← België

E.E.G. SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM c. Animal Rights vzw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240611.2N.21 Rolnummer: P.23.1538.N Zaak: E.E.G. SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM c. Animal Rights vzw Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht - Unierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-09-24 Raadplegingen: 978 - laatst gezien 2026-06-18 20:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.21 Fiches 1 - 2 Artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk wetboek vereist dat de persoon die een burgerlijke rechtsvordering instelt een eigen belang heeft, dit wil zeggen een persoonlijk en rechtstreeks belang; een rechtspersoon heeft slechts een eigen belang tot het vorderen van een vergoeding voor schade die bestaat in hetzij materiële schade door de aantasting van zijn vermogen, hetzij morele schade door de aantasting van zijn goede naam of reputatie; aldus verkrijgt een rechtspersoon, behoudens wanneer een verdrag of een wet het specifiek anders bepaalt, geen eigen belang door het enkele feit dat een misdrijf schade toebrengt aan een collectief belang waarvan hij volgens zijn statuten de vrijwaring of de bevordering nastreeft

(1). () Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 8 Uit de artikelen 2.4, 3.4 en 9.3 van het verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna Verdrag van Aarhus) volgt dat artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek derwijze dient te worden uitgelegd dat aan verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben, de toegang tot de rechter is verzekerd met het oog op de betwisting van het handelen en het nalaten van privépersonen en overheidsinstanties die strijdig zijn met bepalingen van het nationale recht betreffende het milieu, voor zover die verenigingen daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria, zodat een verdragsconforme uitlegging van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek vereist dat dergelijke verenigingen, in het kader van het instellen van burgerlijke rechtsvorderingen tot bevordering van de milieubescherming, moeten worden geacht het vereiste eigen belang te hebben; de bevordering of de vrijwaring van het dierenwelzijn is echter geen milieu-aangelegenheid zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 9 - 14 Artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 137 van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, vereist dat de rechtsvordering van de rechtspersoon, in zoverre die rechtspersoon voldoet aan de voor het overige gestelde voorwaarden, de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden; de bescherming van het dierenwelzijn is erkend in internationale instrumenten die België binden, evenwel zonder dat die instrumenten aan België de verplichting opleggen om de toegang tot de rechter te verzekeren aan verenigingen die zich het dierenwelzijn of bepaalde aspecten daarvan tot maatschappelijk doel hebben gesteld, met het oog op de betwisting van gedragingen die strijdig zijn met bepalingen betreffende het dierenwelzijn; evenmin is het bevorderen of vrijwaren van het dierenwelzijn een doelstelling die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of van fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 15 - 19 In de huidige stand van de wetgeving kan noch uit artikel 7bis Grondwet noch uit enige andere bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel worden afgeleid dat artikel 17 Gerechtelijk Wetboek een recht op toegang tot de rechter verschaft aan verenigingen die het dierenwelzijn als maatschappelijk doel hebben, met het oog op de betwisting van gedragingen die strijdig zijn met bepalingen betreffende het dierenwelzijn; het arrest dat oordeelt dat de verweerster beschikt over het vereiste belang om een ontvankelijke burgerlijke rechtsvordering tegen de eisers in te stellen op grond van het enkele feit dat de verweerster volgens haar maatschappelijk doel het dierenwelzijn benaarstigt, verantwoordt deze beslissing, bij afwezigheid van wettelijke grondslag daarvoor, niet naar recht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 7bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 7bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 7bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 7 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 7bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 7bis - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2024, nr. 508, p. 777-
  1. - HERBOTS, Patrick; DRIESSEN, Miet; Noot'Het lot van dieren ligt in handen van het Europees Hof van Justitie' Juristenkrant-De Juristenkrant - 2024, nr. 493, p.
  2. - THIRIAR, Pierre; Noot'Geen rechtsvordering voor dierenwelzijn?' Juristenkrant-De Juristenkrant - 2025, nr. 503, p.
  3. - LENAERTS, Lieven; Noot'Dierenwelzijn, milieurecht en Aarhus: snijdt Cassatie de bocht niet te kort af?' Tekst van de conclusie P.23.1538.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…) I. Procedurele voorgaanden. (…) II. De middelen. De eisers voeren in een ontvankelijke memorie drie middelen aan. Eerste middel.
  4. In hun eerste middel, met twee onderdelen, voeren eisers de schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 63 Wetboek van Strafvordering en artikelen 2 en 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit middel richt zich tegen de beslissing van het bestreden arrest om de burgerlijke partijstelling van verweerster ontvankelijk te verklaren. De beslissing is als volgt gemotiveerd (pag. 15 en 16 van het bestreden arrest) “5.2 Een vereniging kan als een procespartij een burgerlijke vordering instellen voor de strafrechter, wanneer zij namens de groep een collectief belang nastreeft in overeenstemming met haar statutaire doelstellingen. Deze doelstellingen zijn te onderscheiden van het algemeen belang. Het collectief belang ervan mag niet de optelsom zijn van de individuele belangen van haar leden. De als misdrijf omschreven feiten moeten fouten zijn waardoor het collectief belang van de vereniging bedreigd of geschaad wordt. Verder is vast te stellen dat de vereniging beschikt over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten. Het hof stelt vast dat de vereniging een collectief belang nastreeft dat te onderscheiden is van het algemeen belang. Zij stelt zich onder meer tot doel op te komen voor in gevangenschap levende dieren en op te komen voor de bescherming van dieren tegen menselijke wreedheid, mishandeling en misbruik. De in de tenlasteleggingen A, B, C en D als misdrijf omschreven feiten, waarop de vereniging haar vordering steunt, bedreigen of schaden de belangen die de vereniging nastreeft. In die betrachting heeft de vereniging duidelijk een duurzame en effectieve werking. De omstandigheid dat de vereniging in haar statuten spreekt over een 'belangeloos doel', brengt niet mee dat zij geen belang heeft in de zin van artikel 17 (en niet 19, zoals de verweerders herhaaldelijk stellen) Gerechtelijk Wetboek. Het gebruik van het adjectief 'belangeloos' beklemtoont de afwezigheid van winstoogmerk. Hoe dan ook heeft deze vermelding niet tot gevolg dat de vereniging verzaakt aan haar vorderingsrecht. Dat in de statuten, ten overvloede en overbodig, wordt vermeld dat de vereniging (schade)vergoeding kan eisen voor schade die voortvloeit uit schade aan haar statutaire doelstellingen en de schade die wordt toegebracht aan (wilde) dieren, betekent niet dat ze de huidige vordering niet op ontvankelijke wijze zou kunnen stellen”.
  5. De vraag rijst of en zo ja, in welke gevallen en onder welke voorwaarden, een rechtspersoon zich burgerlijke partij kan stellen voor de strafrechter ter vrijwaring van een collectief belang, wanneer het door deze rechtspersoon overeenkomstig haar statuten behartigd collectief belang door een misdrijf is aangetast
(1). 7. Artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek
(2)bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden. De burgerlijke rechtsvordering kan terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering (artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering). Overeenkomstig artikel 63 Wetboek van Strafvordering kan hij die beweert door een misdrijf of een wanbedrijf te zijn benadeeld, zich voor de bevoegde onderzoeksrechter burgerlijke partij stellen. In die stand van de rechtspleging hoeft hij niet het bewijs te leveren van de schade, haar omvang en het oorzakelijk verband ervan met het desbetreffende misdrijf, maar de beweerde benadeelde moet wel, wil zijn burgerlijke – partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering over de schade die hij door het misdrijf zou geleden hebben, aannemelijk maken
(3). 8. Het belangvereiste van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek moet volgens de vaste rechtspraak van het Hof
(4)een eigen belang zijn, d.w.z. een persoonlijk en rechtstreeks belang. Zo oordeelde het Hof in het “Eikendael-arrest” van 19 november 1982
(5)dat de rechtsvordering, naar luid van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, niet kan worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen; dat, tenzij de wet anders bepaalt, de door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ingestelde rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang d.i. een eigen belang heeft. Het Hof stelde in gemeld arrest dat het eigen belang van een rechtspersoon alleen datgene omvat wat zijn bestaan of zijn materiële goederen en morele goederen inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam, raakt en dat het enkele feit dat een rechtspersoon of een natuurlijke persoon een doel nastreeft, zij het een statutair doel, geen eigen belang tot stond heeft gebracht, nu toch een ieder gelijk welk doel kan opvatten. Deze zogenaamde “Eikendael-doctrine” werd door het Hof steevast in latere arresten herhaald en kan beschouwd worden als vaste rechtspraak van het Hof
(6). De “Eikendael-doctrine” wordt door het Hof op dezelfde wijze toegepast bij de burgerlijke rechtsvorderingen van een rechtspersoon voor de strafrechter, zij het dat in die gevallen de burgerlijke rechtsvordering mede gesteund wordt op artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en – in voorkomend geval – artikel 63 Wetboek van Strafvordering. Het Hof heeft meermaals geoordeeld dat krachtens artikel 3 van de Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de burgerlijke rechtsvordering voor het strafgerecht uitsluitend strekt tot herstel van de door een misdrijf veroorzaakte eigen schade en derhalve enkel kan worden ingesteld door degene die rechtstreeks werd benadeeld door dat misdrijf, waardoor hij in zijn persoon, zijn goederen of zijn eer schade heeft geleden
(7). Toegespitst op rechtspersonen, oordeelde het Hof dat de verenigingen zonder winstoogmerk zich burgerlijke partij mogen stellen voor de strafrechter ten einde vergoeding te verkrijgen van de materiële en morele schade die zij wegens de aantasting van hun subjectieve rechten of hun vermogensrechtelijk of moreel wettig belang hebben geleden, maar daarom hebben zij, buiten de bij de wet bepaalde gevallen, niet het recht om zelf, bij wege van burgerlijke-partijstelling, herstel te eisen van de schending van de belangen die zij tot doel hebben te vrijwaren of te bevorderen
(8). Met andere woorden een rechtspersoon heeft in de regel slechts een persoonlijk belang en kan slechts ontvankelijk een burgerlijke vordering instellen voor de strafrechter wanneer hij aannemelijk maakt dat hij door het misdrijf persoonlijk schade heeft geleden. Het eigen belang van een rechtspersoon omvat alleen datgene wat zijn bestaan of zijn materiële en morele waarden, inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam, raakt. Het enkele feit dat een rechtspersoon een doel nastreeft, zij het een statutair doel, heeft niet tot gevolg dat hij een eigen belang tot stand heeft gebracht. In die zin kan gesteld worden dat het Hof dezelfde invulling geeft aan het “eigen belang” als ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een burgerlijke rechtsvordering voor de burgerlijke rechter als voor de strafrechter. Samengevat kan gesteld worden dat het vaste rechtspraak is van het Hof dat, behoudens wettelijke uitzonderingen, een vereniging (al dan niet bij wet opgericht) in de regel geen vordering kan instellen voor het herstel van het nadeel veroorzaakt aan alle of een deel van zijn leden of aan het doel waarvoor de vereniging werd opgericht. Het eigen belang van de rechtspersoon valt niet samen met het collectief belang waarvan het de verdediging nastreeft. Dit collectief belang vermengt zich met of is deel van het algemeen belang, dat wordt beschermd door het Openbaar Ministerie. Schade aan dit collectief belang is dan ook geen persoonlijke schade. Afwijkingen op het principe van het vereiste belang kunnen slechts worden ingevoerd bij wet en moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De burgerlijke partijstelling wordt dus in principe niet toegelaten, tenzij de wetgever dit uitdrukkelijk mogelijk heeft gemaakt. In andere gevallen is de burgerlijke partijstelling onontvankelijk. 9. In milieu-aangelegenheden heeft het Hof aangenomen dat een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld de milieubescherming te bevorderen, en die een rechtsvordering tot herstel van schade voor de strafrechter instelt die ertoe strekt het met de bepalingen van het nationaal milieurecht strijdig geacht handelen en nalaten van privépersonen en/of overheden te betwisten, wel voldoet op het vlak van belang aan de ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een rechtsvordering
(9). Het Hof stelt in dit arrest dat uit de artikelen 2.4, 3.4 en 9.3 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 volgt dat België op zich de verplichting heeft genomen om verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben de toegang tot de rechter te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties willen betwisten voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht vastgelegde criteria; die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van deze verenigingen in dergelijk geval onmogelijk maken; de rechter vermag de in het nationale recht neergelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 Verdrag van Aarhus. Het Hof heeft met deze rechtspraak een verdragsconforme uitlegging gegeven aan het belangvereiste in artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Een aantasting van het collectief belang dat een milieuvereniging nastreeft, schenkt volgens het Hof voortaan aan deze vereniging wel een “eigen belang” en een aanslag op dat collectief belang kan wel persoonlijke schade voor de vereniging uitmaken
(10). Deze rechtspraak dient mijn inziens restrictief te worden geïnterpreteerd en kan niet zo maar uitgebreid worden naar rechtspersonen die een ander collectief belang nastreven, in casu rechtspersonen die tot doel hebben op te komen voor de bescherming van dieren tegen menselijke wreedheid, mishandeling en misbruik. Er is immers (nog) geen wet of verdragsbepaling waaruit volgt dat België de verplichting op zich heeft opgenomen om verenigingen die de bescherming van het dierenwelzijn tot doel hebben de toegang tot de rechter te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale recht betreffende de bescherming en het welzijn van dieren strijdig handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties willen betwisten. 10. Verschillende wetten kennen aan bepaalde verenigingen een specifiek vorderingsrecht toe ter vrijwaring van het collectief belang dat zij nastreven
(11). Het Grondwettelijk Hof ziet geen discriminatie in het feit dat de wetgever niet alle verenigingen heeft gemachtigd om op te treden voor het collectief belang dat zij zich via hun statuten eigen hebben gemaakt
(12), noch in het feit dat het objectief contentieux desbetreffend verschilt van het subjectief contentieux. Wel zag het Grondwettelijk Hof een discriminatie in het feit dat bepaalde verenigingen die een collectief belang nastreven dat verband houdt met de bescherming van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen waarbij België partij is, wel een vorderingsrecht hadden en andere rechtspersonen die eveneens optreden ter behartiging van het collectief belang bestaande in de vrijwaring van fundamentele vrijheden, dit niet hadden. Het is echter volgens het Grondwettelijk Hof de taak van de wetgever om hieraan te verhelpen
(13). Om tegemoet te komen aan dit arrest, werd bij artikel 137 van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie
(14), artikel 17 Gerechtelijk Wetboek aangevuld met een tweede lid luidende: “De rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, is eveneens ontvankelijk onder de volgende voorwaarden: 1° het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is van bijzondere aard, onderscheiden van het nastreven van het algemeen belang; 2° de rechtspersoon streeft op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel na; 3° de rechtspersoon treedt op in rechte in het kader van dat maatschappelijk doel, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel; 4° de rechtspersoon streeft met zijn rechtsvordering louter een collectief belang na”. 11. Overeenkomstig artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn de in dat wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. M.-A. BEERNAERT, H. BOSLY en D. VANDERMEERSCH verdedigen het standpunt dat niets er zich tegen verzet dat artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing is op de burgerlijke vordering gebracht voor de strafrechter
(15). Zij wijzen er op dat een discriminatie dient vermeden te worden tussen de rechtspersonen die hun burgerlijke vordering voor de strafrechter instellen en de rechtspersonen die dezelfde vordering instellen voor de burgerlijke rechter. Titel 9 van de voormelde wet van 21 december 2018 luidt ten andere: “Wijzigingen van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek en van bijzondere wetten met als doel een gemeenrechtelijk regime van de vordering ter verdediging van collectieve belangen op te richten”
(16). De minister stelde tijdens de parlementaire besprekingen dat artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek een algemene draagwijdte heeft zowel in burgerlijke als in strafrechtelijke procedures, waaraan hij toevoegde dat bij deze laatste evenwel rekening moet worden gehouden met de specifieke bepalingen inzake strafvordering, met name artikel 3 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 63 van het Wetboek van strafvordering en het toekomt aan de onderzoeksrechter om na te gaan of aan de cumulatieve voorwaarden zoals bedoeld in het nieuwe artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 3 en 63 van het Wetboek van strafvordering is voldaan
(17). Mij lijkt het dat artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, eveneens van toepassing is op de burgerlijke vordering gebracht voor de strafrechter. Het feit dat de wetgever het niet nodig achtte om artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 63 Wetboek van Strafvordering aan te vullen, doet hieraan mijns inziens geen afbreuk. Het eerste onderdeel van het eerste middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, lijkt mij te falen naar recht.
  1. In hun tweede onderdeel van het eerste middel voeren eisers de schending aan van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Zij stellen dat het bestreden arrest nalaat vast te stellen dat het maatschappelijk doel van verweerster gericht is op de bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en de internationale rechtsinstrumenten die België binden en de verwijzing naar het Protocol nr. 33 betreffende de bescherming van het welzijn van dieren bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kan volgens eisers daarbij niet gelden als vaststelling in rechte dat dierenwelzijn voorkomt in een internationaal rechtsinstrument dat België bindt.
  2. De vordering op grond van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, is niet mogelijk ter behartiging van eender welk collectief belang. Het collectief vorderingsrecht wordt uitsluitend verleend aan rechtspersonen “die de bescherming beogen van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden”. De memorie van toelichting verduidelijkt dat het opzet is om “de vordering ter verdediging van collectieve belangen hoofdzakelijk te beperken tot de zaken waarin die fundamentele rechten op het spel staan; daardoor zal tevens worden voorkomen dat er een al te aanzienlijke verveelvoudiging van de geschillen zou optreden, hetgeen te vrezen valt indien de vordering ter verdediging van collectieve belangen zou opstaan voor eender welk statutair doel”
(18). Verder dienen deze rechtspersonen te voldoen aan de vier voorwaarden opgesomd in artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. De gehanteerde terminologie “bescherming van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden”, vloeit voort uit de ingediende en aangenomen amendementen nr. 8
(19)en subamendement nr. 79 op amendement nr. 8
(20). Amendement nr. 8 strekt ertoe te verwijzen naar de “internationale instrumenten”, in plaats van (oorspronkelijk) naar de internationale verdragen, wat volgens de verantwoording het recht van de Europese Unie omvat
(21). Volgens de verantwoording van amendement nr. 79 omvat de terminologie “rechten van de mens of fundamentele vrijheden” zowel de burgerlijke en politieke rechten als de sociale, culturele en economische rechten en ook de zogeheten rechten van de derde generatie, zoals het recht op een gezonde leefomgeving, voor zover zij erkend zijn. Het betreft met name alle rechten die zijn ingeschreven in Titel 2 van de Grondwet, met inbegrip van artikel 23. Het begrip “internationale instrumenten” bestrijkt volgens de verantwoording van het subamendement nr. 79: “de algemene instrumenten ter bescherming van de rechten van de mens, met name: - het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden uit 1950, gemeenzaam bekend als het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook de Protocollen ervan; - het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten uit 1966; - het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten uit 1966; - het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Voorts bestrijkt dit begrip de specifieke instrumenten ter bescherming van de rechten van de mens, zoals die met betrekking tot de rechten van het kind, het verbod op discriminatie, het verbod op foltering, de rechten van personen met een handicap, enz.”
(22). Artikel 23 van de Grondwet, waarnaar in de parlementaire werken wordt verwezen, waarborgt in zijn derde lid, 5°, het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing. 14. De bescherming van het dierenwelzijn is een door de Europese Unie erkende doelstelling van algemeen belang, wat blijkt uit artikel 13 VWEU dat de lidstaten opdraagt zorg te hebben voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel. Artikel 13 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt met name: “Bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, interne markt en onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte, houden de Unie en de lidstaten ten volle rekening met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed”. De Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, die als doelstelling heeft het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van de normen voor het welzijn van dieren bij het doden, overweegt in de Preambule onder meer:
(4)“Dierenwelzijn is een van de waarden van de Gemeenschap en is vastgelegd in het Protocol nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren („Protocol nr. 33”) dat aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht. De bescherming van dieren bij het slachten of doden is een publieke zaak, die de houding van consumenten tegenover landbouwproducten beïnvloedt. Daarnaast leidt een verbetering van de bescherming van dieren bij het slachten tot een betere vleeskwaliteit en indirect ook tot veiligere arbeidsomstandigheden in slachthuizen”. De tekst van het Protocol nr. 33 waarnaar in de Verordening (EG) nr. 1099/2009 verwijst is thans grotendeels overgenomen in artikel 13 VWEU. Het Hof van Justitie van de Europese Unie, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof hebben zich gebogen over prejudiciële vragen en beroepen tot vernietiging die betrekking hadden op maatregelen die in het Vlaams en Waals gewest genomen werden in het belang van de bescherming van het dierenwelzijn, inzonderheid het verbod op het onverdoofd slachten, en die beperkingen inhouden aan de rechten en vrijheden van anderen, zoals het recht op godsdienstvrijheid en het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing
(23). Bij de beoordeling van deze beperkingen maken deze hogere rechtscolleges telkens de afweging tussen het belang dat in onze huidige samenleving wordt gehecht aan het dierenwelzijn enerzijds en de rechten en vrijheden waarvan de beweerdelijke schending werd aangevoerd anderzijds. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigt dat de bescherming van het dierenwelzijn een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang is
(24). Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkent, niettegenstaande het EVRM niet bedoeld is om dierenwelzijn als zodanig te beschermen, dat de bescherming van dieren een door artikel 10 van het Verdrag beschermde aangelegenheid van algemeen belang vormt
(25). De arresten van het Grondwettelijk Hof nr. 117/2021 en 118/2021 van 30 september 2021 en nr. 114/23 van 20 juli 2023 hebben eenzelfde draagwijdte. Zowel het Hof van Justitie van de Europese Unie, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het Grondwettelijk Hof oordelen dat de bescherming van het dierenwelzijn een ethische waarde is waaraan in de hedendaagse democratische samenlevingen steeds meer belang wordt gehecht en dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van beperkingen op rechten en vrijheden van de mens
(26). Het Grondwettelijk Hof overwoog in haar arresten nr. 117/2021 en 118/2021 van 30 september 2021, onder B.19.3. “De bevordering, bij het slachten, van de bescherming en de eerbiediging van het welzijn van dieren als wezens met gevoel kan worden beschouwd als een morele waarde die wordt gedeeld door talrijke personen in het [Vlaamse/Waalse] Gewest. Bijgevolg valt het doel dat erin bestaat bij het slachten elk te voorkomen lijden van voor consumptie bestemde dieren te vermijden, onder, enerzijds, de bescherming van de moraal en, anderzijds, de bescherming van de rechten en vrijheden van personen die in hun levensopvatting gehecht zijn aan het welzijn van dieren (eigen onderlijning). Hieruit vloeit voort dat het met het bestreden decreet nagestreefde doel een legitiem doel van algemeen belang is dat een inmenging kan verantwoorden in de rechten die zijn gewaarborgd bij artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens”. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens was van oordeel dat de bescherming van het welzijn van dieren kon worden gekoppeld aan het begrip “goede zeden” dat een legitiem doel vormt in de zin van artikel 9, lid 2, van het EVRM. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens achtte het daarom niet nodig om te bepalen of, zoals het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld, de in het geding zijnde maatregel ook kan worden geacht te strekken tot bescherming van de rechten en vrijheden van personen die in hun levensopvatting een plaats toekennen aan het welzijn van dieren
(27). Zeer recent, op 2 mei 2024, nam de plenaire vergadering van de Kamer de tekst aan van het ontwerp van herziening van artikel 7bis van de Grondwet, om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt
(28). Artikel 7bis van de Grondwet wordt aangevuld met een lid, luidende: “Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten naar bescherming van en zorg voor dieren als wezens met gevoel”. Uit het verslag namens de commissie voor Grondwet en Institutionele vernieuwing blijkt dat bewust gekozen werd om het dierenwelzijn op te nemen in artikel 7bis van de Grondwet, met andere woorden in de fundamentele doelstellingen van België en niet in Titel II, artikel 23 van de Grondwet, over de fundamentele vrijheden
(29). Volgens de inleidende uiteenzettingen in het verslag zouden er geen rechtstreekse gevolgen zijn voor bestaande wetgevingen of reglementering. Tevens werd tijdens de besprekingen aangehaald dat de bepalingen in titel Ibis van de Grondwet geen voor de rechter afdwingbare subjectieve rechten waarborgen. Wat de impact van de wijziging van artikel 7bis van de Grondwet betreft, werd tijdens de besprekingen in de Kamer gesteld dat de algemene beleidsdoelstelling die met de wijziging van artikel 7bis wordt beoogd, een formele uitnodiging is aan de wetgevers om in hun wetgeving rekening te houden met het welzijn van dieren, en om een eventuele merkelijke achteruitgang van het dierenwelzijn te verantwoorden op grond van doelstellingen van algemeen belang. Tijdens de recente besprekingen werd verwezen naar de adviezen van professoren VELAERS en FOBLETS die dit als volgt verduidelijken: “Zo zal de rechter bij de beoordeling van de legitimiteit en de proportionaliteit van een beperking van een grondrecht, voortaan ook in artikel 7bis van de grondwet een argument vinden om te stellen dat hij in zijn afweging het belang van het dierenwelzijn dient te betrekken. Dat gebeurt overigens nu reeds, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook wanneer regels uit het burgerlijk recht, het strafrecht, het dierenwelzijnsrecht enz. voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, zal de rechter er moeten mee rekening houden dat de zorg voor het dierenwelzijn voortaan een ook door de Belgische grondwetgever uitdrukkelijk erkend belang is”. Of hieruit ook volgt dat artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek samen gelezen met artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 63 Wetboek van Strafvordering evolutief dient geïnterpreteerd te worden zodat ook aan rechtspersonen die als maatschappelijk doel de bescherming van het dierenwelzijn nastreven, een vorderingsrecht wordt toegekend om voor de strafrechter op te komen voor het collectief belang dat geschonden zou zijn door een misdrijf of een als misdrijf omschreven feit en waardoor het collectief belang van de rechtspersoon bedreigd of geschaad wordt, is echter nog de vraag. Uit het bovenstaande kan mijn inziens enkel worden afgeleid dat het dierenwelzijn erkend wordt als een doelstelling van algemeen belang en volgens de Belgische Grondwet voortaan ook als een algemene beleidsdoelstelling. De tekst van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek lijkt mij voldoende duidelijk en ik ben van mening dat thans niet kan gesteld worden dat de bescherming van dierenwelzijn de bescherming beoogt van “de rechten van de mens en fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden”, zoals bepaald in artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. Het komt mijns inziens aan de wetgever toe, zo hij dit wenst, om te voorzien in een vorderingsrecht voor rechtspersonen die de bescherming beogen van het dierenwelzijn en de voorwaarden daartoe te bepalen
(30)
(31). De aanvulling van artikel 7bis van de Grondwet kan hiertoe een aanzet zijn. Het arrest dat op grond van bovenvermelde redenen aldus oordeelt dat de burgerlijke vordering van de verweerster tegen de eisers ontvankelijk is omdat de verweerster beschikt over het daarvoor vereiste belang ingevolge enkel haar statutair doel inzake het opkomen voor het dierenwelzijn, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het tweede onderdeel van het eerste middel lijkt mij gegrond. Indien het Hof deze visie volgt, behoeven de overige middelen geen antwoord. (…) III. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing. ___________________________________
(1)Zie over dit onderwerp: M. KRUITHOF, “Privaatrechtelijke facetten van algemeenbelangacties bij de justitiële rechter”, TPR 2022, afl. 1-2, 21-129; P. LEFRANC, “Artikel 17, tweede lid Ger.W.: Hooglied van het algemeen collectiefvorderingsrecht voor de hoven en rechtbanken of de zwanengang van de Eikendael-doctrine”, TMR 2019, afl. 3, 239-261.
(2)Vóór de invoering van het tweede lid van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek bij artikel 137 van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie (BS 31 december 2018) bevatte artikel 17 Gerechtelijk Wetboek slechts één bepaling, namelijk: “De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen”.
(3)Cass. 2 maart 2021, AR P.20.1234.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11, AC 2021, nr. 150; Cass. 21 april 2020, AR P.19.1274.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1, AC 2020, nr. 239; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr.128; Cass. 3 april 2017, AR P.07.0041.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3, AC 2007, nr. 168Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1814.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4, AC 2012, nr. 285.
(4)Deze rechtspraak dateert van voor de invoering van het tweede lid van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek.
(5)Cass. 19 november 1982, AR 3375, AC 1982, nr. 172, met concl. van procureur-generaal E. KRINGS, toen eerste advocaat-generaal.
(6)Cass. 13 december 2018, AR C.15.0405.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181213.3, AC 2018, nr. 709, met concl. van advocaat-generaal Ph. DE KOSTER op datum in Pas.; Cass. 4 april 2014, AR C.13.0026.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140404.2, AC 2014, nr. 268, met concl. van procureur-generaal J.-F. LECLERCQ toen eerste advocaat-generaal op datum in Pas.; Cass. 4 februari 2008, AR C.05.0309.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080204.6, AC 2008, nr. 80, met concl. van procureur-generaal J.-F. LECLERCQ op datum in Pas.; Cass. 19 september 1996, AR C.95.0386.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960919.5, AC 1996, nr. 319.
(7)Cass. 20 oktober 2010, AR P.09.0330.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101020.4, AC 2010, nr. 613; Cass. 26 maart 1997, AR P.96.1662.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970326.5, AC 1997, nr. 163; Cass. 16 oktober 1991, AR nr. 9084, AC 1991, nr. 93.
(8)Cass. 16 oktober 1991, AR 9048, AC 1991, nr. 93; Cass. 24 november 1982, AR 2237, AC 1982, nr. 186, met concl. van advocaat-generaal J. VELU op datum in Pas..
(9)Cass. 11 juni 2013, AR P.12.1389.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.12, AC 2013, nr. 361, TMR 2013, afl. 4, met noot P. LEFRANC “De Eikendael-doctrine moet wijken voor de Aarhusdoctrine”.
(10)P. LEFRANC, “Artikel 17, tweede lid Ger.W.: Hooglied van het algemeen collectiefvorderingsrecht voor de hoven en rechtbanken of de zwanengang van de Eikendael-doctrine”, TMR 2019, afl. 3, p. 396, nr. 12.
(11)Voor een volledig overzicht zie P. LEFRANC, “Artikel 17, tweede lid Ger.W.: Hooglied van het algemeen collectiefvorderingsrecht voor de hoven en rechtbanken of de zwanengang van de Eikendael-doctrine”, TMR 2019, afl. 3, p. 259-260.
(12)GwH, 10 oktober 2013, nr. 133/2013, www.const-court.be, B.9: “De wetgever heeft verscheidene wetten aangenomen waarbij hij aan bepaalde verenigingen die een collectief belang nastreven een vorderingsrecht toekent, onder meer om de verenigbaarheid van de Belgische wetgeving met de bepalingen van internationaal recht die België binden, te verzekeren. In dat opzicht kan worden aangenomen dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de wetgever niet ertoe dwingen die mogelijkheid uit te breiden tot alle verenigingen”.
(13)GwH, 10 oktober 2013, nr. 133/2013, www.const-court.be, B.11.: De rechtspersonen die, zoals te dezen, een vordering instellen die overeenstemt met een van hun statutaire doelen, om een einde te maken aan onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die onontvankelijk wordt verklaard omdat zij geen betrekking heeft op het bestaan van de 15 rechtspersoon, de vermogensgoederen of de morele rechten ervan, worden derhalve gediscrimineerd ten opzichte van de verenigingen bedoeld in B.10 : beiden voeren immers een collectief belang aan dat verband houdt met de bescherming van de fundamentele vrijheden. Het komt echter aan de wetgever toe te preciseren onder welke voorwaarden een vorderingsrecht kan worden toegekend aan de rechtspersonen die een vordering wensen in te stellen die overeenstemt met hun statutair doel en de bescherming beoogt van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen waarbij België partij is.
(14)BS 31 december 2018.
(15)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 9° ed., 2021, I, 306.
(16)M.-A. BEERNAERT, H. D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure 9° ed., 2021, I, 306, voetnoot 42.
(17)Parl.St., Kamer, 2014-2019, nr. 54 3303/8, p. 52.
(18)Parl St., Kamer, 2014-2019, nr. 54 3303/01, p. 98.
(19)Parl.St., Kamer, 2014-2019, nr. 54/3303/02, p. 13 en 14.
(20)Parl.St., Kamer, 2014-2019, nr. 54 3303/03, p. 11 en 12.
(21)Parl.St., Kamer, 2014-2019, nr. 54/3303/02, p. 13.
(22)Parl.St., Kamer, 2014-2019, nr. 54 3303/03, p. 11 en 12.
(23)HvJ (Grote Kamer) 17 december 2020, C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., www.curia.europa.eu; EHRM 13 februari 2024, Executief van de Moslims van België e.a. t. België, www.hudoc.echr.coe.int; GwH 30 september 2021, nr. 117/2021, GwH 30 september 2021, nr. 118/2021, GwH 20 juli 2023, nr. 114/2023, www.const-court.be.
(24)HvJ (Grote Kamer) 17 december 2020, C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., punt 63, www.curia.europa.eu: “Zowel uit de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arresten van 17 januari 2008, Viamex Agrar Handel en ZVK, C 37/06 en C 58/06, EU:C:2008:18, punt 22; 19 juni 2008, Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers en Andibel, C 219/07, EU:C:2008:353, punt 27; 10 september 2009, Commissie/België, C 100/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:537, punt 91, en 23 april 2015, Zuchtvieh-Export, C 424/13, EU:C:2015:259, punt 35) als uit artikel 13 VWEU blijkt dat de bescherming van het dierenwelzijn een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang is”.
(25)EHRM 13 februari 2024, Executief van de Moslims van België e.a. t. België, §§ 93 en 94, www.hudoc.echr.coe.int.
(26)HvJ (Grote Kamer) 17 december 2020, C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a, .punt 77, www.curia.europa.eu; EHRM 13 februari 2024, Executief van de Moslims van België e.a. t. België, § 99, www.hudoc.echr.coe.int; GwH 30 september 2021, nr. 117/2021, B.20.2; GwH 30 september 2021, nr. 118/2021, B.20.2., www.const-court.be.
(27)EHRM 13 februari 2024, EHRM 13 februari 2024, Executief van de Moslims van België e.a. t. België, §§ 101 en 102, www.hudoc.echr.coe.int.
(28)Parl.St., Kamer, 2019-2024, nr. 55 3719/005.
(29)Parl.St., Kamer, 2019-2024, nr. 55 3719/002, p. 10.
(30)Zie bijvoorbeeld het “wetsvoorstel teneinde de dierenbeschermingsverenigingen de bevoegdheid toe te kennen om in rechte op te teden”, Parl.St., Kamer, 2019-2020, nr. 55 1397/001.
(31)Zie ook E. BERNET KEMPERS, “De rechten van mensen en andere dieren: waarom dierenrechten als bestaan”, TMR 2021, p. 24. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240611.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.21 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960919.5 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970326.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080204.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101020.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130611.12 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140404.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181213.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.