id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Rolnummer: C.23.0395.N Zaak: FINANCIA nv contra BANK NAGELMACKERS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-09-23 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-19 01:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.5 Fiche Wanneer een cassatie met verwijzing is uitgesproken, worden de partijen voor het verwijzingsgerecht geplaatst in de toestand waarin zij zich bevinden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd. De omvang van de verwijzing na cassatie is niet beperkt tot het onderzoek van het vernietigde dictum, maar betreft het gehele geschil voor zover het nog moet worden beslecht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0395.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering. 1. Het bestreden arrest en de memories van de partijen zetten de relevante feiten en voorgaande procedures uitvoerig uiteen. Samengevat waren de partijen verbonden enerzijds door een (exclusieve) agentschapsovereenkomst voor bankactiviteiten en anderzijds door een (niet exclusieve) makelaarsovereenkomst voor krediet- en verzekeringsproducten. Naar aanleiding van de plotse beëindiging van de agentschapsovereenkomst door de verweerster kende het hof van beroep te Brussel bij arrest van 9 juni 2020 aan de eiseres diverse vergoedingen toe. Wat betreft de activiteiten van de eiseres als krediet- en verzekeringsmakelaar werd geoordeeld dat de eiseres ook schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige beëindiging van de exclusieve bankagentuur en de abrupte wijze waarop dit is gebeurd. De vergoeding voor die schade werd “in alle billijkheid vastgesteld op 100.000 euro”. Enkel die laatste beslissing over die bijkomende schadevergoeding werd door het Hof bij arrest van 22 november 2021 (C.21.0157.N) vernietigd omdat de appelrechters niet vaststellen dat het onmogelijk is om de schade anders te ramen dan naar billijkheid
(1).
- Het thans bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 juni 2023 kent aan de eiseres bij gebrek aan andere elementen naar redelijkheid en billijkheid een bijkomende schadevergoeding toe voor het verlies aan inkomsten van de bank- en kredietactiviteiten geraamd op een bedrag van € 90.000,00, en voor de (morele) reputatieschade geraamd op een bedrag van € 10.000,00, (samen € 100.000,00).
- De eiseres komt tegen dat arrest op met drie middelden. 2 Bespreking van de middelen. 3 Eerste middel: tegenstrijdigheid.
- Het eerste middel voert de tegenstrijdigheid aan tussen enerzijds de beslissing dat de vordering van de eiseres gegrond is voor een bedrag van € 100.000, anderzijds de beslissing om de verweerster te veroordelen tot betaling aan de eiseres tot (slechts) € 55.000,
- Deze laatste vermelding in het dictum van het arrest betreft kennelijk een materiële verschrijving. Deze materiële vergissing kan door het Hof worden rechtgezet. Er bestaat geen gerede twijfel over dat het arrest bedoelt dat de verweerster wordt veroordeeld tot betaling aan de eiseres van een bedrag van € 100.000,
- Ingevolge de rechtzetting van deze materiële vergissing is er geen sprake van een tegenstrijdigheid. Het middel, dat geheel berust op het bedrag dat door die materiële vergissing is aangetast, is niet ontvankelijk
(2). 3.1 Tweede middel. 3.1.1 Eerste onderdeel: miskenning bewijskracht syntheseconclusie.
- Het eerste onderdeel voert de miskenning aan van de bewijskracht van de syntheseconclusie van de eiseres, namelijk doordat de appelrechters zouden vaststellen dat de eiseres een vergoeding vordert op grond van artikel 20 van de Handelsagentuurwet, terwijl de eiseres tweemaal de jaarcommissie vorderde zoals gebruikelijk op de markt van de verzekeringsmakelaars voor een portefeuille levensverzekering.
- Het eerste onderdeel lijkt te berusten op een verkeerde lezing van het arrest. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat, stellen de appelrechters niet vast dat de eiseres een bijkomende schadevergoeding vordert op grond van artikel 20 van de Handelsagentuurwet, maar wel dat dat ze die begroot “naar analogie… van artikel 20 van de Handelsagentuurwet” en die begroting “tot gevolg zou hebben” dat zij tweemaal (en misschien zelfs driemaal) een vergoeding zou ontvangen voor het verlies van klanten die zij in het kader van haar bankactiviteiten als zelfstandige agent had aangebracht en waarmee via haar tussenkomst een krediet of een verzekering werd afgesloten. Daarmee geven de appelrechters aan de syntheseconclusie van de eiseres geen uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en miskennen ze niet de bewijskracht ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. 3.1.2 Tweede onderdeel: criteria raming bijkomende schadevergoeding.
- Het tweede onderdeel voert de schending aan van artikel 21 van de Handelsagentuurwet. De appelrechters hebben volgens de eiseres ten onrechte de schade voor het inkomstenverlies van de krediet- en verzekeringsactiviteit beperkt tot € 90.000,00 omdat de eiseres niet (ernstig) naar een nieuwe bankagentuur heeft gezocht waardoor ze haar schadebeperkingsplicht heeft miskend. De eiseres voert aan dat de appelrechters bij de begroting van die schade (aan de krediet- en verzekeringsactiviteit) geen rekening mogen houden met het feit dat ze geen pogingen ondernam om een bankagentuur voor een andere principaal te starten.
- Het arrest herneemt de overwegingen
(3)dat de beëindiging van de bankagentuur met onmiddellijke ingang, waarbij de infrastructuur van de eiseres werd ontmanteld en uithangborden van Delta Lloyd Bank werden weggenomen, ongetwijfeld een smet heeft geworpen op de reputatie van de eiseres ten aanzien van haar klanten en potentiële klanten voor kredieten en verzekeringsproducten en derhalve schade veroorzaakt in haar hoofde. Hoewel de beide activiteiten, namelijk enerzijds de opgezegde exclusieve bankagentuur (‘senso stricto’) en anderzijds de niet (formeel) opgezegde en niet exclusieve makelaarsactiviteit van krediet- en verzekeringsproducten van elkaar (juridisch) te onderscheiden zijn, zijn deze activiteiten aldus feitelijk deels verbonden. Daarmee verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat de eiseres die schade kon beperken middels de doorstart van een nieuwe bankagentuur, zelfs al betreft dat een andere activiteit dan deze van makelaar in kredieten en verzekeringsproducten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 3.1.3 Derde onderdeel: saisine verwijzingsrechter.
- Het derde onderdeel voert de schending aan van de bewijskracht van de syntheseconclusie van de eiseres en van het beschikkingsbeginsel en omdat de appelrechters een vordering bij hun beoordeling betrekken die geen deel uitmaakt van hun saisine en de verwijzingsbeslissing.
- De eiseres heeft in haar syntheseconclusie gesteld dat het evident was dat een schadevergoeding voor het verlies aan cliënteel in het kader van de terbeschikkingstellingsovereenkomst in deze zaak aan de orde is. Door op grond daarvan vast te stellen dat de eiseres de vergoeding voor het verlies aan cliënteel integreert in haar vordering voor bijkomende schadevergoeding wegens het verlies aan inkomsten uit haar krediet- en verzekeringsactiviteiten, geven de appelrechters aan de syntheseconclusie van de eiseres geen uitlegging die daarmee niet onverzoenbaar is en miskennen ze de bewijskracht van de syntheseconclusie van de eiseres niet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De aangevoerde schending van het beschikkingsbeginsel lijkt te zijn afgeleid uit de in dit onderdeel vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de syntheseconclusie. In zoverre komt het onderdeel niet ontvankelijk voor.
- Bovendien heeft de eiseres verkregen wat ze heeft gevraagd. Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing nopens de rechtspleging die in overeenstemming met haar conclusie werd gewezen
(4). In zoverre komt het onderdeel niet ontvankelijk voor. 3.2 Derde middel: (on)redelijke advocaten- en gerechtskosten.
- Het middel voert de schending aan van artikel 21 van de Handelsagentuurwet en artikel 17.1 van de Agentuurrichtlijn, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel vervat in artikel 4.3 van het VEU, wegens de afwijzing van haar vordering tot toekenning van een redelijke vergoeding voor gerechts- en advocatenkosten boven de rechtsplegingsvergoeding omdat het (maximum)bedrag van de rechtsplegingsvergoeding geen redelijke vergoeding uitmaakt.
- Artikel 17.1 van de Agentuurrichtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, een vergoeding krijgt, namelijk hetzij een klantenvergoeding (volgens lid 2) hetzij een vergoeding voor het herstel van het nadeel (volgens lid 3). België heeft geopteerd voor een ‘klantenvergoeding’ volgens lid 2
(5). Artikel 17.2,
- a)en
- b)is omgezet in artikel 20 van de Handelsagentuurwet, Artikel 17.2, c), bepaalt dat de toekenning van de uitwinnings- of klantenvergoeding het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet laat. Dit artikel 17.2,
- c)werd omgezet in artikel 21 Handelsagentuurwet. 16. Bij arrest van 18 juni 2021 oordeelde het Hof dat de bijkomende schadevergoeding op grond van artikel 21 van de Handelsagentuurwet, die verschilt van de schade die gedekt wordt door de uitwinningsvergoeding, slechts betrekking kan hebben op kosten die de handelsagent op grond van een contractuele verplichting of op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen en niet op de kosten die hij vrijwillig en op eigen initiatief heeft gemaakt
(6). De gevorderde gerechts- en administratieve kosten vallen niet onder artikel 20 van de Handelsagentuurwet. Ze zouden enkel kunnen vallen onder artikel 21 Handelsagentuurwet en werden door de eiseres ook als onderdeel van de op artikel 21 Handelsagentuurwet gevorderde schadevergoeding begroot. Daaruit volgt dat deze kosten enkel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien zij werden gedaan op grond van een contractuele verplichting of op advies van de principaal. De beslissing van de appelrechters dat de eiseres de gerechts- en advocatenkosten vrijwillig heeft gemaakt en niet krachtens een contractuele verplichting of op advies van de verweerster en deze kosten niet in oorzakelijk verband staan met de beëindiging van de agentschapsovereenkomst, komt naar recht verantwoord voor. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen.
- De eiseres laat in het middel ook verstaan dat de rechter moet nagaan of de regeling van de gerechtskosten voorzien in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek wel een redelijke tegemoetkoming is voor de advocaten- en gerechtskosten.
- Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een systeem van forfaitaire tarieven met een maximumbedrag voor vergoeding van de kosten voor de bijstand van een advocaat gerechtvaardigd is en niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel mits die tarieven waarborgen dat de kosten die de verliezende partij moet dragen, redelijk zijn en het maximumbedrag ervan evenredig is aan de kosten van de gerechtelijke procedure, hetgeen de nationale rechter dient na te gaan
(7). 19. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgt dat de wetgever met de forfaitaire regeling van de rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek een dergelijk redelijk systeem van forfaitaire tarieven heeft ingevoerd
(8). Bovendien kan de rechter met een bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, rekening houdende met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. 20. De rechter oordeelt onaantastbaar over de invulling van de vier in artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde criteria. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(9). De appelrechters ontmoeten en verwerpen de vordering van de eiseres tot toekenning van bijkomende advocaten- en gerechtskosten boven de rechtsplegingsvergoeding. Met die op pagina 23 en 24 van het arrest vermelde redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht en stellen ze zonder schending van de aangevoerde wetsbepalingen het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding impliciet maar zeker het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast op een redelijke vergoeding zonder daarbij uitdrukkelijk te moeten oordelen dat dit bedrag een redelijke vergoeding uitmaakt evenredig aan de kosten die de eiseres objectief moesten maken om haar vorderingen tegen de verweerster te stellen. 21. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen en de voorgestelde prejudiciële vraag dient m.i. niet te worden gesteld. Besluit: verwerping. ____________________________________
(1)Cass. 21 november 2021, AR C.21.0157.N, arrest niet gepubliceerd.
(2)Cass. 20 februari 2020, AR C.18.0575.N, AC 2020, nr. 148, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.5; Cass. 18 juni 2015, AR C.14.0272.F, AC 2015, nr. 413, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150618.5
(3)Van het arrest van 9 juni 2020 van het hof van beroep te Brussel.
(4)Cass. 1 maart 2012, AR C.10.0425.N, AC 2012, nr. 142, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120301.10; Cass. 31 januari 2008 (voltallige zitting), AR C.05.0372.N, AC 2008, nr. 74, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6, met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE, ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6.
(5)Parl.St. Senaat 1991-92, 355-1, 19, https://www.senate.be/lexdocs/S0531/S05310589.pdf; Zoals de meeste lidstaten, heeft ook België gekozen voor het «Duitse» systeem van vergoeding, geïnspireerd op artikel 103 AOW; D. MERTENS, “De bijkomende schadevergoeding van artikel X.19 WER: dan toch niet alle schade”, RW 2022-23, nr. 13, 504; P. NAEYAERT, “Handelsagentuurovereenkomst”, in APR, Mechelen, Kluwer 2019, nr. 408, 276.
(6)Cass. 18 juni 2021, AR C.20.0553.N, AC 2021, nr. 456, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.10; D. MERTENS, “De bijkomende schadevergoeding van artikel X.19 WER: dan toch niet alle schade”, RW 2022-23, nr. 13, 502.
(7)HvJ 28 juli 2016, C-57/15, r.o. 32, ECLI:EU:C:2016:611; HvJ 7 april 2022, C-385/20, r.o. 67, ECLI:EU:C:2022:278
(8)Grondwettelijk Hof nr. 182/2008, 18 december 2008, ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182.
(9)Cass. 3 september 2019, AR P.19.0205.N, AC 2019, nr. 431, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.4, r.o. 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240606.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080131.6 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080131.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120301.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150618.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200220.1N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.10 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182 ECLI:EU:C:2016:611 ECLI:EU:C:2022:278 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div