id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240620.1N.7 Rolnummer: F.21.0034.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra RANSON nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-09-27 Raadplegingen: 455 - laatst gezien 2026-06-19 03:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.7 Fiche 1 Een bewijskrachtig gegeven in de zin van artikel 358, § 1, 4° WIB92 is een bekend, vaststaand en onbetwist feit dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven; een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht, kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De feiten die de belastingplichtige zelf bijbrengt omtrent het bestaan en de inhoud van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering en omtrent de boekhoudkundige en fiscale verwerking van die minnelijke schikking, kunnen als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 in aanmerking komen; voor het in aanmerking nemen van die feiten als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 is niet vereist dat de administratie inzage neemt van het akkoord tussen de procureur des Konings en de belastingplichtige en van de stukken uit het gerechtsdossier waaruit blijkt dat de belastingplichtige de verschuldigde belastingen met inbegrip van de interest heeft voldaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 216bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De geldsom die de dader van een misdrijf met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering aan de Federale Overheidsdienst Financiën stort, beoogt het verval van strafvordering en moet bijgevolg als een ‘transactionele geldboete' in de zin van artikel 53, 6°, WIB92, die niet als beroepskost aftrekbaar is, worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.21.0034.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (…)
- Bespreking van het tweede middel. (…) TWEEDE ONDERDEEL. 3.
- Volgens eiser kon de administratie zonder kennisname van de akte van de Procureur des Konings opgemaakt in het kader van artikel 216bis § 2 Sv. de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet als bewijs gebruiken. Volgens eiser konden de appelrechters dan ook niet naar recht oordelen dat op het ogenblik van het antwoord van de accountant de administratie kennis had van alle gegevens die op zichzelf voldoende bewijskrachtig waren om de taxatie te verantwoorden. (Schending van de artikelen 49, 53, 6°, 183, 358, § 1, 4°, § 2, 3° en 4° WIB92 juncto artikel 216bis Sv.) 3.
- Krachtens artikel 358, § 1, 4°, WIB92 mag de belasting of aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bepaalde termijn is verstreken, ingeval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens. Krachtens artikel 358, § 2, 3°, WIB92 moet de belasting of de aanvullende belasting in voormeld geval worden gevestigd binnen de twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de administratie kennis krijgt van de in § 1, 4°, vermelde bewijskrachtige gegevens. Het Hof oordeelde reeds dat een bewijskrachtig gegeven in de zin van deze wetsbepaling een bekend, vaststaand en onbetwist feit is dat, zonder dat verder onderzoek nodig is, op zich of in combinatie met elementen waarover de administratie al beschikt, uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Een feit dat door de belastingplichtige wordt aangebracht kan een dergelijk bewijskrachtig gegeven vormen
(1). 3.
- Krachtens artikel 216bis, § 2, laatste lid, Sv., in de hier van toepassing zijnde versie, kunnen, indien de procureur des Konings geen akkoord kan acteren, de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet ten laste van de dader worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. Krachtens artikel 216bis, § 6, tweede lid, Sv., in de hier van toepassing zijnde versie, is de minnelijke schikking voor de fiscale of sociale misdrijven waarmee belastingen of sociale bijdragen konden worden omzeild, pas mogelijk nadat de dader van het misdrijf de door hem verschuldigde belastingen of sociale bijdragen, inclusief de interesten, heeft betaald, en de fiscale of de sociale administratie daarmee heeft ingestemd. Deze wetsbepalingen impliceren derhalve dat indien de procureur des Konings geen akkoord met de dader van een fiscaal misdrijf kan acteren, de inhoud van het overleg tussen de procureur des Konings en de dader niet tegen de dader als bewijs kan worden aangewend. Verder volgt uit deze wetsbepaling dat voor het verval van de strafvordering ten aanzien van de dader van een fiscaal misdrijf, vereist is dat het akkoord dat door de procureur des Konings wordt geacteerd, aan de bevoegde rechter wordt voorgelegd, op een ogenblik dat de dader de verschuldigde belastingen inclusief de interesten heeft voldaan. Uit deze wetsbepaling lijkt mij evenwel niet te volgen dat het bewijs van het bestaan en de inhoud van een minnelijke schikking die in toepassing van artikel 216bis Sv. werd gesloten, enkel kan worden geleverd door inzage van het akkoord tussen de procureur des Konings en de dader van een fiscaal misdrijf en van de stukken uit het gerechtsdossier waaruit blijkt dat de dader de verschuldigde belastingen met inbegrip van de interesten heeft voldaan. De elementen die de belastingplichtige zelf bijbrengt omtrent het bestaan en de inhoud van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 216bis Sv. en omtrent de boekhoudkundige en fiscale verwerking van die minnelijke schikking, kunnen m.i. evenzeer als bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 in aanmerking genomen worden. Opdat een gegeven als bewijskrachtige gegeven in de zin van artikel 358, § 2, 3°, WIB92 kan worden aangemerkt komt het dan ook niet noodzakelijk voor dat de administratie inzage neemt van het akkoord tussen de procureur des Konings en de belastingplichtige en van de stukken uit het gerechtsdossier waaruit blijkt dat de belastingplichtige de verschuldigde belastingen met inbegrip van de interesten heeft voldaan. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht.
- Bespreking van het derde middel. VIERDE ONDERDEEL. 4.
- Eiser voert in het vierde onderdeel aan dat de appelrechters, door te oordelen dat de geldsom betaald in het kader van de toepassing van artikel 216bis Sv. niet onder het toepassingsgebied van artikel 53, 6° WIB92 valt aangezien een dergelijke geldsom geen straf is, dus geen geldboete (transactioneel of niet) of straf van alle aard, de artikelen 53, 6° en 183 WIB92 jo. artikel 216bis Sv, schenden, evenals het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk belastingwetten strikt moeten worden uitgelegd en de artikelen 170 en 172 G.W. Volgens eiser heeft de geldsom opgelegd in art. 216bis Sv. wel degelijk het karakter van een "geldboete, met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard" in de zin van art. 53, 6° WIB
- 4.
- Artikel 53, 6° WIB92 in zijn toepasselijke versie bepaalt dat niet als beroepskosten worden aangemerkt: “6° geldboeten met inbegrip van transactionele geldboeten, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30”. 4.
- De rechtsvraag die zich stelt, is of een geldsom die de (vermeende) dader van een misdrijf in uitvoering van een minnelijke schikking met het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 216bis Sv. heeft betaald als een geldboete in de zin van artikel 53, 6°, WIB92 moet worden beschouwd en derhalve niet aftrekbaar is. Het Hof heeft zich tot nu toe niet over deze vraag uitgesproken. Het belang van deze rechtsvraag situeert zich enkel nog in de periode voorafgaand aan 10 januari 2022, zijnde de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van de programmawet van 27 december 2021
(2), waarbij in artikel 53, 6° WIB92 uitdrukkelijk werd ingeschreven dat de geldsommen bedoeld in artikel 216bis Sv. geen beroepskosten vormen
(3). 4.3.1. Een eerste lezing van het te dezen toepasselijke artikel 53, 6°, WIB92 lijkt te suggereren dat de geldsommen betaald in uitvoering van een minnelijke schikking in de zin van artikel 216bis Sv. niet onder het aftrekverbod vallen. Artikel 53, 6°, WIB92 heeft het immers over ‘geldboeten’, ‘verbeurdverklaringen’ en ‘straffen van alle aard’. Evenwel bepaalt artikel 53, 6°, WIB92 dat onder geldboeten ook de ‘transactionele geldboeten’ moeten worden begrepen. De memorie van toelichting van het artikel dat aan de oorsprong ligt van artikel 53, 6°, WIB92 zegt over de draagwijdte van de begrippen gebruikt in deze wetsbepaling enkel het volgende: “Feitelijk bevestigt deze tekst de ter zake geldende rechtspraak. Hieromtrent wordt gepreciseerd dat door de term “straffen van alle aard” niet bedoeld worden de belastingverhogingen betreffende die belastingen en taksen welke, volgens hetgeen voorafgaat, de aard van bedrijfsuitgaven zullen behouden. Zoals thans zullen deze verhogingen, evenals de hoofdsom, van de inkomsten mogen worden afgetrokken, daar zij een integrerend deel van die belasting of taks uitmaken” (eigen onderlijning)
(4). Nu blijkt dat volgens ter zake geldende rechtspraak op dat moment ‘de som welke de wet in sommige gevallen aan de beklaagde toelaat aan de Staat te betalen om de door het Openbaar Ministerie ingestelde vorderingen te niet te doen, evenmin als de straf welke zij vervangt, een bedrijfsuitgave kan uitmaken met het oog op het verkrijgen en behouden van de inkomsten van de belastingplichtige’. De desbetreffende rechtspraak benoemt deze sommen ook als ‘transactionele geldboeten’. Er kan enerzijds verwezen worden naar een arrest van het Hof van 10 januari 1944
(5), en anderzijds naar een arrest van het hof van beroep te Brussel van 1 april 1927, in navolging waarvan ook de fiscale administratie in een Aanschrijving van 18 juli 1941 (nr. 36.959)
(6)het standpunt had ingenomen dat ‘administratieve geldboeten transactioneel bepaald’ uit de kosten moeten worden geweerd. Deze rechtspraak waarnaar in de memorie van toelichting wordt verwezen, vormt een argument om te stellen dat de wetgever wel degelijk de bedoeling had om de geldsommen betaald in uitvoering van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 216bis Sv. onder het aftrekverbod van artikel 53, 6°, WIB92 te laten vallen. 4.3.2. De parlementaire voorbereiding lijkt er mij weinig twijfel over te laten bestaan dat de wetgever de geldsom betaald in toepassing van artikel 216bis Sv. als een geldboete (financiële sanctie) heeft beschouwd. De door eiser in zijn voorziening aangehaalde uittreksels uit de parlementaire voorbereiding spreken op dat vlak voor zich. Gezien de aard van de procedure (het akkoord van de verdachte/inverdenkinggestelde met het door de procureur des Konings gedane voorstel is vereist) is de in toepassing van artikel 216bis Sv. betaalde geldsom m.i. beschouwen als een transactionele geldboete. Dit standpunt lijkt bevestiging te vinden in de parlementaire voorbereiding waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de transactiemogelijkheden in de materie van Douane en Accijnzen (artikel 263 Algemene wet Douane en Accijnzen)
(7). Deze transactie kan enkel betrekking hebben op de geldboete, de verbeurdverklaring en het sluiten van inrichtingen inzake douane en accijnzen. Het Hof oordeelde hierover dat deze transactie nooit betrekking kan op hebben op de verschuldigde belastingen
(8). 4.3.3. In een arrest van 20 december 2012 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 53, 6°, WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in de interpretatie dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt
(9). Dit arrest werd gewezen in antwoord op een prejudiciële vraag waarmee de verwijzende rechter poogde te vernemen of het artikel 53, 6°, WIB92 bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat dit artikel betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met inbegrip van boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar zouden zijn. Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat in die interpretatie artikel 53, 6°, WIB92 tot gevolg heeft dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden behandeld: enerzijds, de belastingplichtigen aan wie de Europese Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt. Het Grondwettelijk Hof oordeelt verder: “B.
- Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
- Om de in B.13 en B.14 uiteengezette redenen, zou de mogelijkheid om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zijn met het Unierecht. B.
- Aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, is het redelijk verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten. B.
- Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, in zoverre zij de twee in B.16 vermelde categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze behandelt, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”. Het lijkt mij dat in de thans voorliggende zaak een soortgelijke redenering moet worden toegepast teneinde tot een grondwetsconforme uitlegging te komen van artikel 53, 6° WIB
- Een grondwetsconforme uitlegging van artikel 53, 6°, WIB92 lijkt mij te impliceren dat de geldsom die door de belastingplichtige in uitvoering van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 216bis Sv. aan de Federale Overheidsdienst Financiën wordt betaald, als een transactionele geldboete in de zin van die wetsbepaling moet worden beschouwd en derhalve niet als beroepskost aftrekbaar is, net zoals de geldboete betaald naar aanleiding van eenzelfde fiscaal misdrijf die door de strafrechter wordt opgelegd, eveneens onder die wetsbepaling valt en dus niet als beroepskost aftrekbaar is. Aldus zouden twee categorieën van belastingplichtigen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden op identieke wijze worden behandeld: enerzijds, de belastingplichtigen die in het kader van een voorstel van minnelijke schikking door het openbaar ministerie een geldsom betalen in ruil voor het verval van de strafvordering en anderzijds, de belastingplichtigen aan wie de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt. Deze identieke behandeling lijkt mij redelijk verantwoord aangezien de mogelijkheid om de betaalde geldsom in het kader van de toepassing van artikel 216bis SV. af te trekken tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd. De aftrek als beroepskost doet dan ook afbreuk aan de bedoeling van de wetgever dat de procureur des Konings bij het formuleren van een voorstel tot minnelijke schikking de proportionaliteit ten aanzien van de ernst van de inbreuk in acht zou nemen bij de vaststelling van de geldsom die als vermogenssanctie wordt opgelegd
(10). 4.
- Gelet op wat voorafgaat meen ik dat de geldsom die de dader van een misdrijf in toepassing van artikel 216bis Sv. aan de Federale Overheidsdienst Financiën stort, en die het verval van strafvordering beoogt als een ‘transactionele geldboete’ in de zin van artikel 53, 6°, WIB92 moet worden beschouwd die niet als beroepskost aftrekbaar is. Het onderdeel komt mij gegrond voor. 4.
- De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden.
- Besluit: Vernietiging. ______________________________________
(1)Cass. 25 november 2022, AR F.22.0016.N, AC 2022, nr. 767, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.4.
(2)BS 31 december 2021.
(3)Art. 53, 6° WIB92 luidt sindsdien als volgt: “geldboeten met inbegrip van transactionele geldboeten, administratieve geldboeten opgelegd door overheden, zelfs wanneer deze geldboeten niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben en zelfs wanneer hun bedrag is berekend op basis van een aftrekbare belasting, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30, verhogingen van sociale bijdragen, fiscale of sociale regularisatieheffingen, alsook de geldsommen zoals bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering”.
(4)Zie Memorie van Toelichting bij het Wetsontwerp van 16 januari 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen, Parl.St. Kamer, zitting 1961-1962, nr. 264/1, p. 71.
(5)Cass. 10 januari 1944, Bull.Bel. nr. 195, p. 118.
(6)Brussel, 1 april 1927, (zie Bull.Bel. nr. 163, p. 416)
(7)Parl. St. Kamer 2010-2011, nr. 53-1208/007, p. 22.
(8)Cass. 19 oktober 1982, AR 7106, Pas. 1982, I, nr. 120, ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19821019.4.
(9)GwH, 20 december 2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.161.
(10)Parl. St. Kamer 2010-2011, nr. 53-1208/007, p. 29, 31. Zie ook art. 216bis, § 1, 4de lid waarin bepaald wordt dat de geldsom in verhouding dient te staan tot de zwaarte van het misdrijf. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240620.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19821019.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.4 ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div