← België

B. contra HET VLAAMSE GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 Rolnummer: P.24.0211.N Zaak: B. contra HET VLAAMSE GEWEST Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-09-25 Raadplegingen: 795 - laatst gezien 2026-06-18 18:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.28 Fiches 1 - 3 Volgens artikel 148, eerste lid, Grondwet zijn de rechtszittingen van de rechtbanken openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden; artikel 190, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voegt hieraan toe dat de openbare behandeling is voorgeschreven op straffe van nietigheid; de openbaarheid van een rechtszitting moet worden vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting of in het vonnis of arrest; minstens moet het Hof de naleving van dat vormvereiste kunnen nagaan aan de hand van de stukken van de rechtspleging

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 148 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 148 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 148 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRIFFIE. GRIFFIER Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 148 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 190, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 10 Wanneer de beklaagde bij conclusie aanvoert dat de resultaten van een huiszoeking niet in aanmerking komen als bewijs, omdat de huiszoekingen met toelating van de onderzoeksrechter en de politie werden gefilmd door een TV-cameraploeg in strijd met het recht op privacy, de onschendbaarheid van de woning en het geheim van het onderzoek en die onregelmatigheid opzettelijk werd begaan, is de beslissing die steunt op de redenen dat 1°de vaststelling dat een onderzoeksmaatregel een inbreuk uitmaakt op artikel 8 EVRM niet impliceert dat de betrouwbaarheid van het bewijs wordt aangetast of het gebruik van het aldus verkregen bewijs een inbreuk uitmaakt op het recht op een eerlijk proces, 2°er geen enkele reden is om aan te nemen dat de onderzoekers met enige grove nalatigheid laat staan opzettelijk te werk gingen, maar integendeel binnen hun wettelijk omschreven respectieve bevoegdheden bleven en 3°er geen gegevens bekend zijn waaruit een deloyale of onprofessionele houding van de onderzoekers zou blijken, niet regelmatig met redenen omkleed
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de conclusie P.24.0211.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het effect van het toelaten van een TV-cameraploeg bij de uitvoering van een geldig bevolen huiszoeking op de toelaatbaarheid als bewijs van de resultaten van de huiszoeking (art. 32 V.T. Sv.)”.
  1. Bestreden arrest.
  2. Het openbaar ministerie stelde de strafvordering in tegen eisers wegens volgende strafbare feiten, in de periode van 1 januari 2017 tot 12 december 2018: C.5-7: Bendevorming, meer bepaald deel uitmaken van een vereniging die erop is gericht inbreuken te plegen op het Jachtdecreet, het Soortenbesluit en het Natuurdecreet (art. 322-324 Sw.), E.2 Het voorhanden hebben van een jachtwapen Blazer voorzien van een verboden warmtecamera en een schroefdraad om een geluidsdemper te plaatsen (o.a. art. 3, 8 en 23 Wapenwet 2006), F: Jagen (van vossen) na zonsondergang en voor zonsopgang (art. 16.6.1, § 1 Decreet Milieubeleid van 5 april 1995), G.3-5: Inbreuken op artikelen 17 en 31/2, 6° Besl. Vl. 15 mei 1999 m.b.t. soortenbescherming en soortenbeheer, namelijk het houden, kweken en uitzetten van muntjakken, als invasieve uitheemse soort (met als strafbaarstelling art. 16.6.1, § 1 Decreet Milieubeleid van 5 april 1995), H.2-3: Illegale vleesverwerking thuis van ongekeurd klein en grof wild (art. 4 EG Verordening 853/2004 en art. 9, § 3 Wet Voedselveiligheid van 22 februari 2001), K.1-6: het uitzetten van fazanten (art. 29 Jachtdecreet 24 juli 1991 en art. 16.6.1, § 1 Decreet Milieubeleid van 5 april 1995), L.1: niet toegestane middelen (een mistnet) voor het doden of vangen van wild (art. 16.6.151 Decreet Milieubeleid van 5 april 1995), M: als openbaar ambtenaar schuldig zijn aan misdrijven die hij had moeten vaststellen of vervolgen (art. 266 Sw.), meer bepaald het gedogen van muntjakken en het uitzetten van fazanten; N: bezit van specimens van beschermde diersoorten (art. 12 17 en 31/2, 6° Besl. Vl. 15 mei 1999 m.b.t. soortenbescherming en soortenbeheer en art. 16.6.3ter Decreet Milieubeleid van 5 april 1995); O: het bezit van verboden stroppen en veerklemmen (art. 19 Jachtdecreet en art. 16.6.1, § 1 Decreet Milieubeleid van 5 april 1995) en P: het houden van hertachtigen (muntjakken) zonder identificatie en registratie (art. 5 en 19 KB 3 juni 2017 en art. 3 en 23 Dierengezondheidswet).
  3. Het bestreden arrest bevestigt de vrijspraken van eisers 1, 2 en 3 voor feiten van bendevorming (C) en veroordeelt hen tot volgende hoofdstraffen voor de bewezen verklaarde feiten: eiser 1: 12 maanden gevangenisstraf met uitstel voor drie jaar voor het deel dat de voorlopige hechtenis te boven gaat en een geldboete van 4.000 euro, wegens tel. E2, F5, G3, H2, K1 en L1; eiser 2: zelfde straffen wegens tel. G4, K2 en M: eiser 3: 10 maanden gevangenisstraf met uitstel 3 jaar en 4.000 euro wegens tel. G5, H3, N, O1 en P
  4. Eisers 4 en 5 werden wegens feiten resp. K5 en K6 veroordeeld tot een geldboete van 4.000 euro
(1). Op burgerlijk gebied werd alleen de uitspraak bevestigd van veroordeling van eiser 1 tot een provisionele schadevergoeding aan het Vlaams Gewest en het aanhouden van de burgerlijke belangen. Verder werd eiser 1 veroordeeld tot de kosten van de vordering in hoger beroep en de rechtsplegingsvergoeding van 225 euro.
  1. Openbaarheid van de rechtszitting.
  2. De verplichting voor hoven en rechtbanken om zaken openbaar te behandelen, tenzij bij gevaar voor de (openbare) orde of de goede zeden, is een essentiële waarborg die is voorgeschreven door de artikelen 148, eerste lid, Grondwet en 190, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Daarnaast is de openbaarheid van de debatten beschermd door art. 6.1 EVRM, dat evenwel ruimere uitzonderingen op deze regel toelaat
(2). Volgens art. 190, eerste lid, Sv., verloopt de terechtzitting in het openbaar, op straffe van nietigheid. Uit de stukken van de rechtspleging, waarop het Hof vermag acht te slaan, moet blijken dat aan die vereiste is voldaan, zo niet is er grond tot cassatie
(3). Het gaat daarbij om het proces-verbaal van de rechtszitting en de rechterlijke beslissing over het verloop van de debatten
(4). 4. De vaststellingen over het verloop van de rechtszitting die de griffier opneemt in het proces-verbaal van de rechtszitting, hebben een authentieke bewijswaarde, die enkel door het instellen van een ontvankelijke valsheidsvordering kan worden ontkracht
(5). Per zaak en per rechtszitting stelt de griffier een proces-verbaal op van het verloop van de terechtzitting en de nageleefde formaliteiten, als authentieke akte
(6). Deze regel wordt afgeleid uit artikel 190ter Sv., niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, dat stelt: “de processen-verbaal van de terechtzitting worden bij het dossier van het geding gevoegd”
(7). Daaruit volgt m.i. niet dat als een proces-verbaal van één terechtzitting geen vermelding bevat over de openbaarheid van de debatten, en de zaak in voortzetting wordt gesteld, het naleven van deze vereiste alleen kan blijken door nazicht van dat proces-verbaal en de rechterlijke beslissing. Van belang zijn ook de vaststellingen in het proces-verbaal van de rechtszitting waarop de zaak in voortzetting is behandeld, als stuk van de rechtspleging. Uit de samenlezing van beide stukken, opgesteld door dezelfde griffier, kan m.i. blijken dat essentiële vormvereisten zoals de openbaarheid van de debatten wel zijn nageleefd. Het feit dat alleen het proces-verbaal van de terechtzitting van de voormiddag een authentieke bewijswaarde heeft over het verloop van die terechtzitting, en de rechterlijke beslissing daarover geen informatie bevat, doet niet anders besluiten. Ook aan de vaststellingen in het proces-verbaal van de terechtzitting van het debat in voortzetting (van de namiddag) over de vermelding van de openbaarheid van de rechtszitting in de voormiddag kan een bewijswaarde worden toegekend, weliswaar niet authentiek. 5. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 december 2023, in de voormiddag, stelt na gedeeltelijke behandeling de zaak in voortzetting naar de openbare terechtzitting zitting van de namiddag, om 14.00u (st. 37). Het stuk vermeldt niet dat de zitting in de voormiddag in openbare terechtzitting was behandeld. Ook het bestreden arrest stelt de openbaarheid van die rechtszitting niet vast, als authentieke akte
(8). Het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 december 2023, in de namiddag vermeldt evenwel dat de zaak “in voortzetting staat van de openbare terechtzitting deze voormiddag” (st. 38)
(9). Uit dit latere stuk, dat niet wordt tegengesproken door andere gegevens waarmee het Hof mag rekening houden, blijkt naar mijn mening dat de rechtszitting in de voormiddag van 14 december 2023 openbaar was, en het Hof daarop zijn wettigheidscontrole kan uitoefenen
(10). Het eerste middel over art. 148 Grondwet en artt. 190 en 211 Wetboek van Strafvordering kan bijgevolg niet worden aangenomen.
  1. De toelaatbaarheid als bewijs van de resultaten van de huiszoeking waarbij de vaststellingen met goedkeuring van de onderzoekers werden gefilmd door een TV-cameraploeg.
  2. In een tweede middel komen eisers op tegen het oordeel dat de resultaten van de huiszoekingen bij eiser 3 en twee andere personen (F.V en J.B.) als bewijs worden toegelaten, ondanks de begane onregelmatigheid, die erin bestaat dat de huiszoekingen werden gefilmd door journalisten zonder toestemming van de betrokkenen. Het gebruik van dit bewijs is in strijd met het recht op een eerlijk proces, omdat de opsporende instanties door het toelaten of gedogen van de cameraploeg bij de huiszoeking de onschendbaarheid van de woning, het recht op eerbiediging van het privé-leven en het geheim van het onderzoek flagrant hebben miskend. Deze miskenning kan niet anders dan duiden op opzet of op zijn minst grove onachtzaamheid, die afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces van eisers, gewaarborgd door de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR. De redenen van het arrest over het ontbreken van opzet of grove nalatigheid bij de onderzoekers, het respecteren van wettelijke bevoegdheden en de afwezigheid van een deloyale of onprofessionele houding laten niet toe aan te nemen dat het gebruik van de resultaten van de huiszoekingen verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces van eisers (eerste onderdeel). Verder bevat het arrest geen antwoord op het verweer van eisers over het opzettelijk karakter van onregelmatigheden begaan bij de huiszoeking, meer bepaald het niet-vermelden in de processen-verbaal van de huiszoeking van de aanwezigheid van een commerciële filmploeg en de bespreking van de zaak in het kabinet van de onderzoeksrechter voorafgaand aan de huiszoekingen, eveneens gefilmd, zonder dat de betrokkenheid van de filmploeg in een proces-verbaal is vermeld (tweede onderdeel). Tenslotte bevat het arrest geen antwoord op het verweer van eisers dat de strafvordering niet-ontvankelijk is, wegens een fundamentele schending van hun rechten van verdediging, als gevolg van een miskenning van het geheim van het onderzoek en het recht op privacy (derde onderdeel).
  3. Beoordeling. Volgens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt tot nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselement enkel besloten als 1° de na te leven vormvoorwaarde is voorgeschreven op straffe van nietigheid, 2° de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of 3° het gebruik van het onregelmatig bekomen bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces
(11). Het Hof stelt dat een proces niet langer eerlijk is wanneer het bewijs dat ondanks zijn onregelmatigheid ontvankelijk wordt verklaard, het risico inhoudt van een veroordeling op grond van twijfelachtige gegevens, terwijl de partij tegen wie ze worden aangevoerd in de onmogelijkheid verkeert ze op nuttige wijze tegen te spreken en de waarheid te herstellen
(12). De regel over bewijsuitsluiting van art. 32 V.T. Sv. geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht, zoals het recht op eerbiediging van de privacy (artt. 8 EVRM en 22 Gw) of de onschendbaarheid van de woning (art. 15 Gw)
(13). 8. Vooreerst rijst de vraag naar de draagwijdte van de regel over de uitsluiting van onregelmatig bekomen bewijs. Moeten ook onregelmatigheden die alleen verband houden met de wijze van uitvoering van een regelmatig bevolen onderzoeksdaad aan de drie criteria van art. 32 V.T. Sv. worden getoetst? Het 2e middel, 1e onderdeel, houdt geen betwisting in van de regelmatigheid van de huiszoekingsbevelen, afgeleverd door de onderzoeksrechter, en van de vaststellingen gedaan binnen de perken van het huiszoekingsbevel. Eisers komen op tegen de beslissing dat de resultaten van de huiszoekingen zijn toegelaten als bewijs, in hun nadeel. Het Hof nam reeds aan dat het de rechter staat de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM of 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan
(14). 9. De term ‘bewijselement’ van art. 32 V.T. Sv. is vatbaar voor interpretatie en is naar mijn mening alleen aan de orde als de begane onregelmatigheid in de opsporing bewijs à charge heeft opgeleverd, de onregelmatigheid een impact heeft op de vaststellingen die als bewijs in aanmerking komen. Het Hof gaf aan dat de rechter op grond van art. 32 V.T. Sv. onaantastbaar oordeelt of het gebruik van bewijs dat verkregen is door een onregelmatigheid waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste is miskend en het bewijs niet onbetrouwbaar is geworden, in strijd is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel
(15). De band tussen fouten van opsporingsinstanties en verkregen bewijselementen ontbreekt wanneer leden van een televisieploeg zich beperken tot het filmen van de huiszoeking. De inbreuk op het geheim van het onderzoek en het recht op privacy van de bewoner (doorgaans een verdachte) heeft bij dit passief optreden van derden geen nadelig effect op de kwaliteit van het bekomen bewijs, zoals de vaststellingen in het proces-verbaal en inbeslagnames, of op het recht op tegenspraak van de beklaagde. 10. In de hypothese van een TV-cameraploeg die enkel gebeurtenissen ter plaatse registreert en de beelden nadien uitzendt, is er voor de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht van verdediging geen verschil tussen het geval de politie in het geheim de onderzoeksdaad verricht, dan wel vaststellingen deed met in haar kielzog een cameraploeg. Een gelijkaardig probleem is aan de orde als de politie tijdens de uitvoering van een regelmatig bevolen huiszoeking ongeoorloofd geweld zou hebben gebruikt tegen persoon die in het pand aanwezig was, zonder dat dit geweld gericht was op het afdwingen van bekentenissen of het overmaken van belastende bewijsstukken. Dergelijk gebruik van geweld is in strijd met de deontologische code van de politie
(16)of met de vereisten die voortvloeien uit art. 3 EVRM
(17)en kan aanleiding geven tot straf-of tuchtsancties tegen de politieambtenaren, maar doet daarom nog geen afbreuk aan de regelmatigheid van bewijselementen ontdekt tijdens de huiszoeking. Een onregelmatigheid die alleen verband houdt met de wijze waarop een wettelijk toegelaten onderzoeksdaad is uitgevoerd, zoals het gedogen van een filmploeg tijdens een huiszoeking zonder toestemming van een bewoner, houdt in de regel niet in dat de rechter het bekomen bewijs moet weren omdat daardoor de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast of het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel
(18)onherroepelijk is miskend. 11. Er is m.i. wel reden tot uitsluiting als de onregelmatigheid begaan tijdens de uitvoering van een regelmatig bevolen onderzoeksdaad in strijd is met vormvereisten voorgeschreven op straffe van nietigheid of de onregelmatige handeling toch een bewijselement heeft opgeleverd, dat tegen de beklaagde wordt aangewend. In het tweede geval is het voor bewijsuitsluiting wel vereist dat die onregelmatigheid een nadelig effect heeft op de kwaliteit van het bewijs of dat het gebruik van het onrechtmatig bekomen bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces, in zijn geheel beschouwd
(19). De feitenrechter oordeelt onaantastbaar over deze voorwaarden die voortvloeien uit art. 32 V.T. Sv., aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(20).
  1. De vraag of de opsporingsinstantie louter bij de uitvoering van een toegelaten onderzoeksdaad opzettelijk of door grove nalatigheid een fout begaat, zoals het laten filmen van een huiszoeking door journalisten in strijd met het recht op privacy, lijkt mij zonder belang voor de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijs bekomen door deze onderzoeksdaad, wanneer de onregelmatigheid het vergaren van het bewijs geenszins heeft beïnvloed. Ook de vraag of de onregelmatigheid begaan in die omstandigheden een ernstige dan wel minieme miskenning inhoudt van de onschendbaarheid van de woning, het recht op eerbiediging van het privéleven of het geheim van het strafonderzoek, is dan zonder belang voor de beoordeling van de regelmatigheid van het bekomen bewijs.
  2. Indien de onderzoeksrechter of de politie overleg zou hebben gepleegd met leden van de TV-cameraploeg over hoe de huiszoeking concreet moet worden uitgevoerd, of welke vaststellingen er nodig zijn, liggen de kaarten anders. De regie over de opsporing verschuift dan voor een deel naar onbevoegde derden. In dit geval kan men aannemen dat de begane onregelmatigheid, in strijd met o.a. het geheim van het onderzoek, wel een (nadelige) invloed heeft op de resultaten van de huiszoeking als bewijselement. De ongeoorloofde inmenging van derden in de bewijsgaring is in die context van aard om de betrouwbaarheid aan te tasten van de resultaten van een onderzoeksdaad en/of een belemmering te vormen voor het recht van verdediging van de beklaagde (wie heeft wat precies vastgesteld? Is een vaststelling van de politie authentiek of bijgekleurd op aanwijzingen van een lid van de cameraploeg?). Het is dan aan de strafrechter om de criteria van de betrouwbaarheid van het bewijs en het recht op een eerlijk proces in de concrete omstandigheden van de zaak te beoordelen, om al dan niet te besluiten tot uitsluiting van het onregelmatig bekomen bewijs. Van belang voor dit aspect is het arrest van uw Hof van 8 november 2005, aangehaald door eisers, over een verkeersovertreding die was vastgesteld door agenten die “live” werden gevolgd door leden van een televisieproductiehuis. De correctionele rechtbank heeft de strafvordering niet-ontvankelijk verklaard, wegens schending van art. 8.2 EVRM, omdat het prerogatief van de politie doelbewust gedeeld werd met derden die van meet af aan op een actieve wijze bij de initiële opsporingsfase werden betrokken. Het Hof oordeelde dat de afweging door de appelrechter tussen het recht op privacy en de ernst van de begane verkeersovertreding naar recht verantwoord is, en verwierp het cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie
(21). 14. Ik deel de mening van eisers dat het toelaten of gedogen dat een privé-cameraploeg bij de uitvoering van een huiszoeking aanwezig is, een “evidente schending inhoudt van zowel de onschendbaarheid van de woning en het recht op eerbiediging van het privéleven als het geheim van het onderzoek”. Het geheim van het onderzoek is een essentiële norm in het strafprocesrecht, weliswaar niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, die nodig is voor de kwaliteit van het onderzoek en tegelijk de bescherming van het vermoeden van onschuld en de privacy van de verdachte
(22). Wanneer er aan het vooronderzoek geen ruchtbaarheid wordt gegeven, buiten het geval van persconferenties in het openbaar belang (art. 28quinquies en 57 Sv.), kan het inwinnen van bewijsgegevens niet door derden wordt gehinderd of beïnvloed, zoals journalisten. Dit komt de efficiëntie van het onderzoek ten goede en zorgt ervoor dat het onderzoek geheel in handen blijft van de onderzoekende magistraat en de politie. Verder kan onnodige publiciteit verleend aan de zaak nadelig zijn voor de reputatie van de verdachte, zelfs als het onderzoek tegen hem geen belastende informatie oplevert. In de ogen van de publieke opinie kan er een zweem blijven hangen dat de verdachte schuldig is aan de onderzochte feiten. 15. Van ieder die beroepsmatig bij de opsporing van misdrijven is betrokken, mag worden verwacht het strafonderzoek af te schermen van de pers. Het doelbewust inschakelen van journalisten bij de uitvoering van onderzoeksdaden, zonder dat die hulp nodig is voor het inwinnen van bewijs (zoals opsporingsprogramma’s), kan onder de noemer vallen van opzet of grove nalatigheid van de opsporingsinstanties, wegens de inbreuk op het geheim van het onderzoek of het recht op eerbiediging van de privacy van o.a. de persoon bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd. Op 21 november 2006 stelde het Hof: “In principe is niet geoorloofd het gebruik van bewijs dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, of een aangever met het oog op het leveren van dat bewijs hebben verkregen ingevolge een misdrijf, met miskenning van een regel van het strafprocesrecht, ingevolge een schending van het recht op privacy, met miskenning van het recht van verdediging of met miskenning van het recht op menselijke waardigheid”
(23). Daaruit volgt evenwel nog niet dat de rechter het bij het onderzoek betrekken van een TV-cameraploeg, in strijd met o.a. art. 8 EVRM, moet sanctioneren met de uitsluiting van de resultaten van het onderzoek, indien de onregelmatigheid in de concrete omstandigheden van de zaak een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van het bewijs verkregen als gevolg van de onregelmatigheid of op het recht op tegenspraak
(24). 16. Hiervoor kan worden verwezen naar rechtspraak van uw Hof in 2023 en 2024 over onregelmatigheden begaan door opzet of grove onregelmatigheden van de speurders, en de impact ervan op de bewijsvoering. Vooreerst stelt het Hof dat voor het oordeel of het gebruik van bewijs dat is verkregen door een onregelmatigheid in strijd is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel, de rechter het opzettelijk begaan van de onregelmatigheid of het handelen uit grove nalatigheid kan betrekken in zijn oordeel als subcriterium. Andere subcriteria voor de beoordeling van de impact van een onregelmatigheid tijdens de opsporing op het recht op een eerlijk proces, als criterium van art. 32 V.T. Sv., zijn volgende omstandigheden: - de ernst van het misdrijf overstijgt veruit de begane onregelmatigheid; - de onregelmatigheid betreft alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf; - de onregelmatigheid heeft een louter formeel karakter, of - de onregelmatigheid heeft geen weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd
(25). 17. Ten tweede leidt opzet of grove onregelmatigheid bij het begaan van een onregelmatigheid in de opsporing niet onvermijdelijk tot uitsluiting van de resultaten als bewijselement, in de zin van art. 32 V.T. Sv. Opzet of grove nalatigheid van de onderzoekende magistraat of de politie in de bewijsgaring, wat indruist tegen de eis van wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyauteit waarmee ze worden verzameld (art. 28bis, § 3 en 56, § 1 Sv.)
(26), is niet de enige factor om uit te maken of het gebruik van het bewijs verkregen door de onregelmatigheid afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces. Het Hof stelde hierover: “Daarbij geldt als uitgangspunt dat opzettelijk begane of daarmee gelijk te stellen onregelmatigheden die getuigen van een grove onachtzaamheid, principieel niet te verenigen zijn met de loyaliteit en de regelmatigheid van de bewijsgaring die in een rechtsstaat moeten kunnen worden verwacht van de vervolgende en opsporende instanties. Bijgevolg is het recht op een eerlijk proces in de regel miskend en moet het onregelmatige bewijsmateriaal uit het debat worden geweerd wanneer deze instanties een opzettelijke onregelmatigheid hebben begaan, dan wel een onregelmatigheid die getuigt van een grove onachtzaamheid, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder hun opdracht, hun handelwijze, de beschikbare informatie en hun normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid
(27). Het is slechts anders wanneer de rechter vaststelt dat deze gevolgtrekking kennelijk onevenredig is met een of meer andere criteria die hij concreet toelicht, in het bijzonder de verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van hetgeen op het spel staat”
(28).
  1. Het bestreden arrest (p. 23-24) neemt aan dat er sprake is van een miskenning van het recht op privacy van de eiser 3 en de personen V. en B., waarvan de woning of aanhorigheden tijdens de huiszoeking van 12 december 2018 werden gefilmd en waarvan achteraf beelden op de televisie werden uitgezonden. De betrokkenen gaven geen toestemming tot het maken van beelden bestemd voor de nationale televisie en die toestemming kan niet zomaar worden afgeleid uit het gebrek aan protest op moment van de huiszoekingen zelf. Het arrest oordeelt dat de begane onregelmatigheid niet als gevolg heeft dat het door middel van deze huiszoekingen verkregen bewijsmateriaal of de vaststellingen in het proces-verbaal van de huiszoekingen onbetrouwbaar is geworden, er een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde is miskend of dat het gebruik van de resultaten van de huiszoeking het recht op een eerlijk proces aantast. Tenslotte oordeelt het arrest, als antwoord op het verweer over het opzettelijke karakter van de onregelmatigheid en de gevolgen ervan op de toelaatbaarheid van het bewijs: “In casu is er geen enkele reden om aan te nemen dat de onderzoekers met enige (grove) nalatigheid laat staan opzettelijk onwettelijk te werk gingen. Zij bleven binnen hun wettelijk omschreven respectievelijke bevoegdheden en er zijn het hof (van beroep) geen gegevens bekend waaruit een deloyale of onprofessionele houding zou blijken”.
  2. Uit deze redenen valt naar mijn mening af te leiden dat de aanwezigheid van een TV-cameraploeg tijdens de uitvoering van een regelmatig bevolen huiszoeking geen (nadelige) invloed heeft op het inwinnen van bewijsgegevens door de onderzoekers en het recht op een eerlijk proces, zodat de onregelmatigheid ontstaan door een miskenning van het recht op privacy van eiser 3 (en V. en B.) geen aanleiding geeft tot nietigheid van de resultaten van de huiszoeking als een ‘bewijselement’ in de zin van art. 32 V.T. Sv. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen. De grief over ‘andere redenen van het arrest om de bij de uitgevoerde huiszoekingen vastgestelde onregelmatigheden te compenseren’, is m.i. bij gebrek aan nauwkeurigheid niet-ontvankelijk.
  3. De motivering over de toelaatbaarheid van het bewijs.
  4. In de memorie van eisers zoals aangehaald in het tweede onderdeel wordt alleen ingegaan op het aspect van het verzwijgen van de tussenkomst van een TV-cameraploeg bij een bespreking voorafgaand aan de huiszoekingen (in het kabinet van de onderzoeksrechter) en tijdens de uitvoering van de huiszoeking, wat volgens eisers een opzettelijke fout of grove nalatigheid van de onderzoekers uitmaakt, met verwijzing naar passages in de beroepsconclusie. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest niet behoorlijk is gemotiveerd, omdat het verweer niet is beantwoord over het opzettelijk karakter van de begane onregelmatigheid, wat blijkt uit het feit dat het filmen van de huiszoekingen en de voorafgaande bespreking door een TV-cameraploeg in geen enkel stuk of proces-verbaal is vermeld. Het verweer stelt niet dat de deelname van leden van een cameraploeg enige invloed had op de beslissing van de onderzoeksrechter tot het verlenen van de huiszoekingsbevelen of op het vergaren van bewijs tijdens de uitvoering van de huiszoekingen
(29).
  1. De redenen (blz. 23-24) dat de onderzoekers binnen hun wettelijke bevoegdheden bleven, er geen gegevens bekend zijn van een deloyale of onprofessionele houding, de bij de huiszoekingen gedane vaststellingen niets aan betrouwbaarheid hebben ingeboet en geen van de processen-verbaal door valsheid zijn aangetast, lijken mij toereikend als antwoord op het verweer. Het onderdeel gaat er immers van uit dat onregelmatigheden begaan tijdens de uitvoering van een onderzoeksdaad, als gevolg van een inbreuk op o.a. het recht op privacy, invloed heeft op het bekomen bewijs en het recht op een eerlijk proces, terwijl uit het arrest valt af te leiden dat dit niet het geval is. Er moest dan ook niet verder worden nagegaan of het gebruik van het bewijs dat onregelmatig is verkregen in strijd is met het recht op een eerlijk proces, en of het subcriterium van het opzettelijk begaan van de onregelmatigheid of de grove nalatigheid daarbij één van de omstandigheden is die de rechter in zijn oordeel moet betrekken. Aldus kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Over de sanctie verbonden aan een onregelmatige handeling die het bewijselement aantast, nam het Hof aan: “Uit artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de onregelmatigheid van een bewijsstuk niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de vervolging maar, wanneer die onregelmatigheid naar recht wordt vastgesteld door de feitenrechter, tot het weren van het onrechtmatige bewijs. De niet-ontvankelijkheid van die strafvordering of van de uitoefening ervan vormt de sanctie van omstandigheden waarin de strafvervolging niet kan worden ingeleid of voortgezet met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces. De niet-ontvankelijkheid van die strafvordering valt dus niet samen met de onregelmatigheid of de nietigheid van de handeling die tijdens de uitoefening ervan is verricht of daartoe aanleiding heeft gegeven. De feitenrechter beoordeelt in feite de gevolgen van de door hem vastgestelde onregelmatigheden op de wijze waarop het recht van de beklaagde op een eerlijk proces nog, of niet meer, kan worden uitgeoefend”
(30). De rechter beoordeelt aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak onaantastbaar de gevolgen die de door hem vastgestelde onregelmatigheid heeft gehad voor de wijze waarop de beklaagde zijn recht op een eerlijk proces al dan niet nog kan uitoefenen, waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven
(31).
  1. Het bestreden arrest stelt vooreerst dat het aanvankelijk proces-verbaal van de natuurinspecteur G.M. niet vals is, het niet blijkt dat deze inspecteur een verhaal zou hebben verzonnen over bedreigingen van T.B. bij het uitbreiden van jachtrechten, met de bedoeling om oneigenlijk een afluistermaatregel te bekomen en de loyauteit van het openbaar ministerie wordt vermoed. Verder oordeelt het arrest (blz. 23-24) dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de onderzoekers met enige (grove) nalatigheid laat staan opzettelijk te werk gingen, in hun wettelijke bevoegdheden bleven en er geen gegevens bekend zijn over een deloyale en onprofessionele houding van de onderzoekers. Een eerlijk proces bleef volgens het hof van beroep mogelijk spijts de opnames van de vaststellingen gedaan bij de huiszoeking. Verder hebben die vaststellingen niets aan betrouwbaarheid ingeboet en is geen van de processen-verbaal door valsheid aangetast (blz. 23).
  2. Het verweer over een begane onregelmatigheid tijdens de huiszoekingen, omdat heel het onderzoek erop gericht is om eiser 1 ‘toch maar van iets te kunnen betichten’, lijkt mij daarmee voldoende te zijn beantwoord. Daarbij is geen antwoord nodig is op argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het derde onderdeel over de motiveringsplicht inzake de opgeworpen sanctie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, kan bijgevolg niet worden aangenomen. (…)
  3. Burgerlijke vordering.
  4. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek is ieder die door zijn foutieve daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid aan een ander schade veroorzaakt, verplicht deze schade te vergoeden. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite over het bestaan van de schade. Het staat evenwel aan het Hof om na te gaan of hij uit zijn vaststellingen wettig heeft afgeleid dat schade bestaat
(32).
  1. Het vierde middel over de motivering van de veroordeling van eiser 1 tot een provisionele schadevergoeding en rechtsplegingsvergoedingen komt mij gegrond voor, wat betreft de schending van art. 149 Grondwet, omdat eiser 1 in conclusie (p.147-148) verweer voerde over het bestaan van schade ten nadele van verweerder in cassatie en het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, en het bestreden arrest daarop niet antwoordt.
  2. Het bestreden arrest stelt enkel dat de bewezen verklaarde telastleggingen lastens eiser 1 in noodzakelijk oorzakelijk verband staan met de schadelijke gevolgen die door verweerder werden geleden en eiser 1 als enige aansprakelijk is voor de geleden schade, en ertoe gehouden is deze schade te vergoeden. Besluit. Er zijn m.i. geen ambtshalve middelen aan te voeren. Gedeeltelijke cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de burgerlijke vordering ingesteld tegen eiser 1, en verwerping van de cassatieberoepen voor het overige. ___________________________
(1)Deze geldboete is een verdubbeling tegenover de geldboete opgelegd in eerste aanleg en is opgelegd zonder vermelding van eenparigheid van stemmen, aangezien in het voordeel van eisers 4 en 5 de gevangenisstraf van drie maanden met uitstel voor 3 jaar, opgelegd in eerste aanleg, niet is bevestigd in het bestreden arrest. Zie hierover Cass. 12 september 1989, AR 2993, AC 1989, nr. 24; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2007, nr. 3054.
(2)J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 78; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina 2022, 745-746; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, 1282-1308.
(3)Cass. 15 mei 1997, AR C.96.0392.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970515.4, AC 1997, nr. 230 (burgerlijke zaak); Cass. 11 januari 1984, AR 3189, AC 1984, 520; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1307. Over aspect stukken van de rechtspleging zie ook Cass. 15 december 2020, AR P.20.1160.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.15, AC 2020, nr. 777, wat betreft de naleving van de identieke samenstelling van het rechtscollege (art. 779 Ger. W.).
(4)Cass. 17 juni 2014, AR P.13.1742.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.2, AC 2014, nr. 434; Cass. 11 januari 1984, AR 3189, AC 1984, 520; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 904; K. VAN HOOGENBEMT en D. DE WOLF, “Commentaar bij art. 190 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 465; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, 1304-1306.
(5)Cass. 9 juni 2015, AR P.14.0580.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.2, AC 2015, nr. 382; Cass. 16 oktober 2007, AR P.07.0668.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.11, AC 2007, nr. 481 ; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier 2006, 166 ; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 998. Over het PV van de rechtszitting als akte die de nodige formaliteiten vaststelt, voor een controle op de regelmatigheid van de rechtszitting, zie Cass. 27 september 2006, AR P.06.1262.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.10, AC 2006, nr. 443.
(6)D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia 2013, 43; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 998.
(7)Zie K. VAN HOOGENBEMT en D. DE WOLF, “Commentaar bij art. 190ter Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 470-472.
(8)Het bewijs dat de vormvereisten van het onderzoek ter terechtzitting zijn nageleefd, zoals de openbaarheid van de debatten, kan blijken uit zowel het proces-verbaal van de terechtzitting als uit de rechterlijke beslissing, zie Cass. 23 april 2024, AR P.24.0369.N, AC 2024, nr. 328, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.4; Cass. 14 maart 2023, AR P.23.0047.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.7, AC 2023, nr. 197; Cass. 7 december 1993, AR 6882, AC 1993, nr. 504; D. DE WOLF, o.c., 2013, 44.
(9)Beide processen-verbaal (st. 37 en 38) zijn opgesteld door dezelfde griffier en ondertekend door de voorzitter van de correctionele kamer van het hof van beroep die de zaak heeft behandeld.
(10)Zie evenwel Cass. 24 november 1930, Pas. 1930, 372 over de vernietiging van de beslissing omdat de eerste twee processen-verbaal van de rechtszitting niets hebben vermeld over de openbaarheid van de debatten. Uit het arrest valt m.i. niet af te leiden of het PV van de derde terechtzitting, dat wel de vereiste van openbaarheid bevat, vermeldt of de zaak in voortzetting is behandeld na de openbare rechtszittingen.
(11)J. DE CODT, “La nouvelle loi sur les nullités : un texte inutile?”, RDPC 2014, 263-264; F. LUGENTZ, “La sanction de l’irrégularité de la preuve en matière pénale après la loi du 24 octobre 2013”, JT 2015, 185-195; F. GOOSSENS, “De Antigoonwet van 24 oktober 2013: we drinken een glas, …en alles blijft zoals het was, of toch niet?”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia 2014, 213-232; T. DECAIGNY, “De stille evolutie inzake de uitsluiting van onbetrouwbaar bewijs”, T. Strafr. 2015, 167-172; B. REYNAERTS, “De sanctionering van het onrechtmatig verkregen bewijs voor de vonnisgerechten”, NC 2013, dossier april 2013, 94-126; S. DE DECKER, “Nietigheden. Commentaar bij art. 32 V.T.Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 121-124; F. LUGENTZ, “Les effets de l’irrégularité de la preuve dans la procédure pénale. Trois ans d’application de la loi du 24 octobre 2013”, JT 2017, 61-68; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 53-103 en 168; M. ROZIE, “Antigoon of het vredesbestand na een tachtigjarige jurisprudentiële oorlog m.b.t. het onrechtmatig verkregen bewijs”, RABG 2018, 672-675; B. VANGEEBERGEN, Het gebruik van inlichtingen in het strafproces, Intersentia 2017, 414-420; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2019, 1366-1377; D. DE WOLF, “Recente ontwikkelingen in het bewijsrecht (2013-2019)”, in Strafrecht in/uit balans, Die Keure 2020, 50-72; P. TERSAGO, Verklaringen van verdachten in het strafproces, Intersentia 2020, 39-86; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1345-1363; M. DALL’ARMELLINA en S. HARDY, “La régularité de la, preuve en droit civil et en droit pénal”, in Responsabilité civile et responsabilité pénale. Regards pratiques, Anthemis 2021, 453-498; J. VAN DONINCK, “Het lot van het onrechtmatig bewijs: een grondslagenonderzoek”, RW 2020-21, 1283-1308; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, Vol. 2, 903-984.
(12)Cass. 4 maart 2015, AR P.14.1796.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.2, AC 2015, nr. 157, JT 2015, 426 noot M.-A. BEERNAERT.
(13)Cass. 21 november 2006, AR P.06.0806.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8, AC 2006, nr. 581; Cass. 19 april 2016, AR P.15.1639.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3, AC 2016, nr. 265, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(14)Cass. 21 november 2006, AR P.06.0806.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8, AC 2006, nr. 581; Cass. 8 november 2005, AR P.05.1106.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.21, AC 2005, nr. 576. Zie ook Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5.
(15)Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, AC 2023, nr. 303, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1730.N, AC 2023, nr. 257, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10.
(16)K.B. van 10 mei 2006 houdende vaststelling van de deontologische code van de politiediensten, BS 30 mei 2006 (art. 49-51).
(17)Over de vereisten van art. 3 EVRM in zaken van klachten van politiegeweld, zie EHRM 21 mei 2024, Bartnik t/België; EHRM 28 september 2015, Bouyid t/België, www.echr.coe.int en o.a. Cass. 2 januari 2024, AR P.23.1288.N, AC 2024, nr. 1, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.3; Cass. 29 november 2022, AR P.22.1077.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3, AC 2022, nr. 780, RW 2022-23, 1495, NC 2023, 367.
(18)Over deze voorwaarde zie Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 709, met concl. OM, RABG 2022, 1375, NC 2023, 270, RW 2023-24, 226, Politie&Recht 2024, 41; Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5; Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1, AC 2019, nr. 363; J. DE CODT, “La nouvelle loi sur les nullités: un texte inutile?”, RDPC 2014, 257; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 97.
(19)Over deze laatste voorwaarde S. VAN OVERBEKE, “Het recht van verdediging: de verdediging van het onrecht?”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 565-567.
(20)Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, AC 2023, nr. 303, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 29 maart 2022, AR P.21.1473.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.26, AC 2022, nr. 223; Cass. 9 maart 2022, AR P.21.1595.F, AC 2022, nr. 181, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220309.2F.6; Cass. 20 april 2021, AR P.21.0030.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.6, AC 2021, nr. 284, NC 2021, 514; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1346-1349.
(21)Cass. 8 november 2005, AR P.05.1106.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.21, AC 2005, nr. 576, T. Strafr. 2006, 85 noot F. SCHUERMANS; S. VAN OVERBEKE, “Het recht van verdediging: de verdediging van het onrecht?”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 565-567. Over de onregelmatigheid ontstaan door de betrokkenheid van een TV-cameraploeg bij de initiële vaststellingen zie ook F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 93.
(22)J.P. MASSON, “Le secret de l’instruction”, RDPC 1981, 393-399; B. DEJEMEPPE, “De wijzigingen t.a.v. het geheim van het onderzoek”, in Het vernieuwde strafprocesrecht, Maklu 1998, 111; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu 2012, 430-431; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 402-404.
(23)Cass. 21 november 2006, AR P.06.0806.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8, AC 2006, nr. 581.
(24)Op de inbreuk tijdens de opsporing op art. 8 EVRM die niet noodzakelijk leidt tot bewijsuitsluiting wegens schending van art. 6 EVRM, zie Cass. 5 juni 2019, AR P.19.0356.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.4, AC 2019, nr. 352, RDPC 2020, 270; Cass. 29 mei 2018 AR P.17.0762.N, AC 2018, nr. 340, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2; Cass. 20 februari 2018, AR P.17.0882.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180220.3, AC 2018, nr. 109; Cass. 19 april 2016, AR P.15.1639.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3, AC 2016, nr. 265, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 21 november 2006, AR P.06.0806.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8, AC 2006, nr. 581; GwH 22 december 2010, arrest 158/2010, www.const-court.be, B.14; EHRM 31 januari 2017, Kaleniene t/België, www.echr.coe.int; F. LUGENTZ, “Preuve irrégulière dont l’usage porte atteinte au droit à un procès équitable: une approche particulière de la sanction en cas d’illégalité commise intentionnellement ou par l’effet d’une négligence grave?”, RDPC 2023, 865; E. DE BOCK, “De huiszoeking : enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht 2023, 73.
(25)Cass. 12 maart 2024, AR P.24.0049.N, AC 2024, nr. 210; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1730.N, AC 2023, nr. 257, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10; Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, AC 2023, nr. 303, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 28 mei 2013, AR P.13.0066.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9, AC 2013, nr. 327, RO 19, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, RW 2013-14, 1620, noot BDS. Zie ook Cass. 12 december 2018, AR P.18.1240.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181212.4, AC 2018, nr. 707 en Cass. 5 mei 2020, AR P.19.1272.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1, AC 2020, nr. 267, RABG 2020, 1409, NC 2021, 33.
(26)Op dit punt zie C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 1394-1395.
(27)Cass. 12 maart 2024, AR P.24.0049.N, AC 2024, nr. 210, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4; Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, AC 2023, nr. 303, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1730.N, AC 2023, nr. 257, RDPC 2023, 861 noot F. LUGENTZ, “Preuve irrégulière dont l’usage porte atteinte au droit à un procès équitable : une approche particulière de la sanction en cas d’illégalité commise intentionnellement ou par l’effet d’une négligence grave?” (863-878), T. Strafr. 2023, é, noot M. VANDERMEERSCH, “Antigoon herzien: zet het Hof van Cassatie het licht op rood? (213-220), RABG 2023, 1659, noot V. VEREECKE, “De Antigoon-toets is geen witwasmachine” (1662-1668).
(28)Cass. 12 maart 2024, AR P.24.0049.N, AC 2024, nr. 210, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4; Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, AC 2023, nr. 303, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1730.N, AC 2023, nr. 257, RDPC 2023, 861 noot F. LUGENTZ, T. Strafr. 2023, é noot M. VANDERMEERSCH, RABG 2023, 1659 noot V. VEREECKE.
(29)De memorie van eisers verwijst naar de beroepsconclusie p. 77-79 van eiser 1, waarin wordt aangegeven dat de processen-verbaal van de huiszoekingen valse stukken uitmaken, omdat doelbewust de aanwezigheid van een TV-cameraploeg werd verzwegen. Verder werd de inhoud van het gerechtelijk onderzoek meegedeeld aan het TV-productiehuis, zonder dat dit in een PV is vermeld, en werd tijdens de huiszoeking aan de betrokkenen niet meegedeeld dat er leden van een TV-productiehuis aanwezig waren.
(30)Cass. 16 december 2020, AR P.20.0818.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.7, AC 2020, nr. 781, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RDPC 2021,
  1. Zie eveneens Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, AC 2022, nr. 27, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., en Cass. 20 november 2018, AR P.18.0688.F, AC 2018, nr. 647, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.
  2. Over de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering zie F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 203-207.
(31)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, AC 2022, nr. 709, met concl. OM, RABG 2022, 1375, NC 2023, 270, RW 2023-24, 226, Politie& Recht 2024, 41.
(32)Cass. 14 november 2014, AR C.13.1441.N, AC 2014, nr. 694, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.28 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970515.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.21 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060927.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.11 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140617.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150609.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180220.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181120.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181212.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.15 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220309.2F.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220329.2N.26 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230314.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240102.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.