← België

Stad Gent contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.7 Rolnummer: C.23.0144.N Zaak: Stad Gent contra W. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-09-18 Raadplegingen: 720 - laatst gezien 2026-06-18 14:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.7 Fiches 1 - 2 De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; de rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden is in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen; dt toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3, AC 2023, nr. 230, met concl. van advocaat-generaal J. Van der Fraenen; Cass. 10 februari 2023, AR C.22.0184.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.8, AC 2023, nr. 111, met concl. van advocaat-generaal E. Herregodts en Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1, AC 2010, nr. 174, met concl. van advocaat-generaal D. Thijs. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones - 27-11-2015 - Art. 10, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2015036551 Reglement van 23 april 2019 voor een lage-emissiezone (LEZ) in Gent - 23-04-2019 - Art. 6, § 2 Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones - 27-11-2015 - Art. 10, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2015036551 Reglement van 23 april 2019 voor een lage-emissiezone (LEZ) in Gent - 23-04-2019 - Art. 6, § 2 Tekst van de conclusie C.23.0144.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een vonnis, in laatste aanleg gewezen, door de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, d.d. 8 december
  2. Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
  3. Het middel, de drie onderdelen tezamen. a. Situering. Huidig geschil betreft de vraag naar de omvang van het toetsingsrecht van de rechter bij het beoordelen van een door een administratieve overheid, in het kader van een gebonden bevoegdheid, opgelegde sanctie bij de beteugeling van een overtreding van de bepalingen inzake de lage-emissiezone in de stad Gent. In casu ging het om 5 overtredingen die, in een tijdvak van 5 opeenvolgende dagen, werden vastgesteld en waarvoor de bevoegde ambtenaar van eiseres voor iedere inbreuk de in het reglement voorziene sanctie oplegde. De overtredingen betreffende de niet-naleving van de bepalingen van de lage-emissiezone worden enkel administratief beteugeld. Er zijn geen strafrechtelijke sancties voorzien
(1)
(2). Het reglement
(3)van de stad Gent voorziet de handhaving in artikel 6 waarvan de §§ 2 en 3 relevant zijn. In § 2 kan men lezen dat een overtreding “wordt” gesanctioneerd. Dus enige opportuniteit, in hoofde van de bevoegde ambtenaar, om al dan niet tot beteugeling over te gaan, is uitgesloten. § 3 bepaalt de administratieve sanctie. Het betreft een vaste geldboete van 150 €. De ambtenaar beschikt derhalve niet over een sanctievork noch zijn er modaliteiten, zoals staat van herhaling of eenheid van opzet, die eventueel in een sanctieverhoging/verlaging voorzien. Het betreft derhalve een gebonden bevoegdheid en dit zowel wat betreft het beteugelend optreden zelf, alsook inzake de op te leggen sanctie. Noch het decreet van 17 november 2015 betreffende lage-emissiezones, noch het reglement van de stad Gent voorzien in bepalingen waardoor aan de rechter een ruimere beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend dan deze waarover de administratie beschikt Niettegenstaande dit oordeelde de politierechter, op grond van de overwegingen die hij weerhield in de bestreden beslissing, dat hij tot herleiding van de sanctie kon overgaan. b. Beoordeling. Het middel kan, in zijn drie onderdelen, niet worden aangenomen. Voorafgaandelijk dien ik, op grond van de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan, vast te stellen dat de bevoegde ambtenaar van de stad Gent zich bij een vorige beslissing ten aanzien van verweerder een bevoegdheid heeft toegekend die contra legem is. Daar waar het, op grond van het hoger aangehaalde, blijkt dat het, in al zijn aspecten, een gebonden bevoegdheid is voor de administratie, komt naar voor uit de voorziening in cassatie
(4)en de conclusie voor de feitenrechter
(5)dat de sanctionerende ambtenaar voor bepaalde inbreuken tot “seponering” om billijkheidsredenen is overgegaan. Zodoende matigde hij zich de bevoegdheid toe van “opportuniteit van vervolging” die de regelgever hem niet heeft toevertrouwd. Het is evenwel evident dat deze wederrechtelijke “administratieve praktijk” in hoofde van de rechter geen rechtsgrond creëert waaraan hij, in zijn oordeel, rechtsgevolgen kan verbinden betreffende zijn bevoegdheid in het kader van het beoordelen van de sanctiemaat. Voor alle duidelijkheid, de politierechter heeft dit in huidig geschil niet gedaan. Wat zijn nu de grenzen betreffende het toetsingsrecht van de rechter? Het staat tussen partijen niet ter discussie dat de administratieve sanctie die werd opgelegd een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM. Dit laatste heeft zijn implicaties betreffende de toetsingsbevoegdheid van de rechter. Hiervoor dient men zich te keren naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit deze rechtspraak komt naar voor dat administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter door de rechter moeten kunnen worden getoetst met volle rechtsmacht
(6). Hij kan zich derhalve niet beperken tot een loutere controle van de wettigheid van de sanctie. De rechterlijke controle dient noodzakelijkerwijze ook een proportionaliteitstoets te omvatten
(7), dus het toetsen van de opgelegde sanctie aan de bewezen inbreuk. Heeft dit een andere invulling wanneer het gaat om vaste sancties, zoals in casu waar de overheid niet over een sanctievork beschikt? Het principe van het hanteren van vaste sancties wordt door het EHRM op zich niet strijdig geacht met artikel 6 EVRM
(8). Er blijft evenwel sprake van een evenredigheidstoets. Zij het dat deze, in de regel, door de wetgever werd doorgevoerd, wat in voorkomend geval blijkt uit de regelgeving zelf
(9). Dus, bij dit soort sancties gaat het om maatregelen waar de regelgever, in principe, bij het bepalen van de sanctiemaat in het sanctiesysteem zelf reeds een evenredigheidstoets heeft doorgevoerd
(10). Echter ter zake moet worden opgemerkt dat de regelgever enkel in abstracto deze toetsing kan uitvoeren. Evenwel een sanctie die in abstracto proportioneel is, is dit niet noodzakelijk in concreto
(11). Derhalve zal de rechter genoodzaakt zijn om tevens de toetsing in concreto dienen uit te voeren om na te gaan of er sprake is van een evenredige straf
(12). Eén en ander blijkt tevens uit de rechtspraak van Uw Hof waar de principes ter zake worden vastgelegd. Uit deze rechtspraak vloeit voort dat de rechter dient na te gaan of de sanctie in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften. Dit betreft dus het intern recht, waarin ook vervat zijn de algemene rechtsbeginselen, alsook de verdragsrechtelijke bepalingen die het Rijk binden. In het kader van deze toetsing moet de rechter onderzoeken of de sanctie evenredig is met de inbreuk
(13). Bij deze beoordeling kan hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, doch moet hij in acht nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was bij het opleggen van deze sanctie
(14). In dit laatste geval moet hij een grotere terughoudendheid naleven
(15). Bij deze evenredigheidstoets is het de rechter evenwel verboden om redenen van opportuniteit dan wel subjectieve appreciatie te hanteren. Uw Hof oordeelde dat de rechter “op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten [niet mag ] kwijtschelden of verminderen”
(16). Op grond van de overwegingen van de politierechter, zoals deze aan te treffen zijn op pagina 6 van de bestreden beslissing dient vastgesteld te worden dat hij een correcte toepassing doet van de leer die voortvloeit uit de rechtspraak van Uw Hof en deze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Inzonderheid voert de rechter een evenredigheidstoets uit tussen de vastgestelde inbreuken en de opgelegde sanctie. Zonder dat hij, om het in de woorden van Uw Hof te stellen, “op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in” de boete vermindert. Met zijn oordeel dat de geldboete wordt herleid tot 200 € geeft hij te kennen dat de boete voor ieder van de vijf vastgestelde inbreuken herleid wordt naar 40 €. De politierechter verantwoordt op grond van het voormelde dan ook naar recht zijn beslissing. Conclusie: verwerping. ________________________________
(1)Artikel 29, § 2, laatste lid Wegverkeerswet.
(2)Bij gebreke aan een parallelle strafrechtelijke sanctionering is er ook geen sprake van toepassing, op de administratieve sancties van rechtsfiguren uit het strafrecht, zoals bijvoorbeeld eenheid van opzet of verzachtende omstandigheden. Hetgeen op grond van de artikelen 10 en 11 Grondwet vereist zou zijn zelfs indien het administratief sanctiearsenaal dit niet in zijn regelgeving zou voorzien. Zie in dat verband bijvoorbeeld GWH, 11 maart 2009, 42/2009, RO B.7.
(3)De in deze toepasselijke versie van het reglement geldig tot 26 april 2024.
(4)Voorziening in Cassatie, tweede blad.
(5)Conclusie eiseres pagina 5.
(6)EHRM 4 maart 2004, Silvester’s Horeca Service t. België, nr. 47650/99, RO 27; EHRM 4 maart 2014, Grande Stevens t. Italië, nr. 18640/10, RO 139.
(7)EHRM 4 maart 2014, Grande Stevens t. Italië, nr. 18640/10, RO 149.
(8)P. Van de Weyer, De rechterlijke toetsing van bestuursrechtelijke handelingen. De invloed van de vereiste van volle rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM, Antwerpen, Intersentia 2020, 421-424.
(9)P. Van de Weyer, oc, p. 421 en 422; EHRM 23 september 1998, nr. 27812/95, Malige/Frankrijk, RO 49; EHRM 7 juni 2012, nr. 4837/06, Segame SA/Frankrijk, RO 59.
(10)P. Van de Weyer, oc, p. 422.
(11)Ter zake moet vastgesteld worden dat het EHRM in de zaken Malige/Frankrijk en Segame SA/Frankrijk zelf overging tot een toetsing in concreto van de proportionaliteit van de sanctie respectievelijk in RO 49 en RO 59.
(12)I. Boone en G. Van Haegenborgh, “Administratieve sancties” in I. Verougstraete, J.-F. Leclercq, P. Lecroart en S. Lierman (ed.), Jaarverslag van het Hof van Cassatie van België 2004, 211-213.
(13)Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3, AC 2023, nr. 230, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN en Cass. 10 februari 2023, AR C.22.0184.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.8, AC 2023, nr. 111, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal E. HERREGODTS.
(14)Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0096.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1, AC 2010, nr. 174, met gelijkluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal D. THIJS.
(15)Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3, AC 2023, nr. 230, o.c.
(16)Cass. 4 juni 2021, AR F.20.0098.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.8, AC 2021, nr. 412 en Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6, AC 2018, nr. 492, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230324.1N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.