen. Zoals de verweerder opmerkt in zijn memorie van antwoord, heeft de appelrechter op verschillende plaatsen de letterlijke bewoordingen van het beding overgenomen en betreft het oordeel dat “het beding aldus aan de samenlever die tijdens het samenleven niet werkte een quasi levenslange garantie op het behoud van dezelfde levensstandaard [biedt]”
(29)eerder een parafrasering van het beding. De focus van de appelrechter ligt in de betrokken zin uit het bestreden arrest op de (quasi onbeperkte) tijdsduur van de conventionele onderhoudsuitkering en niet op het niveau van levensstandaard dat het beding zou waarborgen. De appelrechter lijkt daarmee een uitlegging van het beding te geven die in haar geheel niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. 3.2 Tweede onderdeel.
  1. In het tweede onderdeel verwijt de eiseres de appelrechter het betrokken beding als een strafbeding in de zin van de artikelen 1226 en 1229 oud BW te hebben gekwalificeerd. Het beding zou immers geen beding uitmaken waarbij de verweerder zich voor het geval van niet-uitvoering van de samenwoningsovereenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die voortvloeit uit die niet-uitvoering van de overeenkomst.
  2. Er kan discussie rijzen over de juiste verbintenisrechtelijke kwalificatie van een conventionele onderhoudsuitkering die wettelijke (of feitelijke) samenwoners in hun samenwoningsovereenkomst invoegen.
  3. Ofwel is de conventionele onderhoudsuitkering een schade- of strafbeding
(30). Dit zou betekenen dat de onderhoudsuitkering op forfaitaire wijze de schade begroot die volgt uit de niet-nakoming van de hoofdverbintenis uit de samenwoningsovereenkomst (oud art. 1229 oud BW), wat een contractuele wanprestatie veronderstelt. Een samenwoningsovereenkomst tussen wettelijke samenwoners kan bezwaarlijk gezien worden als een overeenkomst waarvan de hoofverbintenis de instandhouding van de wettelijke samenwoning betreft. Een dergelijke overeenkomst zou een ongeoorloofd voorwerp hebben en ingaan tegen de openbare orde, aangezien niemand zich er rechtens toe kan verbinden om tot in de eeuwigheid samen te wonen met zijn partner. Een schade- of strafbeding dat gevolgen koppelt aan de beëindiging van de samenwoning zou om diezelfde reden absoluut nietig zijn (vroeger art. 1227 oud BW). 21. Ofwel is de conventionele onderhoudsuitkering een opzegbeding. De individuele vrijheid om de relatie te beëindigen wordt dan niet ontkend, maar er wordt wel een soort van opzegvergoeding bepaald. De onderhoudsuitkering is dan een vergoeding voor de schade die voortvloeit uit de opzegging van de samenwoning en dus van de ermee verbonden samenwoningsovereenkomst
(31). In casu stelt de appelrechter niet vast dat de samenwoningsovereenkomst een verbintenis tot instandhouding van de wettelijke samenwoning bevat. De kwalificatie als opzegbeding is dan juridisch correcter: er wordt een vergoeding bepaald als compensatie of tegenprestatie voor de opzegmogelijkheid van de overeenkomst/wettelijke samenwoning. 22. Ook indien het beding wordt gekwalificeerd als een opzegbeding, kan het nog steeds ingaan tegen de openbare orde, met name indien het opzegbeding dermate hoog of disproportioneel is dat het een private straf wordt. Het beding heeft dan immers een ongeoorloofde oorzaak
(32). Het beding voldoet ook in die hypothese niet aan de voorwaarden voor samenwoningsovereenkomsten volgens artikel 1478, vierde lid oud BW (“voor zover deze geen beding bevat dat strijdig is […] met de openbare orde of de goede zeden”) en moet nietig worden verklaard. Het lijkt precies in die gedachtegang dat de appelrechter heeft geoordeeld dat het beding uit de samenwoningsovereenkomst van 22 november 2006 disproportioneel is omdat deze geen beperking in de tijd bevat en de maandelijkse rente onafhankelijk is van de financiële mogelijkheden van de onderhoudsplichtige, en dat het beding daardoor de vrijheid om de wettelijke samenwoning te beëindigen aantast. De appelrechter volgt daarmee de meerderheidsopvatting rond conventionele onderhoudsuitkeringen: de onderhoudsuitkering mag niet zo geformuleerd of uitgewerkt worden dat zij in wezen een privaatrechtelijke bestraffing voor de beëindiging van de samenwoning beoogt en moet daardoor beperkt zijn in de tijd. Net zoals in de rechtsleer vaak gebeurt, gebruikt de appelrechter in dat kader de term ‘strafbeding’, wat technisch gezien echter niet geheel correct voorkomt
(33). Uit de motieven van het arrest blijkt m.i. duidelijk dat wordt bedoeld dat het (opzeg)beding een ongeoorloofde oorzaak heeft, aangezien het door zijn disproportioneel karakter een bestraffing voor de beëindiging van de wettelijke samenwoning tot doel heeft en om die reden door de appelrechter werd benoemd als een strafbeding. Het lijkt duidelijk dat daar waar de term ‘strafbeding’ wordt gebruikt, de appelrechter niet doelt op een strafbeding in de zin van de artikelen 1226, 1229 en 1231, § 1 oud BW maar met deze term enkel laat verstaan dat het opzegbeding een bestraffing voor de beëindiging van de samenwoning beoogt. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 23. Het onderdeel lijkt bovendien op te komen tegen een overtollig motief, zoals de verweerder opmerkt
(34). Ongeacht de gebruikte bewoording hetzij kwalificatie als straf- of opzegbeding oordeelt de appelrechter dat het beding strijdig is met de openbare orde, omdat het “de vrijheid om de wettelijke samenwoning te beëindigen aantast” en “de onderhoudsplichtige een buitenproportionele plicht [oplegt] om zonder beperking in de tijd de levensstandaard van de niet-werkende partner te verzekeren”
(35). Die motieven dragen de beslissing dat het beding nietig is, ongeacht of dit wegens een ongeoorloofd voorwerp van de samenwoningsovereenkomst (bij de kwalificatie als strafbeding) hetzij wegens een ongeoorloofde oorzaak van de conventionele onderhoudsuitkering zelf (bij de kwalificatie als opzegbeding) is. De kwalificatie van het beding heeft geen invloed op de beslissing zelf. Bijgevolg kan het onderdeel niet tot cassatie kunnen leiden en is het niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Daaraan wordt m.i. geen afbreuk gedaan door het hierna in het derde onderdeel opgeworpen verschil tussen een straf- en opzegbeding op het vlak van de mogelijke matigingsbevoegdheid van artikel 1231, § 1 oud BW (dat enkel geldt voor strafbedingen en niet voor opzegbedingen), aangezien de vastgestelde strijdigheid met de openbare orde een eventuele matiging uitsluit. 3.3 Derde onderdeel.
  1. Het derde onderdeel stelt dat, indien meegegaan wordt in de kwalificatie als strafbeding, de rechter het beding hooguit kon matigen, maar niet absoluut nietig kon verklaren. Krachtens artikel 1231, § 1 oud BW kan de rechter de straf die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom namelijk verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden. Daaruit zou volgens de eiseres volgen dat een buitensporig strafbeding niet leidt tot absolute nietigheid, maar wel tot matiging.
  2. Net zoals het tweede onderdeel, lijkt dit derde onderdeel te berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, aangezien de appelrechter geen strafbeding in de zin van artikel 1226, 1229 en 1231, § 1 oud BW bedoelde, maar wel een (disproportioneel) opzegbeding, zodat ook dit derde onderdeel feitelijke grondslag mist. 3.4 Vierde onderdeel. 3.4.1 Eerste subonderdeel.
  3. In het eerste subonderdeel van het vierde onderdeel stelt de eiseres dat, in zoverre de appelrechter beslist dat de samenwoningsovereenkomst tussen de partijen een ongeoorloofd voorwerp heeft, de appelrechter artikel 1128 oud BW schendt. Een conventionele onderhoudsuitkering tussen wettelijke samenwoners strekt er immers niet toe een toestand te doen ontstaan of in stand te houden die strijdig is met de openbare orde, noch verplicht zij tot een prestatie die door een wet van openbare orde is verboden. Door het beding om deze reden absoluut nietig te verklaren, zou de appelrechter bovendien de artikelen 1108, 1134, 1476, § 2 en 1478, vierde lid oud BW en voor zoveel als nodig artikel 1304 oud BW schenden.
  4. Dit subonderdeel berust mijns inziens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. De appelrechter oordeelt niet uitdrukkelijk dat de samenwoningsovereenkomst tussen de partijen een ongeoorloofd voorwerp heeft. De appelrechter meent dat de conventionele onderhoudsuitkering die de partijen overeenkwamen, disproportioneel is en daardoor strijdig met de openbare orde. Zoals hoger aangegeven, wijst dit in de richting van een ongeoorloofde oorzaak. Het voorwerp van het beding, namelijk de betaling na de beëindiging van een lang en duurzaam samenleven van een maandelijkse rente aan de samenwoner die instond voor het huishouden en geen beroep uitoefende, is op zichzelf immers niet ongeoorloofd. Het is slechts door het disproportionele karakter van de voorziene onderhoudsuitkering dat de vrijheid om de wettelijke samenwoning te beëindigen de facto wordt beperkt. De oorzaak, of determinerende beweegreden, voor het beding is dan een bestraffing van degene die de samenwoning beëindigt, wat ingaat tegen de openbare orde. Om die reden lijkt het onderdeel feitelijke grondslag te missen.
  5. Indien het Hof van oordeel is dat de uitspraak van de appelrechter toch eerder betrekking heeft op het voorwerp van de samenwoningsovereenkomst en het betwiste beding, verplicht het onderdeel tot een onderzoek van de feiten waarvoor het Hof geen rechtsmacht heeft. Of een concrete overeenkomst of een concreet beding ingaat tegen de openbare orde, is immers een feitenkwestie
(36). 3.4.2 Tweede subonderdeel.
  1. Het tweede subonderdeel stelt dat de appelrechter niet kon beslissen dat de verbintenis tot betaling van een onderhoudsuitkering na de beëindiging van de samenwoning werd aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak, zonder daarbij vast te stellen dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst tot doel hadden om de vrijheid om de wettelijke samenwoning te beëindigen, te beperken (schending van de artikelen 1131 en 1133 oud BW). Door het beding om deze reden absoluut nietig te verklaren, zou de appelrechter bovendien de artikelen 1108, 1134, 1476, § 2 en 1478, vierde lid oud BW en voor zoveel als nodig artikel 1304 oud BW schenden.
  2. Ook dit subonderdeel berust mijns inziens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. De appelrechter geeft immers wel degelijk te kennen dat de partijen de bedoeling hadden om de vrijheid om de samenwoning te beëindigen, te beperken. Dit volgt volgens de appelrechter namelijk uit de disproportionaliteit van het beding, waardoor het in wezen een private straf beoogt: “De heer […] stelt terecht dat het beding, door een combinatie van factoren, een strafbeding uitmaakt dat de vrijheid om de wettelijke samenwoning te beëindigen, aantast. […] Het beding legt de onderhoudsplichtige dan ook een buitenproportionele plicht op om zonder beperking in de tijd de levensstandaard van de niet-werkende partner te verzekeren en betreft dan ook duidelijk een strafbeding bij het beëindigen van de samenleving”. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
  3. Indien het Hof van oordeel is dat de uitspraak van de appelrechter toch eerder betrekking heeft op het voorwerp van de samenwoningsovereenkomst en het betwiste beding, en niet op de oorzaak, dan berust dit subonderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 3.4.3 Derde subonderdeel.
  4. In het derde subonderdeel staat het tijdstip waarop en de criteria op basis waarvan de mogelijke disproportionaliteit van een conventionele onderhoudsuitkering beoordeeld moet worden, centraal. In zoverre die disproportionaliteit beoordeeld moet worden op het tijdstip waarop het beding uitwerking krijgt, heeft de appelrechter volgens de eiseres onvoldoende rekening gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de inkomsten waarover de partijen beschikken, de duur van de samenwoning, de leeftijd van de partijen en de mogelijkheid voor de eiseres om economisch zelfredzaam te worden. Door desalniettemin het beding absoluut nietig te verklaren omdat het de onderhoudsplichtige een disproportionele plicht oplegt, zou de appelrechter de artikelen 1108, 1134, 1476, § 2 en 1478, vierde lid oud BW en, voor zoveel als nodig, artikel 1304 oud BW schenden. In zoverre de disproportionaliteit van het beding beoordeeld dient te worden op het ogenblik van de totstandkoming ervan, dient de rechter rekening te houden met de toen geldende wettelijke bepalingen en kan hij volgens de eiseres dus niet verwijzen naar de onderhoudsuitkering na echtscheiding zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 2007 (aangezien de samenwoningsovereenkomst van de partijen dateert van 22 november 2006). Door op die gronden het beding absoluut nietig te verklaren omdat het de onderhoudsplichtige een disproportionele plicht oplegt, zou de appelrechter de artikelen 1108, 1134, 1476, § 2 en 1478, vierde lid oud BW en, voor zoveel als nodig, artikel 1304 oud BW schenden.
  5. Het is duidelijk dat de mogelijke disproportionaliteit van de conventionele onderhoudsuitkering, om na te gaan dat het beding geen private bestraffing beoogt, beoordeeld dient te worden op het ogenblik van de totstandkoming ervan. Het gaat hier immers om de beoordeling of het beding geen ongeoorloofde oorzaak heeft, die noodzakelijkerwijze reeds moet vaststaan op het ogenblik van de totstandkoming aangezien de oorzaak een geldigheidsvereiste vormt
(37). Criteria die te maken hebben met de omstandigheden waarin het beding wordt ingeroepen (bv. duur van de samenwoning, leeftijd van de partijen, …) zijn mijns inziens enkel relevant om te beoordelen of er geen sprake zou zijn van rechtsmisbruik door in de concrete omstandigheden beroep te doen op het beding. In zoverre het subonderdeel ervan uitgaat dat de mogelijke disproportionaliteit van het beding beoordeeld dient te worden op het ogenblik dat het beding uitwerking krijgt, faalt het naar recht. 34. In zoverre het subonderdeel terecht stelt dat de mogelijke disproportionaliteit van het beding beoordeeld dient te worden op het ogenblik van de totstandkoming ervan, komt het op tegen een overtollig motief: “Het beding biedt aldus aan de samenlever die tijdens het samenleven niet werkte een quasi levenslange garantie op het behoud van dezelfde levensstandaard, hetgeen veel verder gaat dan het bieden van tijdelijke financiële hulp om de behoeftige ex-partner in staat te stellen een zekere economische onafhankelijkheid terug te vinden en zelfs de onderhoudsuitkering na echtscheiding waarop een ex-echtgenoot aanspraak kan maken”
(38). De verwijzing door de appelrechter naar de onderhoudsuitkering na echtscheiding draagt niet de beslissing dat het beding disproportioneel is. Bepalend voor die beslissing is het ongelimiteerde karakter van het beding en het gebrek aan enige afhankelijkheid van de financiële mogelijkheden van de onderhoudsplichtige. In zoverre kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden en is het onontvankelijk bij gebrek aan belang. 3.4.4 Vierde subonderdeel.
  1. In het laatste subonderdeel stelt de eiseres dat de appelrechter, indien zij terecht zou hebben geoordeeld dat het beding uit de samenwoningsovereenkomst absoluut nietig was, had moeten onderzoeken of een partiële nietigheid mogelijk is, zodat zij het beding kon herleiden tot een proportionele hoogte. Door dit niet te doen, zou de appelrechter de artikelen 1108, 1128, 1131, 1304, 1476, § 2 en 1478, vierde lid oud BW hebben geschonden.
  2. De partiële nietigheid heeft de laatste jaren haar intrede gedaan in de cassatierechtspraak en is sinds 1 januari 2023 ook verankerd in het Burgerlijk Wetboek (art. 5.63 BW: “Wanneer de nietigheidsgrond slechts een gedeelte van het contract betreft, beperkt de nietigverklaring zich tot dat gedeelte, voor zover het contract deelbaar is, rekening houdend met de bedoeling van de partijen evenals met het doel van de geschonden regel. Eenmaal nietig verklaard, laat het door de wet voor niet-geschreven gehouden beding de rest van het contract voortbestaan”.). Het idee achter de partiële nietigheid is dat de nietigheidssanctie maar zover mag strekken als nodig om haar doel te bereiken
(39). Een volledige nietigverklaring van een overeenkomst of een beding stemt in veel gevallen niet overeen met de bedoeling van de partijen zelf
(40). De nietigheid kan dan worden beperkt tot het overeenstemmende gedeelte van de overeenkomst of het beding dat in strijd is met een bepaling van dwingend recht of openbare orde. Op 23 januari 2015 oordeelde het Hof als volgt: “Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behoudens de wet zulks verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdig gedeelte van de overeenkomst of beding op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of beding beantwoordt aan de partijbedoeling”
(41). Het ging in die zaak om een niet-concurrentiebeding voor 17 jaar, dat door de appelrechters absoluut nietig werd verklaard omdat het door zijn lange duurtijd de vrijheid van handel en nijverheid aantastte. Deze rechtspraak werd later meerdere malen bevestigd
(42)en ook uitgebreid tot situaties van bedrog
(43). In casu zou een partiële nietigheid van het beding kunnen betekenen dat er wel een onderhoudsuitkering kan worden toegekend aan de eiseres, maar dat de disproportionaliteit van de overeengekomen onderhoudsuitkering wordt weggewerkt door ze te beperken in de tijd en te linken aan de financiële mogelijkheden van de onderhoudsplichtige. Het gaat dan in feite om een reductie of matiging van de conventionele onderhoudsuitkering. 37. MOSSELMANS stelt dat gelet op de evolutie in de rechtspraak van het Hof, weliswaar niet inzake alimentatie, er wel iets te zeggen valt over de vraag of de familierechter in voorkomend geval het beding (slechts) partieel nietig kan verklaren en zodoende de uitwerking van het beding kan beperken tot wat redelijk overkomt
(44). De vaststelling dat hier ook het aspect van de openbare orde in het geding is, lijkt niet van die aard te zijn om die rechtspraak hier niet toepasselijk te verklaren. Immers, zoals hoger vermeld, is het voorwerp van het beding, namelijk de betaling na de beëindiging van een lang en duurzaam samenleven van een maandelijkse rente aan de samenwoner die instond voor het huishouden en geen beroep uitoefende, op zichzelf niet ongeoorloofd. Het is slechts door het disproportionele karakter van de voorziene onderhoudsuitkering dat deze indruist tegen de openbare orde. Er lijkt zich ook ten aanzien van een conventioneel opzegbeding in een samenlevingsovereenkomst niets te verzetten tegen de toepassing van de door het Hof geformuleerde regel dat de rechter, indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid van een beding wegens schending van de openbare orde, kan beperken tot wettelijk aanvaardbare proporties op voorwaarde dat het voortbestaan van het gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de partijbedoeling
(45).
  1. Opmerkelijk is de vaststelling dat het Hof in de arresten van 23 januari 2015 en 25 juni 2015 overweegt dat de rechter de nietigheid “kan” beperken. Door het gebruik van het woord “kan” en niet “moet” lijkt het Hof aan te geven dat de rechter daar niet ambtshalve toe gehouden is. In het arrest van 23 januari 2015 merkt het Hof uitdrukkelijk op dat een verzoek is vereist van een partij om de nietigheid te beperken en de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden.
  2. De vraag hangt samen met de vraag naar de taak van de rechter: dient de rechter de mogelijkheid van een partiële nietigheid ambtshalve te onderzoeken?
  3. In haar syntheseappelconclusie van 7 april 2022 voerde de eiseres enkel aan dat het beding uit de samenwoningsovereenkomst van 22 november 2006 geldig is omdat de overeenkomst van partijen niet voorzien was op het straffen van de partner die de wettelijke samenwoning beëindigde. Zij voerde niet aan dat, indien de appelrechter van oordeel zou zijn dat het beding toch ongeldig is wegens aantasting van de openbare orde, het beding slechts partieel nietig moet worden verklaard. Ook de verweerder maakte in zijn syntheseappelconclusie van 4 mei 2022 geen gewag van een partiële nietigheid. Hoewel het debat duidelijk betrekking had op de geldigheid van het beding, hebben de partijen de appelrechter niet verzocht om een eventuele nietigheid te beperken. In zoverre zou het subonderdeel als nieuw en derhalve als niet ontvankelijk kunnen worden aangemerkt.
  4. Een ander oordeel zou de (impliciete) regel kunnen inhouden dat de rechter voortaan ambtshalve, mits naleving van de rechten van verdediging, een nietig beding moet herleiden tot zijn aanvaardbare proporties rekening houdende met de bedoeling van de partijen.
  5. In de huidige zaak komt het onrechtvaardig voor als de eiseres, die bij de notaris een samenwoningsovereenkomst ondertekende met de verweerder waarin een conventionele onderhoudsuitkering werd overeengekomen, en die dus dacht alles voldoende geregeld te hebben, plots moet vaststellen dat de rechter de voorwaarden rond die conventionele onderhoudsuitkering (wellicht gesuggereerd door de notaris) disproportioneel acht en daardoor het beding in zijn geheel buiten toepassing laat. Het beding veruitwendigt de bedoeling van de partijen om toch enige onderhoudsuitkering te voorzien. Uit het beding blijkt duidelijk dat zij de samenwoner die geen beroep zou uitoefenen en zich zou richten op de organisatie van het huishouden, wilden compenseren bij een beëindiging van de wettelijke samenwoning. Gelet op het onzekere wettelijk kader rond onderhoudsuitkeringen voor wettelijke samenwoners, moet zoveel als mogelijk deze conventionele regeling in stand worden gehouden. De eiseres mag mijns ziens dan ook niet worden afgestraft voor het feit dat zij haar verweer focuste op de verdediging van de geldigheid van het beding. Bijgevolg moest de rechter mijns inziens ambtshalve onderzoeken of een partiële nietigheid niet mogelijk was.
  6. De partiële nietigheid poogt de nietigheidssanctie efficiënter te maken en slechts in te grijpen in de contractuele sfeer van de partijen voor zover dat noodzakelijk is. Gelet op die achterliggende reden is het mijns inziens dan ook logisch dat de rechter hier ambtshalve diende te onderzoeken of aan de voorwaarden voor een partiële nietigheid is voldaan. Er kan dan ook worden aangesloten bij de conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN bij het arrest van het Hof van 9 september 2019: “Volledigheidshalve wil ik nog opmerken dat ik meen dat het hanteren van het werkwoord “kan” in Uw beslissing van 23 januari 2015 niet betekent dat de rechter ter zake, indien de drie hoger aangehaalde voorwaarden vervuld zijn, vrij kan beslissen om alsnog tot de volledige vernietiging over te gaan. Een dergelijke volledige vernietiging tast immers het contractuele evenwicht verder aan dan nodig is. Indien de voorwaarden vervuld zijn dan moet de rechter de gedeeltelijke vernietiging uitspreken. Hij heeft geen keuze op dat ogenblik”
(46). Het bereiken van de werkelijke bedoelingen van de partijen verdient de voorkeur boven de keuze van de rechter om naar eigen believen te kunnen beslissen om de partiële nietigheid al dan niet toe te passen
(47). 44. Om die redenen komt het gepast voor het arrest te verbreken omdat de appelrechter het beding nietig te verklaren zonder na te gaan of een partiële nietigheid mogelijk is en beantwoordt aan de partijbedoeling. 4 Besluit: cassatie op het vierde subonderdeel van het vierde middel. __________________________________
(1)p. 11 van het arrest. Zie verder onder randnummer 18 e.v. over de terminologie van opzegbeding i.p.v. strafbeding.
(2)N. DANDOY, “La solidarité financière après la rupture” in N. DANDOY en F. TAINMONT (eds.), Cohabitants légaux et de fait: état des lieux et perspectives, Brussel, Larcier 2023,
(271)272; R. DEKKERS, H. CASMAN, A.-L. VERBEKE en E. ALOFS, Relatievermogensrecht – Na de codificatie van 2022, Antwerpen, Intersentia 2023, 18, nr. 20; L. DE SCHRIJVER, Evaluatie en toekomstperspectieven van de wettelijke samenwoning, Kluwer, Mechelen, 2017, 177-178, nr. 257; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 162, nr. 250.
(3)H. THIJS, “Geen persoonlijk onderhoudsgeld na beëindiging van de wettelijke samenwoning”, T. Not., 2022, 246, noot bij Cass 16 december 2021, AR C.18.0060.N, AC 2021, nr. 805, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.6.
(4)Los van de minimale deling van een zekere levensstandaard die gelinkt is aan het bestaan van een bijdrageplicht tot de lasten van de samenwoning naar evenredigheid van ieders mogelijkheden.
(5)H. CASMAN, “Wettelijke samenwoning. Hoe gaat dat nu verder?”, NjW 2004,
(182)184, nr. 10; N. DANDOY, “La solidarité financière après la rupture” in N. DANDOY en F. TAINMONT (eds.), Cohabitants légaux et de fait: état des lieux et perspectives, Brussel, Larcier 2023,
(271)271.
(6)N. DANDOY, “La solidarité financière après la rupture” in N. DANDOY en F. TAINMONT (eds.), Cohabitants légaux et de fait : état des lieux et perspectives, Brussel, Larcier 2023,
(271)273-274; S. SWENNEN, “Alimentatie tussen partners” in C. FORDER en A. VERBEKE (eds.), Gehuwd of niet, maakt het iets uit?, Antwerpen, Intersentia 2005,
(285)304, nr. 64.
(7)N. TORFS en E. VAN SOEST, “De redactie van een samenlevingsovereenkomst (wettelijke samenwoning)” in L. WEYTS, A. VERBEKE en E. GOOVAERTS (eds.), Actualia Familiaal Vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2003,
(59)64, nr. 11, vn. 18; S. MOSSELMANS, “Bestaat een persoonlijk recht op onderhoudsuitkering aan de zijde van gewezen samenwonenden?” (noot onder Vred. Roeselare 29 juni 1999), T.Vred. 2000,
(249)250, nr. 4.
(8)H. THIJS, “Geen persoonlijk onderhoudsgeld na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Not. 2023,
(246)248-249; J. SAUVAGE en A.-C. VAN GYSEL, Le couple, Limal, Anthemis 2022, 509; A.-C. VAN GYSEL, “La cohabitation légale : quo vadis ?”, RTDF 2015,
(9)25.
(9)I. DOM, “Solidariteit tussen feitelijk samenwonende partners?”, Not.Fisc.M. 2018,
(30)32, nr. 8; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 162, nr. 248; L. DE SCHRIJVER (oorspr. auteur: P. SENAEVE), “Commentaar bij art. 1479 BW” in Comm.Pers., 2015, afl. 78, 30-31, nrs. 48-49; L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)139, nr. 18; Y.-H. LELEU, Droit des personnes et des familles, Brussel, Larcier 2020, 408, nr. 431; A. VAN DEN BROECK, “Onderhoudsuitkering na wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), RW 2022-23,
(420)421, nr. 7.
(10)L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)141, nr. 21.
(11)A. VAN DEN BROECK, “Onderhoudsuitkering na wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), RW 2022-23,
(420)422, nrs. 13-14.
(12)Cass. 16 december 2021, AR C.18.0060.N, AC 2021, nr. 805, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.6; S. MOSSELMANS, “Kroniek partneralimentatie”, RW 2023-2024/24, 936; L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)140, nr. 19; S. MOSSELMANS, “Actualia inzake partner- en kinderalimentatie” in Themis Personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia 2023,
(111)133, nr. 33 en 134, nr. 35; A. VAN DEN BROECK, “Onderhoudsuitkering na wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), RW 2022-23,
(420)420, nr. 2; S. EGGERMONT, “Tweerelaties – Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed”, Antwerpen, Intersentia 2016, 75, nr. 116; F. SWENNEN, “Het personen- en familierecht”, Antwerpen, Intersentia 2023, 336, nr. 517.
(13)Vred. Gent 4 november 1996, RW 1997-98, 266, noot F. APS; N. DANDOY, “La solidarité financière après la rupture” in N. DANDOY en F. TAINMONT (eds.), Cohabitants légaux et de fait: état des lieux et perspectives, Brussel, Larcier, 2023,
(271)281; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 173, nr. 264 e.v. Contra: F. APS, “De natuurlijke verbintenis als rechtsgrond voor de toekenning van een persoonlijk onderhoudsgeld na de beëindiging van de concubinaatsrelatie?” (noot onder Vred. Gent 4 november 1996), RW 1997-98,
(268)268-269, nr. 3.
(14)N. DANDOY, “La solidarité financière après la rupture” in N. DANDOY en F. TAINMONT (eds.), Cohabitants légaux et de fait: état des lieux et perspectives, Brussel, Larcier 2023,
(271)283-284; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 176-177, nr. 267.
(15)GwH 12 maart 2015, nr. 33/2015, nr. B.7.3; N. DANDOY, “La solidarité financière après la rupture” in N. DANDOY en F. TAINMONT (eds.), Cohabitants légaux et de fait: état des lieux et perspectives, Brussel, Larcier 2023,
(271)276; R. DEKKERS, H. CASMAN, A.-L. VERBEKE en E. ALOFS, Relatievermogensrecht – Na de codificatie van 2022, Antwerpen, Intersentia 2023, 16-17, nr. 15 en 366-367, nr. 379; L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)137, nr. 11; Y.-H. LELEU, Droit des personnes et des familles, Brussel, Larcier 2020, 408, nr. 431; S. MOSSELMANS, “Bestaat een persoonlijk recht op onderhoudsuitkering aan de zijde van gewezen samenwonenden?” (noot onder Vred. Roeselare 29 juni 1999), T.Vred. 2000,
(249)253, nr. 10; S. SWENNEN, “Alimentatie tussen partners” in C. FORDER en A. VERBEKE (eds.), Gehuwd of niet, maakt het iets uit?, Antwerpen, Intersentia 2005,
(285)307, nr. 71; H. THIJS, “Geen persoonlijk onderhoudsgeld na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Not. 2023,
(246)250; G. VERSCHELDEN, S. BROUWERS, K. BOONE, I. MARTENS en K. VERSTRAETE, “Overzicht van rechtspraak. Familierecht (2001-2006)”, TPR 2007,
(141)659, nr. 747.
(16)L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)136, nr. 8; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 163, nr. 250; S. MOSSELMANS, “Actualia inzake partner- en kinderalimentatie” in Themis Personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia 2023,
(111)136-137, nr. 37.
(17)S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 167, nr. 258 (gebaseerd op het verderlopen van de overeengekomen hulpplicht) en nr. 259 (los van enige hulpplicht).
(18)Zie art. 5 en 12 Arbeidsongevallenwet; R. DEKKERS, H. CASMAN, A.-L. VERBEKE en E. ALOFS, Relatievermogensrecht – Na de codificatie van 2022, Antwerpen, Intersentia 2023, 367, nr. 379.
(19)S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichting tussen samenwoners”, Nieuwsbrief Notariaat 2008, afl. 2, 3, nr. 10; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 167, nr. 259; S. SWENNEN, “Alimentatie tussen partners” in C. FORDER en A. VERBEKE (eds.), Gehuwd of niet, maakt het iets uit?, Antwerpen, Intersentia 2005,
(285)307, nr. 71.
(20)S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichting tussen samenwoners”, Nieuwsbrief Notariaat 2008, afl. 2, 4, nr. 11; R. DEKKERS, H. CASMAN, A.-L. VERBEKE en E. ALOFS, Relatievermogensrecht – Na de codificatie van 2022, Antwerpen, Intersentia 2023, 367, nr. 379; S. MOSSELMANS, “Actualia inzake partner- en kinderalimentatie” in Themis Personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia 2023,
(111)137, nr. 38; H. THIJS, “Geen persoonlijk onderhoudsgeld na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Not. 2023,
(246)250; G. VERSCHELDEN, S. BROUWERS, K. BOONE, I. MARTENS en K. VERSTRAETE, “Overzicht van rechtspraak. Familierecht (2001-2006)”, TPR 2007,
(141)659, nr. 747.
(21)S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichting tussen samenwoners”, Nieuwsbrief Notariaat 2008, afl. 2, 3, nr. 10; L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)137, nr. 11.
(22)S. BROUWERS, “De onderhoudsverplichting tussen samenwoners”, Nieuwsbrief Notariaat 2008, afl. 2, 4, nr. 11; L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)137, nr. 11; G. VERSCHELDEN, S. BROUWERS, K. BOONE, I. MARTENS en K. VERSTRAETE, “Overzicht van rechtspraak. Familierecht (2001-2006)”, TPR 2007,
(141)659, nr. 747.
(23)L. DE SCHRIJVER, “Partneralimentatie als dringende (voorlopige) maatregel na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Fam. 2023,
(134)137, nr. 11; S. EGGERMONT, Tweerelaties. Huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning juridisch ontleed, Antwerpen, Intersentia 2016, 168, nr. 259; S. MOSSELMANS, “Actualia inzake partner- en kinderalimentatie” in Themis Personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia 2023,
(111)137-138, nr. 38; H. THIJS, “Geen persoonlijk onderhoudsgeld na beëindiging van de wettelijke samenwoning” (noot onder Cass. 16 december 2021), T.Not. 2023,
(246)250.
(24)J.-F. TAYMANS, “Les cohabitants : quelles limites à la liberté des conventions ?” in C. AUGHUET e.a. (eds.), Le défi du notaire/De uitdaging voor de notaris, Brussel, Larcier 2011,
(131)139, nr. 10.
(25)A.-C. VAN GYSEL, “Les conventions de cohabitation légale peuvent-elles prévoir un devoir de secours entre cohabitants et une pension après rupture de la cohabitation légale?” (noot onder GwH 12 maart 2015), RTDF 2015,
(575)576.
(26)A.-C. VAN GYSEL, “Les conventions de cohabitation légale peuvent-elles prévoir un devoir de secours entre cohabitants et une pension après rupture de la cohabitation légale ?” (noot onder GwH 12 maart 2015), RTDF 2015,
(575)576.
(27)A.-C. VAN GYSEL, “Les conventions de cohabitation légale peuvent-elles prévoir un devoir de secours entre cohabitants et une pension après rupture de la cohabitation légale ?” (noot onder GwH 12 maart 2015), RTDF 2015,
(575)575-576.
(28)Integraal op p. 10 (punt 2.1.2.3) en gedeeltelijk op p. 11 (punt 2.1.2.4).
(29)Zie p. 11, punt 2.1.2.4 van het bestreden arrest.
(30)Strafbeding wordt hier als een synoniem voor schadebeding gebruikt. Er wordt dus vastgehouden aan de wettelijke terminologie uit artikel 1226 en 1229 oud BW.
(31)Zie ook Cass. 6 september 2002, AR C.00.0150.N, AC 2002, nr. 421, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.5: “Dat derhalve geen strafbeding in de zin van deze bepaling kan zijn, het beding waarin een geldsom wordt overeengekomen niet ter vergoeding van de schade, maar als tegenprestatie voor de in de toekomst vastgelegde mogelijkheid om die overeenkomst eenzijdig te beëindigen”.
(32)P. BRULEZ, “Kwalificatie schadebeding of opzegbeding” (noot onder Gent 19 november 2014), NjW 2016, 227; O. VANDEN BERGHE, “Het toepassingsgebied van artikel 1231 B.W. betreffende overdreven strafbedingen: een kritische analyse”, TBBR 2004,
(62)70, nr. 24 en 75, nr. 34; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 438, nr. 618.
(33)Zelfs als men dit zou interpreteren als een kwalificatie als een zuiver strafbeding, dat dus geen enkel vergoedend karakter zou hebben, maar enkel een private bestraffing beoogt en daardoor in strijd is met de openbare orde (I. SAMOY en K. VANDERSCHOT, “Nietigheid van ongeoorloofde schadebedingen in het gemene recht: welles nietes...” (noot onder Antwerpen 20 september 2004), RW 2006-07,
(797)799, nr. 5), blijft een pijnpunt dat ook een dergelijk strafbeding gelinkt moet blijven aan een niet-uitvoering van de overeenkomst. De loutere beëindiging van de wettelijke samenwoning kan geen dergelijke niet-uitvoering vormen, aangezien dat zou impliceren dat de hoofdverbintenis van de samenwoningsovereenkomst een instandhouding van de samenwoning is. Ook deze kwalificatie kan dus niet correct zijn.
(34)Memorie van antwoord, p. 5.
(35)Zie p. 11, punt 2.1.2.4 van het bestreden arrest.
(36)J. DE CONINCK, “Toetsing van de geoorloofdheid van een overeenkomst: de openbare orde herbekeken”, TBBR 2004,
(301)308, nr. 25; E. DIRIX, “Grondrechten en overeenkomsten” in K. RIMANIQUE (ed.), De toepasselijkheid van de grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen, Kluwer, 1982,
(35)45, nr. 7; A. VAN OEVELEN, B. CATTOIR, A. COLPAERT, M. VAN LOON, R. VINCKX en L. VAN VALKENBORGH,, “De nietigheid van overeenkomsten wegens strijdigheid met de openbare orde of goede zeden: algemene beginselen en een grondslagenonderzoek”, TPR 2011,
(1355)1363, nr. 11.
(37)Cass. 28 november 2013, AR C.13.0é.N, AC 2013, nr. 646, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.8.
(38)Zie p. 11, punt 2.1.2.4 van het bestreden arrest.
(39)F. PEERAER, “Nietigheid op maat: proportionaliteit en werkzaamheid bij partiële nietigheid, reductie en conversie”, TPR 2016,
(179)179, nr. 1 en de verwijzingen in voetnoot 2 en 194, nr. 12 en de verwijzingen in voetnoot 63; T. TANGHE, Gedeeltelijke ontbinding en vernietiging van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia 2015, 193, nr. 176.
(40)F. PEERAER, “Nietigheid op maat: proportionaliteit en werkzaamheid bij partiële nietigheid, reductie en conversie”, TPR 2016,
(179)186-187, nr. 7.
(41)Cass. 23 januari 2015, AR C.13.0579.N, AC 2015, nr. 59, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3.
(42)Cass. 9 september 2019, AR C.18.0521.N, AC 2019, nr. 447, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 (“Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter indien een partiële nietigheid mogelijk is, de nietigheid, behalve als de wet dit verbiedt, beperken tot het met deze bepaling strijdige gedeelte van de overeenkomst of het beding, op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of het gedeeltelijk vernietigde beding beantwoordt aan de partijbedoeling.”); Cass. 4 januari 2019, AR C.18.0045.N, AC 2019, nr. 9, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 (“Na te hebben vastgesteld dat een beperking in de tijd van het nietig beding beantwoordt aan de bedoeling van de partijen, enerzijds, en dat onderhandelingen te dezen niet langer mogelijk zijn, anderzijds, kennen de appelrechters door de nietigheid van het niet-concurrentiebeding te beperken tot het gedeelte van het beding dat strijdig is met de openbare orde, aan de overeenkomst slechts de gevolgen toe die deze volgens hun uitleg ervan naar de gemeenschappelijke bedoeling van partijen heeft en miskennen derhalve de verbindende kracht ervan niet.”); Cass. 25 juni 2015, AR C.14.0008.F, AC 2015, nr. 444, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11 (in voltallige zitting) (“Le juge peut, si une nullité partielle d’une telle clause est possible, en limiter la nullité à la partie contraire à l’ordre public, pour autant que le maintien de la clause partiellement annulée réponde à l’intention des parties.”).
(43)Cass. 23 november 2017, AR C.17.0389.N, AC 2017, nr. 672, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171123.8 (“Indien de toestemming van een der partijen is aangetast door bedrog dan kan, wanneer het bedrog betrekking heeft op een onderdeel van de overeenkomst en een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst mogelijk is, de rechter op verzoek van de benadeelde partij de nietigheid beperken tot dat gedeelte van de overeenkomst, voor zover het behoud van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst beantwoordt aan de bedoeling van de partijen. Hierbij dient de rechter na te gaan of een partiële nietigheid verenigbaar is met het doel dat de partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hadden en of hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de gerechtvaardigde belangen en verwachtingen van de partijen.”).
(44)MOSSELMANS, S., “Kroniek partneralimentatie”, RW 2023-2024/24, 939.
(45)Cass. 25 juni 2015 AR C.14.0008.F, AC 2015, nr. 444, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11, noot S., JT 2015, 483, noot LAGASSE, “La réduction, variation de la nullité partielle, appliquée aux clauses de non-concurrence”, JTT 2015, 483, noot M. WANTIEZ, “La nullité partielle d'une clause de non-concurrence”, TBH 2016/4, 382, noot T. TANGHE, “Gedeeltelijke vernietiging/matiging van ongeoorloofde concurrentieclausules”, RCJB 2016/3, 379, noot P. WERY, Patrick, “Une nouvelle application de la flexibilité des sanctions dans le contentieux contractuel: la nullité partielle d'une clause illicite”; Cass. 23 januari 2015 AR C.13.0579.N, AC 2015, nr. 59, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3, DAOR 2015, 18, noot D. MERTENS, “Het niet-concurrentiebeding: het mag ietsje meer zijn”, JT 2015, 734, NJW 2015, 913, noot C. LEBON, “Gerechtelijke matiging van niet-concurrentiebedingen”, Pas. 2015, n° 59, RW 2015-16, 1187, noot F. PEERAER, “Naar een nietigheid op maat: de principiële erkenning van de (mogelijkheid tot) reductie door het Hof van Cassatie”, TBBR 2016/4, 187, “Het Hof van Cassatie erkent en bevestigt de mogelijkheid tot reductie van nietige concurrentiebedingen in het gemene recht”, TBH 2016/4, 367, noot A. SNYERS, “De rechterlijke matiging van een niet-concurrentiebeding in een acquisitieovereenkomst”, TRV 2015, 459, noot B. BELLEN, “Niet-concurrentiebedingen in overnameovereenkomsten, splitsbaarheid en gerechtelijke matiging”.
(46)Concl. van advocaat-generaal H. VANDERLINDEN bij Cass. 9 september 2019, AR C.18.0521.N, AC 2019, nr. 447, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190909.3.
(47)In dezelfde zin: F. PEERAER, “Naar een nietigheid op maat: de principiële erkenning van de (mogelijkheid tot) reductie door het Hof van Cassatie” (noot onder Cass. 23 januari 2015), RW 2015-16,
(1188)1192-1193, nr. 7; R. JAFFERALI, La rétroactivité dans le contrat, Brussel, Bruylant 2014, 729, nr. 316. Contra: C. CAUFFMAN, “Vers un endiguement du pouvoir modérateur du juge en cas de nullité?” (noot onder Cass. 23 maart 2006), RCJB 2007,
(428)435, nr. 18; S. LAGASSE, “Un juge actif en cas de nullité partielle?” (noot onder Cass. 9 september 2019), RDC 2020,
(514)519, nr. 11. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150123.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171123.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190909.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190909.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.