id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.8 Rolnummer: C.23.0037.N Zaak: D. contra Stad Gent Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-09-18 Raadplegingen: 260 - laatst gezien 2026-06-16 04:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.8 Fiche Artikel 1385, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek onderstelt dat de rechter die ten laste van verschillende personen een niet-hoofdelijke veroordeling uitspreekt, ieder van hen veroordeelt tot betaling van een afzonderlijke dwangsom voor het geval dat niet aan de hoofdveroordeling wordt voldaan
(1).
(1). Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 793, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385ter - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.23.0037.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van Beroep Gent gewezen op 14 december
- Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
- Het eerste onderdeel. (...)
- Het tweede onderdeel. (…)
- Derde onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in het onderdeel betreft de vraag wat, indien de rechter ten aanzien van meerdere partijen één niet-hoofdelijke veroordeling uitspreekt en hiervoor één dwangsom oplegt voor het geval de hoofdveroordeling niet wordt uitgevoerd, het gevolg is inzake de omvang van de verbeurde dwangsom, indien één of slechts enkele van de partijen een inbreuk plegen op de hoofdveroordeling. Is de dwangsom dan verschuldigd in verhouding tot het breukdeel van het aantal partijen ten aanzien van wie de hoofdveroordeling werd uitgesproken of verbeurt ieder van de inbreuk plegende partijen het geheel van de dwangsom? In casu gaat het inderdaad om een niet-hoofdelijke
(1)veroordeling ten aanzien van twee partijen waarvoor één dwangsom van 100€ per inbreuk op de hoofdveroordeling wordt uitgesproken. De beslagrechter stelt vast dat slechts één van de partijen een inbreuk pleegde en oordeelt vervolgens dat deze partij, per inbreuk, enkel de helft van de dwangsom verbeurt. Dit op grond van het feit dat de dwangsomveroordeling niet solidair of in solidum werd uitgesproken en geldschulden uit hun aard deelbaar zijn. b. Beoordeling. Bij de beoordeling van het onderdeel dient onder aandacht te worden gebracht dat een dwangsom, benevens dat ze accessoir is, een voorwaardelijk karakter heeft. Zij is immers onderworpen aan het feit dat er enkel een verschuldigdheid bestaat indien de hoofdveroordeling niet wordt uitgevoerd. Door de naleving van de bepalingen van de hoofdveroordeling ontsnapt de partij aan de verbeurte van een dwangsom
(2). Verder is er het aspect betreffende de (on)deelbaarheid van de dwangsom. Het principe is dat de dwangsom deelbaar is wat betreft de personen aan wie zij kan worden opgelegd. Bij een gezamenlijke verbintenis kan de rechter voor ieder deel een gepaste dwangsom opleggen. De dwangsom kan dus verdeeld worden over elk van de veroordeelden waarbij het irrelevant is wat hun respectievelijke aandeel is in de verantwoordelijkheid tot het naleven van de hoofdveroordeling
(3). Maar ze is ondeelbaar wat de verbeurde bedragen betreft. Dus bij een gedeeltelijke uitvoering is het niet zo dat het bedrag van de dwangsom wordt gemoduleerd in functie van de omvang van de uitvoering van de hoofdveroordeling. Dus iedere inbreuk, ongeacht de omvang, heeft tot gevolg dat de volledige dwangsom verbeurd is
(4). In het geschil dat voor Uw Hof wordt gebracht gaat het om een dwangsom inzake de naleving van het opgelegde verbod om een recht van doorgang over een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid te belemmeren. Elk van de veroordeelden was, ieder binnen zijn bevoegdheidssfeer, gehouden om de hoofdveroordeling na te leven. Eerste verweerster door bij de aflevering van de vergunningen
(5)desbetreffend voorwaarden op te leggen en het toezien op de naleving van deze voorwaarden
(6); tweede verweerster door bij de uitvoering van de werken de parameters van deze vergunning in acht te nemen. Met dien verstande dat, wat betreft de tweede verweerster ieder wederrechtelijk handelen een inbreuk zou opleveren. Deze kan immers niet enkel een inbreuk begaan zo zij buiten de grenzen van deze vergunning handelt doch tevens wanneer zij handelt zonder dat er een vergunning was afgeleverd. Zoals volgt uit de beantwoording van de grieven in het eerste onderdeel oordelen de appelrechters dat eerste verweerster zich van haar verplichtingen, in het kader van de hoofdveroordeling, heeft gekweten en er in hare hoofde geen dwangsom verschuldigd is. Door de appelrechters werd geoordeeld dat enkel de tweede verweerster een inbreuk pleegde op de verplichtingen opgelegd door de dwangsomtitel. De dwangsomtitel luidt, ingevolge de stukken waar uw Hof acht op slaat
(7), als volgt: “Indien [tweede verweerster] en [eerste verweerster] de belemmeringen niet zouden verwijderen binnen de gestelde termijn en/of niet verwijderd houden dan worden ze hierbij veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van 100,00 euro per dag dat de belemmering niet verwijderd is of niet verwijderd bleef, met een maximum van 200.000 euro”. Uit de bewoordingen blijkt dat de dwangsom verschuldigd is per inbreuk en tijdseenheid. Zoals advocaat-generaal DU JARDIN het stelde, is de dwangsom erop gericht om de nakoming van een rechterlijke uitspraak te bekomen. Daar zij verbonden is aan de persoonlijke verplichting van de veroordeelde kan de rechter niet anders dat de dwangsom individualiter uit te spreken
(8). Indien de verplichtingen die rusten op de diverse veroordeelden, in de uitvoering van de hoofdveroordeling, onderscheiden zijn en los van elkaar dienen beoordeeld te worden dan richt de dwangsom zich dan ook tot ieder van hun individueel. Zoals hoger aangegeven hebben de verweersters een duidelijk afgebakende en gescheiden bevoegdheid betreffende de naleving van de hoofdveroordeling. Ieder van de veroordeelden heeft een eigen, individuele, specifieke verplichting in het kader van deze veroordeling, waardoor ieder maar kan gehouden zijn voor tekortkomingen binnen zijn bevoegdheidsdomein. Er zijn immers geen overlappingen. De dwangsom van 100 € betreft ieder afzonderlijk in zoverre zij niet het nodige gedaan hebben binnen hun bevoegdheid. Het is derhalve geen optelsom van de bedragen waartoe elk afzonderlijk gehouden is. Het is de in gebreke blijvende partij die de dwangsom van 100 € verbeurt. In casu is dit tweede verweerster. Zo beiden in hun bevoegdheidssfeer tekort schieten, zijn zij beiden elk gehouden tot de dwangsom van 100 €. Derhalve verantwoorden de appelrechters niet naar recht hun beslissing dat eiser voor de vastgestelde inbreuken gerechtigd is op een dwangsom van 50 € per dag. Het onderdeel is gegrond. Conclusie: Cassatie. ___________________________________
(1)De appelrechters oordelen niet-bekritiseerd, pagina 43 van de bestreden beslissing, dat het een niet-hoofdelijke veroordeling is.
(2)K. WAGNER, Dwangsom, Kluwer, Mechelen, 2003, p. 76.
(3)G. BALLON, Dwangsom, Kluwer, Gent, 1980, p. 61.
(4)K. WAGNER, o.c., p. 76.
(5)De appelrechters nemen in aanmerking in hoofde van eerste verweerster, in kader van het naleven van de hoofdveroordeling, geen enkel andere verplichting behoudens deze die op haar, als administratieve overheid, rust, zijnde bij het afleveren van vergunningen de grenzen die gesteld werden in de hoofdveroordeling na te leven.
(6)Eerste verweerster is immers niet enkel bevoegd om de vergunningen af te leveren, maar is tevens gehouden om toe te zien op de naleving van de voorwaarden. Uit de stukken waar uw Hof acht op mag slaan blijkt niet dat het aspect “toezicht” het voorwerp uitmaakte van enige discussie tussen de partijen.
(7)Vonnis rechtbank eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, d.d. 5 januari 2018, p. 19.
(8)Conclusie van advocaat-generaal DU JARDIN, pagina 5, bij het arrest van het Benelux-gerechtshof 17 december 1998, A. 97/3. https://courbeneluxhof.int/arresten/NL/A/A_97_3_285.pdf PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240617.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240617.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div