id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240613.1N.9 Rolnummer: C.23.0223.N Zaak: S. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-26 Raadplegingen: 968 - laatst gezien 2026-06-18 17:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240613.1N.9 Fiches 1 - 2 Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon; een dergelijk misbruik kan ook bestaan in de aanwending van rechtsregels of rechtsinstellingen in strijd met het doel waarvoor deze zijn ingesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1134, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1134, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Fiches 3 - 4 De verplichting om voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden een bodemattest aan te vragen en aan de verwerver mee te delen en om de inhoud van het bodemattest in de onderhandse akte op te nemen, strekt ertoe om de verwerver te beschermen tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond, alsook om hem te vrijwaren tegen iedere schade ingevolge een laattijdige mededeling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Decr. 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming - 27-10-2006 - Art. 101, §§ 1 en 2 - 49 ELI link Pub nr 2006037062 Decr. 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming - 27-10-2006 - Art. 116, § 1, eerste lid - 49 ELI link Pub nr 2006037062 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Wettelijke bepalingen: Decr. 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming - 27-10-2006 - Art. 101, §§ 1 en 2 - 49 ELI link Pub nr 2006037062 Decr. 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming - 27-10-2006 - Art. 116, § 1, eerste lid - 49 ELI link Pub nr 2006037062 Fiches 5 - 6 De rechter die beslist dat de overeenkomst nietig is wegens miskenning van artikel 5.2.5 VCRO, moet vast te stellen dat het goed het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 5.2.5 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.6.2, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 5.2.5 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.6.2, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de conclusie C.23.0223.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 1 september 2022. Door eisers worden twee middelen aangevoerd. I. Situering. De eerste en tweede eiser zijn naakte eigenaar van een onroerend goed. De derde eiseres heeft het vruchtgebruik van dit onroerend goed en baat daar een B&B uit. Op 30 januari 2020 sluiten de eisers en verweerder een onderhandse koopovereenkomst (weliswaar getiteld “aankoopbelofte”) met betrekking tot dit onroerend goed en het meubilair en in de inrichting ervan. Verweerder koopt dit goed aan voor een bedrag van 1.535.000 euro (1.450.000 euro voor het onroerend goed en 85.000 euro voor meubilair en inrichting). Op 17 februari 2020 stelt verweerder eisers in kennis dat hij wenst af te zien van de aankoop. Eén van de redenen die wordt opgegeven is dat het bodemattest zoals bedoeld in artikel 101 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 (verder Bodemdecreet)
(1)ontbrak en de overeenkomst van 30 januari 2020 daardoor nietig is. De eisers reageren hierop door de in de overeenkomst van 30 januari 2020 voorziene schadevergoeding van 15% (230.205 euro) te vragen aan verweerder. De verweerder weigert deze te betalen. De eisers gaan op 22 april 2020 over tot dagvaarding van verweerder tot betalen van 230.205 euro wegens het afzien van de aankoop. De verweerder vordert bij wijze van tegenvordering de nietigverklaring van de overeenkomst van 30 januari
- Bij vonnis van 9 februari 2021 verklaart de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent de overeenkomst van 30 januari 2020 nietig wegens inbreuk op artikel 101, § 1, van het Bodemdecreet. Op 1 september 2022 wordt door de appelrechter het hoger beroep van eisers ingesteld op 22 maart 2021 ontvankelijk doch ongegrond verklaard. II. Eerste middel. Tweede onderdeel In dit onderdeel verwijten de eisers de appelrechter artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek alsook het algemeen rechtsbeginsel dat misbruik van recht verbiedt te hebben geschonden door te oordelen dat de verweerder zich op de nietigheid van de overeenkomst kan beroepen ongeacht de motieven die hem hiertoe bewegen terwijl het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt, verbiedt dat de nietigheidssanctie van artikel 116, § 1, Bodemdecreet wordt uitgeoefend in strijd met zijn wettelijke doelstelling. II.
- Principes. Volgens artikel 101, § 1, en § 2, Bodemdecreet moet de overdrager voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver en moet de onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, de inhoud van het bodemattest bevatten. Volgens artikel 116, § 1, eerste lid, Bodemdecreet kan de verwerver de nietigheid vorderen van de overdracht die plaatsvond in strijd met artikel 101 Bodemdecreet. Uit Uw rechtspraak
(2)met betrekking tot deze bepalingen (of met betrekking tot de voorlopers van deze bepalingen) volgt dat de nietigheid van artikel 116, § 1, Bodemdecreet een relatieve nietigheid betreft
(3)en dat het afleveren van een blanco bodemattest na het sluiten van de onderhandse overeenkomst maar voor het verlijden van de authentieke akte, niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat de verwerver misbruik maakt van zijn recht door de nietigheid te vorderen van de onderhandse overeenkomst, ook al wijst het afgeleverd attest op een afwezigheid van verontreiniging
(4). De doelstellingen van het Bodemdecreet met de nietigheidssanctie is volgens deze rechtspraak tweeledig nl. in de eerste plaats het beschermen van de verwerver tegen het onbewust aankopen van vervuilde grond
(5)en vervolgens het vrijwaren van de verwerver tegen iedere schade ingevolge een laattijdige mededeling van het bodemattest
(6). Volgens Uw vaste rechtspraak bestaat rechtsmisbruik in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon
(7). Een dergelijk misbruik kan ook bestaan in de aanwending van rechtsregels of rechtsinstellingen in strijd met het doel waarvoor ze zijn ingesteld
(8). Het finaliteitscriterium is één van de hoekstenen van het algemeen rechtsbeginsel met betrekking tot het verbod op rechtsmisbruik
(9). Het houdt met betrekking tot de schending van de informatieplicht bedoeld in artikel 101, § 1 Bodemdecreet volgens mij in dat er van rechtsmisbruik sprake kan zijn wanneer de koper of huurder gebruik maakt van zijn recht om de nietigheid van de overeenkomst te vorderen wanneer alle doelstellingen van de precontractuele informatieplicht van het Bodemdecreet zijn nageleefd en de verwerver geen schade lijdt ten gevolge van de laattijdige mededeling van het bodemattest
(10). II.2. Toepassing van de hogervermelde principes in deze zaak. Met de motivering vermeld op pagina 14 van het bestreden arrest verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat er geen sprake is van rechtsmisbruik, niet naar recht omdat de appelrechter niet onderzocht of verweerder zijn recht om de nietigverklaring van de overeenkomst van 30 januari 2020 te vorderen niet uitoefende in strijd met de doelstellingen waarvoor dit recht werd ingesteld. De appelrechter stelde enkel vast dat er een blanco bodemattest was na het sluiten van de onderhandse overeenkomst en hij gaat niet na of de verweerder schade leed door de laattijdige mededeling van het blanco bodemattest. Het middel is gegrond. III. Het tweede middel. Volgens de eisers heeft de appelrechter artikel 6.6.2 VCRO en het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de rechter in het burgerlijk geding geschonden door te oordelen dat de onderhandse koopovereenkomst van 30 januari 2020 nietig is wegens miskenning van artikel 5.2.5 VCRO omdat de stedenbouwkundige documenten vereist op grond van dit laatste artikel niet op voorhand werden overgemaakt aan de koper, zonder evenwel vast te stellen dat er een herstelmaatregel rust op het onroerend goed. Uit Uw vaste rechtspraak in verband met de taak van de rechter volgt dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten en handelingen die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of verweer
(11). Artikel 5.2.5 VCRO bepaalt onder meer dat iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, en ook van vestiging van erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of er voor het onroerend goed een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is uitgereikt en moet de meest recente stedenbouwkundige bestemming van dit goed met de benamingen gebruikt in het plannenregister overnemen. In voorkomend geval worden ook vermeld: de maatregelen, vermeld in titel VI, hoofdstuk III en IV, die werden opgelegd met betrekking tot het goed of de hangende procedures die strekken tot het opleggen van dergelijke maatregelen, de op het goed rustende voorkooprechten, vermeld in artikel 2.4.1, respectievelijk het feit dat op het goed een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van toepassing is. Artikel 6.6.2 VCRO bepaalt dat de rechtbank de titel van eigendomsverkrijging of van huur kan vernietigen op vordering van de kopers of de huurders van een goed dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen, onverminderd het recht van de kopers of huurders om schadevergoeding te eisen en dat de vordering tot vernietiging niet meer kan worden ingeroepen als de inbreuk op de informatieplicht met betrekking tot de publiciteit en de onderhandse overeenkomst is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in deze akte verzaakt aan de vordering tot nietigverklaring op basis van een inbreuk op de informatieplicht. De vraag rijst of iedere schending van de informatieplicht opgenomen in artikel 5.2.5 VCRO kan leiden tot een vordering tot nietigverklaring van de onderhandse koopovereenkomst of dat de vordering tot nietigverklaring wordt begrensd door artikel 6.6.2 VCRO. De rechtsleer en de rechtspraak zijn daaromtrent verdeeld
(12). Volgens mij kan de schending van de informatieplicht opgenomen in artikel 5.2.5 VCRO slechts leiden tot een vordering tot nietigverklaring van de onderhandse koopovereenkomst onder de voorwaarden bepaald in artikel 6.6.2 VCRO. In verband met één van de voorlopers van artikel 5.2.5 VCRO nl. artikel 141 Stedenbouwdecreet 1999 oordeelde Uw Hof dat de niet-naleving van de bepalingen ervan, de relatieve nietigheid van de overeenkomst tot gevolg heeft ter bescherming van de koper of de huurder en dus niet kan worden ingeroepen door de verkoper
(13). De draagwijdte van dit arrest zou evenwel onduidelijk zijn.
(14)Ik ben het daar niet mee eens. Volgens mij heeft het Hof ondubbelzinnig beslist dat enkel een koper of een huurder de nietigheid van de onderhandse overeenkomst wegens de schending van artikel 141 Stedenbouwdecreet 1999 kan inroepen. Verdere gevolgtrekkingen kunnen volgens mij uit dit arrest niet worden afgeleid. De vaststelling dat in het arrest niet verwezen werd naar artikel 162 Stedenbouwdecreet (één van de voorlopers van artikel 6.6.2 VCRO) moet bekeken worden in de context van de toenmalige regelgeving. In ieder geval was het de toenmalige bedoeling van de decreetgever sinds het Decreet van 26 april 2000
(15)dat de koper bij elk misdrijf bedoeld in artikel 146 e.v. Stedenbouwdecreet 1999 de vernietiging van de verkoop kon vorderen bij de rechtbank en niet enkel bij overtredingen die gepaard gaan met herstelmaatregelen
(16). Om deze doelstelling te verwezenlijken wijzigde de decreetgever enkel artikel 162 Stedenbouwdecreet 1999. Hieruit volgt volgens mij dat de bedoeling van de decreetgever wel degelijk was om de vordering tot nietigverklaring wegens schending van de informatieverplichting bedoeld in artikel 141 Stedenbouwdecreet 1999 te onderwerpen aan de voorwaarden van artikel 162 Stedenbouwdecreet 1999
(17). De schending van de informatieverplichting bedoeld in artikel 141 Stedenbouwdecreet 1999 was beteugeld met strafsancties overeenkomstig artikel 146, 4°, Stedenbouwdecreet 1999. Dit was dus een misdrijf zodat ook de vordering tot nietigverklaring van de onderhandse overeenkomst wegens schending van artikel 141 Stedenbouwdecreet 1999 mogelijk was. In ieder geval moet rekening worden gehouden met de vaststelling dat artikel 6.6.2 VCRO niet de letterlijke overname vormt van het voormalig artikel 6.3.1 VCRO (de opvolger van artikel 162 Stedenbouwdecreet 1999)
(18). Er moet worden vastgesteld dat er geen uitdrukkelijke sanctie is bepaald door de decreetgever voor de schending van artikel 5.2.5 VCRO behalve wanneer het goed voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen in toepassing van artikel 6.6.2 VCRO. Thans bepaalt artikel 6.6.2 VCRO letterlijk gelezen dat de nietigverklaring van de eigendomsverkrijging enkel maar kan wanneer het goed het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van gerechtelijke of bestuurlijke maatregelen. Hieruit volgt niet automatisch dat de schending van artikel 5.2.5 VCRO op zichzelf niet zou kunnen leiden tot nietigverklaring van de onderhandse overeenkomst omdat voor nietigheden in het materieel recht de regel “pas de nullité sans texte” niet geldt
(19). Maar het vormt er desalniettemin toch een argument voor
(20). De opbouw van de VCRO wijst er eveneens op dat de decreetgever heeft gewenst dat de nietigheid verbonden aan de schending van de informatieplicht slechts kan worden toegepast onder de voorwaarden van artikel 6.6.2 VCRO. Artikel 5.2.5 VCRO bevindt zich in “hoofdstuk II – informatieplichten” van de titel V – Diverse bepalingen. Artikel 6.6.2 VCRO daarentegen bevindt zich in “Hoofdstuk VI – Diverse bepalingen” van de titel VI – Handhaving. Deze opbouw wijst er toch eerder op dat de decreetgever heeft gewenst dat de nietigheid enkel kan ingeroepen worden voor schendingen onder de voorwaarden van de bepalingen van de titel VI – Handhaving. Bovendien vormen de inbreuken op de informatieplichten geen misdrijf meer sinds de hervorming van de Vlaamse regelgeving daaromtrent in 2014
(21). Dit betreffen slechts stedenbouwkundige inbreuken die kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. Hierdoor kon de decreetgever de bij de hervorming in 2000 geuite doelstelling (nl. de koper kan bij elk misdrijf bedoeld in artikel 146 e.v. Stedenbouwdecreet 1999 de vernietiging van de verkoop kon vorderen bij de rechtbank en niet enkel bij overtredingen die gepaard gaan met herstelmaatregelen) niet handhaven. Het valt immers moeilijk te verdedigen dat voor inbreuken waarvan de decreetgever overwoog dat ze in principe geen (rechtstreekse) ruimtelijke schade doen ontstaan, er toch een vordering tot nietigverklaring zou mogelijk zijn voor de koper of huurder zonder dat er aan de voorwaarden van artikel 6.6.2 VCRO is voldaan. Enkel wanneer de koper of de huurder dreigt zijn goed te verliezen ten gevolge van een herstelmaatregel is de nietigverklaring van de overeenkomst een gepaste sanctie. Buiten die omstandigheden lijkt een schadevergoeding te moeten volstaan wanneer in gevolge de niet-naleving van de informatieplicht er schade ontstaat bij de koper of de huurder. Ook de parlementaire voorbereiding bij artikel 6.6.2 VCRO wijst in dezelfde richting. In de memorie van toelichting bij het Decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning
(22)is te lezen: “Dit artikel is gebaseerd op huidig artikel 6.3.1, en voorziet in een principieel recht in hoofde van de kopers of huurders van een goed, dat het voorwerp uitmaakt of kan uitmaken van herstelmaatregelen, om de nietigverklaring van de koop of huur te vorderen, wanneer zij met miskenning van de door dit decreet opgelegde informatieplichten in het ongewisse zijn gelaten omtrent het illegaal karakter van het goed”
(23). Er wordt duidelijk verwezen naar het illegaal karakter van het goed zodat de enkele schending van de informatieplicht bedoeld in artikel 5.2.5 VCRO zonder dat aan de voorwaarden van artikel 6.6.2 VCRO is voldaan, volgens mij geen grond vormt voor een vordering tot nietigverklaring. Dit recht om de nietigverklaring te vorderen op basis van artikel 6.6.2 VCRO moet daarenboven volgens de decreetgever worden gezien als aanvullend op het gemene recht, in die zin dat het aantonen van een wilsgebrek niet vereist is
(24). De decreetgever wou dus duidelijk de nietigverklaring beperken tot de geregelde situatie en had niet de bedoeling om daarnaast nog, via artikel 5.2.5 VCRO, nog andere nietigheden in te voeren. De appelrechter had dan ook artikel 6.6.2 VCRO moeten betrekken bij zijn beoordeling over de vordering tot nietigverklaring. Met de motivering vermeld op pagina 12 en 13 van het bestreden vonnis, schendt de appelrechter artikel 6.6.2 VCRO en het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter ertoe gehouden is om het geschil te beslechten volgens de erop van toepassing zijnde rechtsregels. Het middel is gegrond. Conclusie: Cassatie. _____________________________________
(1)Decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, BS 22 januari 2007.
(2)Voor een uitvoerige bespreking van de diverse arresten zie M. MEIRLAEN, “Bodemattest meedelen volstaat niet?”, T.Not. 2024, 147-163.
(3)Cass. 25 maart 2011, AR C.09.0639.N, AC 2011, nr. 224, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110325.3, RW 2012-13, 218 , noot F. HAENTJENS. “Daar kan ten andere geen enkele twijfel over bestaan nu dit uitdrukkelijk zo werd verklaard tijdens de parlementaire besprekingen in verband met de voorganger van artikel 101 Bodemdecreet nl. artikel 36 Bodemsaneringsdecreet” (Decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, BS 29 april 1995) (zie Parl.St. Vl. Parl. 1993-94, 587, nr. 8, 3 en Parl.St. Vl. Parl. 1993-94, 587, nr. 10, 48).
(4)Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0065.N, AC 2010 nr. 454, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.3; Juristenkrant 2010, afl. 213, noot E DE KEZEL, Not.Fisc.M. 2011, afl. 2, 51, noot A. LEMMERLING; RABG 2010, 1130, noot T. MALFAIT en L. KERKSTOEL; RW 2010-11, 1520, noot J. DEL CORRAL; TMR 2011, 20, noot F. HAENTJENS; zie ook J. VAN ZUYLEN en J. THIRY, “Police administrative en matière notariale et nullités”, 58-64 in C. DELFORGE en J. VAN MEERBEECK, Les nullités en droit privé, Anthemis 2017, p. 332.
(5)Cass. 22 maart 2018, AR C.17.0067.N, AC 2018, nr. 200, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180322.7 met concl. van Mevr. MORTIER, advocaat-generaal, Juristenkrant 2018, afl. 370, 6, met noot N. VAN WYMEERSCH; JT 2019, 29 met noot F. ONCLIN; RW 2018-19, 937 met noot M. DE POTTER DE TEN BROECK; TBBR 2019, 158, met noot P. DEBEL, en F. VAN DEN ABEELE; TBO 2018, 426 met noot M. MEIRLAEN; Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0065.N, AC 2010 nr. 454; ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.3.
(6)Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0065.N, AC 2010 nr. 454; ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.3. Deze doelstelling wordt enkel expliciet verwoord in dit arrest.
(7)Cass. 20 januari 2023, AR C.22.0069.N, AC 2023, nr. 59, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.10; Cass. 20 januari 2023, AR C.21.0499.N, AC 2023, nr. 56 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2; Cass. 3 februari 2017, AR C.16.055.N, AC 2017, nr. 82, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.1, TBH 2018, 579 met noot H. STRUYVEN; Cass. 1 oktober 2010, AR C.09.0565.N, AC 2010, nr. 571, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.4; Cass. 8 februari 2010, AR C.09.0416.F, AC 2010, nr. 89, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100208.4; Cass. 9 maart 2009, AR C.08.0331.F, AC 2009, nr. 182, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.9; Cass. 12 december 2005, AR S.05.0035.F AC 2005, nr. 664, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051212.6.
(8)Cass. 15 februari 2019, AR C.18.0428.N, AC 2019 nr. 096, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190215.2, T.Fam. 2019, 249, met noot M. MEIRLAEN; Rev.trim.dr.fam. 2021, 1127 met noot A. VAN GYSEL; Zie ook Cass. 28 september 2018, AR C.18.0058.N, AC 2018, nr. 512, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180928.4.
(9)A. DE BOECK en N. VAN DAMME, “Rechtsmisbruik”, 31-35, in M. DAMBRE, E. DIRIX, B. TILLEMAN, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 13 dln; E. VAN DONGEN, “Rechtsmisbruik in het Belgische en Nederlandse recht: over individuele vrijheid, maatschappelijke zorgvuldigheid en asociale rechtsuitoefening”, TPR 2022, 1058-59; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, Tome II, Bruylant, Brussel, 2013, 66-69, randnr. 23; J. VAN MEERBEECK, “Repenser la théorie moderne des nullités”, 9, randnr. 7 in C. DELFORGE en J. VAN MEERBEECK, Les nullités en droit privé, Anthemis 2017, p. 332.
(10)In deze zin D. DEVOS en C. SCHELFHAUT, “De nietigheidssanctie in geval van overdracht van gronden zonder voorafgaand bodemattest: hoe rechtspraak mogelijks bijdraagt tot grotere rechtsonzekerheid”, MER 2014, 97.
(11)Vb. Cass. 3 oktober 2022, AR S.17.0010.N, AC 2022, nr. 598, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.1.
(12)Voor een overzicht zie vb. F. HAENTJENS, “Ruimtelijke informatieverplichting, aansprakelijkheid (overheid, notaris, makelaar) en rechtsherstel”, 34-35, randnrs. 71-73, in R. PALMANS en R. JANSEN (eds.) Niet-vergunde constructies – tussen gedogen en regulariseren, Brussel, Intersentia 2020. 367 p.
(13)Cass. 3 november 2011, AR C.11.0060.N, AC 2011, nr. 594, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111103.4, RW 2012-13, 220 met noot F. HAENTJENS; TROS 2013, 38 met noot A. VANDAELE en J. MALEKZADEM.
(14)J. CALELBAUT, “Een subjectief plechtige verkoop is nietig als de stedenbouwkundige informatie ontbreekt” (noot onder Antwerpen 14 oktober 2013), TBBR 2014, 498, voetnoot 13. In ieder geval was de interpretatie van het arrest in de doctrine onduidelijk. E. EMPEREUR en Y. SMEETS in dit arrest menen te lezen dat door de verwijzing naar artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 in het arrest er een koppeling is met artikel 162 Stedenbouwdecreet 1999 (E. EMPEREUR en Y. SMEETS, “Informatieverplichtingen en publiekrechtelijke sanctiemechanismen in het omgevingsrecht”, 30, in D. DEVOS (ed.), (Ver)kopen in het omgevingsrecht, Brussel, Intersentia 2017.
(15)Decreet van 26 april 2000 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, BS 29 april 2000.
(16)Mvt bij het ontwerpdecreet houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, Parl. St. Vl. Parl., 1999-2000, nr. 252/1, 33: “Omdat uit het advies van de Raad van State gebleken is dat de samenlezing van het gewijzigde artikel 137, 141 en 162 voor verwarring kan zorgen, worden een aantal woorden in artikel 162 geschrapt. Die moeten verduidelijken dat bij elk misdrijf bedoeld in artikel 146 en volgende de koper de vernietiging van de koop kan vorderen bij de rechtbank (en niet enkel bij overtredingen die gepaard gaan met herstelmaatregelen)”.
(17)In deze zin in verband met artikel 141 Stedenbouwdecreet 1999 en zijn opvolgers zie I. CLAEYS, “Geen bouwvergunning, verlies van elke rechtsbescherming?”, TBH 1999, 844; E. EMPEREUR en Y. SMEETS, “Informatieverplichtingen en publiekrechtelijke sanctiemechanismen in het omgevingsrecht”, 63 in D. DEVOS (ed.), (Ver)kopen in het omgevingsrecht, Brussel, Intersentia 2017; M. HERBOSCH, “De totstandkoming, geldigheid en uitvoering van de koop van een onroerend goed: bedrieglijk eenvoudig?”, TPR 2020, 320.
(18)Artikel 162, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 (na de aanpassing via het voormelde Decreet van 26 april 2000) luidde als volgt: “De rechtbank kan, op vordering van de kopers of de huurders van het goed, voorwerp van de in artikelen 146 tot en met 151 bedoelde vordering, naar gelang van het geval, hun titel van eigendomsverkrijging of van huur op kosten van de veroordeelde vernietigen, onverminderd het recht om vergoeding van de schade te eisen van de schuldige”. Artikel 6.3.1, eerste lid VCRO (zoals van kracht tot 28.02.2018) luidde als volgt: “De rechtbank kan, op vordering van de kopers of de huurders van het goed, voorwerp van de in de artikelen 6.1.41 tot en met 6.1.43 vermelde vordering, naar gelang van het geval, hun titel van eigendomsverkrijging of van huur op kosten van de veroordeelde vernietigen, onverminderd het recht om vergoeding van de schade te eisen van de schuldige”.
(19)J. VAN MEERBEECK, “Repenser la théorie moderne des nullités”, 9, randnr. 6 in C. DELFORGE en J. VAN MEERBEECK, Les nullités en droit privé, Anthemis 2017, p. 332; A. VAN OEVELEN, “De nietigheid van de overeenkomst” in M. DAMBRE, E. DIRIX en B. TILLEMAN, Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, losbl.
(20)contra zie F. HAENTJENS, “Ruimtelijke informatieverplichting, aansprakelijkheid (overheid, notaris, makelaar) en rechtshersel”, 36, randnr. 74, in R. PALMANS en R. JANSEN (eds.) Niet-vergunde constructies – tussen gedogen en regulariseren, Brussel, Intersentia 2020. 367 p.
(21)Decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, BS 27 augustus 2014.
(22)BS 27 augustus 2014.
(23)Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, Parl.St. Vl. Parl. 2013-14, nr. 2419, 57.
(24)Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, Parl.St. Vl. Parl. 2013-14, nr. 2419, 57. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240613.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240613.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051212.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100208.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100624.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110325.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111103.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180322.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180928.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190215.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230120.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div