id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.1 Rolnummer: C.22.0291.N Zaak: POWERGRAPH bv contra THE BOTTOM LINE nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2024-10-23 Raadplegingen: 479 - laatst gezien 2026-06-18 13:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.1 Fiche 1 Uit de artikelen 821, 1042 en 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de oorspronkelijke eiser zijn hoedanigheid van eiser in de zin van artikel 821 Gerechtelijk Wetboek niet verliest in hoger beroep, ook al is hij in die procedure verwerende partij
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 821 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1042 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 3 De loutere omstandigheid dat een partij heeft berust in de beslissing in eerste aanleg, belet niet dat deze partij in de procedure in hoger beroep afstand van haar rechtsvordering kan doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 821 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1044, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BERUSTING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 821 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1044, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.22.0291.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 21 april
- Door eiseressen worden twee middelen aangevoerd. I. Situering. De eisende partijen en verwerende partijen zijn aandeelhouders van het inmiddels failliet gegane Mediatrader NV. De eisende partijen startten een procedure tegen de verwerende partijen om onder meer een vordering tot uitsluiting zoals bedoeld in de artikelen 2:62 tot en met 2:67 Wetboek van Vennootschappen te richten tegen de verweerders. De ondernemingsrechtbank willigde deze vordering van eiseressen in. De eerste en tweede verweerders stelden onder meer op 13 februari 2020 tegen dit punt van het vonnis hoger beroep in. De derde verweerder stelde op 29 mei 2020 incidenteel hoger beroep in. Na het principaal hoger beroep van 13 februari 2020 werd er stilzwijgend berust in het vonnis door de eiseressen. Alle partijen handhaven eerst tijdens de procedure hoger beroep hun initiële vorderingen. Tijdens de procedure hoger beroep werd een lucratief contract dat bestond tussen Mediatrader NV en Delhaize buitengerechtelijk ontbonden op 22 november 2020 en Mediatrader NV werd op 24 juni 2021 failliet verklaard. In de verdere procedure vraagt de derde verwerende partij in de conclusie van 7 december 2020 de bevestiging van het eerste vonnis die tot zijn uitsluiting als aandeelhouder besliste. De eisende partijen doen op 27 januari 2021 afstand van rechtsvordering en vragen in ondergeschikte orde hun uittreding als aandeelhouder uit Mediatrader NV. De eerste en tweede verwerende partij nemen op 11 februari 2021 een conclusie waarin er gesteld wordt dat ze uitdrukkelijk wensen te berusten in hun uitsluiting als aandeelhouders van Mediatrader nv en vragen ze het vonnis a quo te bevestigen (bevestigd in de conclusie van 25 maart 2021). II. Eerste middel. In het eerste middel verwijten de eiseressen de appelrechters de artikelen 20, 807, 821, 1042, 1044, 1045 en 1068, eerste lid Gerechtelijk Wetboek te hebben geschonden omdat er geoordeeld werd dat de afstand van rechtsvordering geen uitwerking kon krijgen omdat:
- eiseressen in de appelprocedure niet te aanzien zijn als eiser op hoofdeis en dus ook geen afstand van rechtsvordering meer kunnen doen
- eiseressen stilzwijgend hadden berust in het eerste vonnis door uitvoering ervan na het instellen van het hoger beroep door verweerders waardoor eiseressen ook geen toelaatbaar incidenteel hoger beroep kunnen instellen tegen het eerste vonnis en de afstand van rechtsvordering in hoger beroep tot gevolg zou hebben dat er een rechtsmiddel zou worden ingesteld dat niet bij wet is voorzien. II.
- Principes. II.1.
- Afstand van rechtsvordering. Volgens artikel 821 Gerechtelijk Wetboek ziet de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser bij afstand van rechtsvordering af van zowel de rechtspleging als van het recht zelf en doet deze afstand het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht. De afstand van rechtsvordering is een eenzijdige rechtshandeling
(1). Het enkele feit dat een eiser in conclusie afstand doet van zijn rechtsvordering, volstaat echter niet om die afstand uitwerking te laten hebben. De afstand heeft slechts uitwerking nadat hij door de rechter, na toetsing aan de wettelijke voorwaarden, is verleend
(2). Volgens artikel 823, eerste lid Gerechtelijk Wetboek is afstand van rechtsvordering slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken. De afstand van rechtsvordering is niet geoorloofd indien de verzaking aan het recht verboden is omdat de materie de openbare orde raakt
(3). De vordering tot uitsluiting zoals bedoeld in de artikelen 2:62 tot en met 2:67 Wetboek van Vennootschappen, wordt geacht van dwingend recht te zijn maar niet van openbare orde. Voor het ontstaan van het geschil kan een aandeelhouder geen afstand doen van zijn recht om een vordering tot uitsluiting in te stellen
(4). Na het ontstaan van het geschil is dit wel mogelijk
(5). De afstand van rechtsvordering is zowel mogelijk in eerste aanleg als in hoger beroep. Het is immers logisch dat degene aan wie de rechtsvordering toebehoort en vrij is om de rechtsvordering al dan niet in te stellen ook vrij is om te zijnen laste afstand te doen van het geding dat hij zelf begon of zelfs van het recht dat aan de basis van het geding ligt
(6). De afstand van rechtsvordering tijdens de procedure van hoger beroep leidt volgens de schaarse rechtsleer tot een retroactieve verdwijning van de rechtsvordering waardoor de uitgesproken beslissing zonder voorwerp wordt
(7). De afstand van rechtsvordering en de afstand van geding kan overeenkomstig artikel 824 Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Een uitdrukkelijke afstand kan niet worden gedaan namens een partij binnen een mandaat ad litem omdat een bijzonder volmacht is vereist
(8). Maar enkel wanneer er betwisting is over het bestaan van die bijzondere volmacht, mag de rechter onderzoeken of de afstand door de advocaat van een partij over een bijzondere volmacht beschikt
(9). II.1.2. Berusting. De vraag rijst of de stilzwijgende berusting door de eiseressen in het vonnis van 5 februari 2020 invloed heeft op de mogelijkheid van eiseressen om afstand te doen van hun rechtsvordering. De eiseressen bekritiseren trouwens in de cassatievoorziening de vaststelling van de appelrechters dat in hun hoofde sprake is van een stilzwijgende berusting niet. Hierbij moet ook de door de voorziening niet-bekritiseerde en de door de appelrechters gedecreteerde afstand van geding van de verweerders wat betreft de vordering tot uitsluiting in beschouwing worden genomen. Overeenkomstig artikel 1044, lid 1 Gerechtelijk Wetboek is de berusting de proceshandeling waarmee een procespartij afstand doet van het recht om rechtsmiddelen aan te wenden tegen een rechterlijke beslissing
(10). De berusting heeft tot gevolg dat het recht om te handelen van degene die berust uitdooft en houdt in dat deze persoon afstand doet van de rechtsmiddelen tegen alle of sommige punten van het vonnis waarin wordt berust. De berusting is in principe een éénzijdige rechtshandeling
(11). Wanneer de berusting voorwaardelijk is, heeft zij overeenkomstig artikel 1044, lid 2 Gerechtelijk Wetboek alleen dan gevolgen wanneer zij door de tegenpartij wordt aanvaard. Uit Uw rechtspraak blijkt dat een berusting door een gedaagde in hoger beroep slechts voorwaardelijk is, indien ze plaatsvindt vooraleer de tegenpartij haar hoofdberoep heeft ingesteld
(12). Wanneer een berusting door een gedaagde in hoger beroep plaatsvindt nadat de tegenpartij haar hoofdberoep heeft ingesteld, behoudt deze haar uitwerking en kan de gedaagde in hoger beroep, met betrekking tot de beschikkingen waarin hij heeft berust, bijgevolg geen incidenteel beroep meer instellen, ook niet tegen andere procespartijen, voor zover die zelf geen hoger beroep hebben ingesteld na de berusting
(13). In geval van een berusting wanneer een partij reeds een rechtsmiddel heeft aangewend, maakt dit volgens een auteur een afstand van geding uit, zodat toepassing moet worden gemaakt van artikel 825 Gerechtelijk Wetboek en dergelijke afstand slechts gevolgen heeft wanneer die wordt aangenomen door de andere partij of wanneer de rechter daartoe beslist wanneer er betwisting is
(14). De berusting kan volgens artikel 1045 Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn. Wat de uitdrukkelijke berusting betreft is het Uw vaste rechtspraak dat een advocaat niet namens zijn cliënt rechtsgeldig kan berusten in een rechterlijke beslissing, als hij daartoe geen bijzondere volmacht heeft gekregen
(15). Uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat de afstand van het recht om hoger beroep in te stellen strikt moet worden uitgelegd en slechts mag worden afgeleid uit elementen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn. Stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing kan niet worden afgeleid uit de vrijwillige uitvoering van een uitvoerbare rechterlijke beslissing, tenzij in geval van bijzondere omstandigheden die op vaststaande en ondubbelzinnige wijze de afstand van de aanwending van het rechtsmiddel aantonen
(16). De berusting is onherroepelijk
(17). De berusting is bovendien niet ondeelbaar aangezien ze overeenkomstig artikel 1044, lid 1 Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft op alle of op sommige punten van de beslissing
(18). In de regel verzet het onherroepelijk karakter van de berusting die is tussengekomen na het in instellen van het principaal beroep zich volgens mij niet tegen de mogelijkheid voor degene die heeft berust, om alsnog afstand te doen van zijn rechtsvordering. Dit vloeit voort uit de vaststelling dat de afstand van rechtsvordering een eenzijdige rechtshandeling is en niet moet worden aanvaard door de tegenpartij. Men kan in de regel zolang er niet definitief beslist is, beschikken over zijn eigen recht. Er kunnen immers tal van redenen bestaan waarom de eisende partij afstand van zijn recht wil doen bij de rechter in hoger beroep ondanks het feit dat de eerste rechter haar (gedeeltelijk of volledig) gelijk gaf
(19). II.1.3. De afstand van geding. De situatie is volgens mij echter fundamenteel anders wanneer ook de partijen die principaal hoger beroep of incidenteel hoger beroep instelden, zelf wensen te berusten in het vonnis door afstand te doen van het geding in hoger beroep wanneer de gedaagde in beroep stilzwijgend heeft berust na het instellen van het principaal beroep. Een afstand van geding heeft overeenkomstig artikel 820 Gerechtelijk Wetboek niet tot gevolg dat het recht zelf dat ten grondslag ligt van de rechtsvordering wordt prijsgegeven
(20). De afstand belet niet dat de vordering op een later tijdstip terug wordt ingesteld, tenzij de vordering om een andere reden is uitgedoofd. Ingevolge artikel 826 Gerechtelijk Wetboek heeft de afstand van geding terugwerkende kracht. Wanneer de afstand van geding in de procedure hoger beroep plaatsvindt, wordt het beroepen vonnis geacht nooit te zijn in vraag gesteld
(21). Wanneer op het ogenblik waarop afstand van geding in hoger beroep wordt gedaan, hoger beroep niet meer opnieuw kan worden ingesteld omdat de termijn daarvoor is verstreken, komt dit neer op een berusting in het beroepen vonnis
(22). Uit de rechtspraak van uw Hof blijkt eveneens dat wanneer een partij afziet van een geding in hoger beroep, zij het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen niet prijsgeeft, zodat de afstand van geding in hoger beroep op zich niet volstaat om dit te beschouwen als een berusting in het eerste vonnis
(23). Hieruit volgt echter ook dat er wel bijzondere omstandigheden kunnen zijn waaruit men een dergelijke (stilzwijgende) berusting wel kan afleiden. In dit dossier kunnen dergelijke bijzondere omstandigheden gevonden worden in de vaststelling dat verweerders in hun conclusies te kennen geven te willen berusten door de bevestiging te vragen van de door de eerste rechter genomen beslissing met betrekking tot de vordering tot uitsluiting. Zelfs nu het vonnis niet is betekend en de termijn van hoger beroep niet is verstreken, waardoor de afstand van geding in hoger beroep in principe niet belet dat verweerders als nog opnieuw hoger beroep zouden instellen, moet bovendien worden vastgesteld dat Mediatrader nv ondertussen failliet werd verklaard. Het valt volgens mij onmogelijk in te zien in dit geschil welk belang verweerders nog kunnen hebben om uit te treden als aandeelhouder (of opnieuw hoger beroep in te stellen tegen het nog niet betekende vonnis dat hen uitsluit als aandeelhouder), nu de curator het beheer van de gewone vennootschapsorganen heeft overgenomen
(24). Dergelijk gemotiveerde afstand van geding in combinatie met de vaststelling dat Mediatrader nv ondertussen failliet werd verklaard, houdt een berusting in in de beslissing van de eerste rechter wat betreft de uitsluiting als aandeelhouder. Ook deze berusting is onherroepelijk door de bekrachtiging van de afstand van geding door de appelrechters. II.1.
- Besluit. Overeenkomstig artikel 20 Gerechtelijk Wetboek kunnen geen middelen van nietigheid worden aangewend tegen vonnissen en kunnen vonnissen alleen worden vernietigd door rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Artikel 21 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gewone rechtsmiddelen verzet en hoger beroep betreffen en de buitengewone rechtsmiddelen zijn de voorziening in cassatie, derdenverzet, verzoek tot herroeping van gewijsde en verhaal op de rechter. Uit het samenlezen van de artikelen 20, 21, 820, 821, 825, 826, 1044, 1045, 1054 Gerechtelijk Wetboek volgt volgens mij dan ook dat de gedaagde partij in hoger beroep die stilzwijgend berustte in het vonnis van de eerste rechter, geen afstand meer kan doen van haar rechtsvordering in hoger beroep wanneer de partijen die principaal of incidenteel hoger beroep instelden zelf berusten in het vonnis van de eerste rechter door afstand van geding te doen in hoger beroep, omdat dergelijke afstand van rechtsvordering tot gevolg zou hebben dat de beslissing van de eerste rechter ongedaan wordt verklaard terwijl alle partijen hun vaste voornemen hebben betuigd om in te stemmen met de beslissing van de eerste rechter. Op deze manier zou de afstand van rechtsvordering in hoger beroep een niet door de wet bepaald rechtsmiddel vormen tegen het vonnis dat kracht van gewijsde kreeg door de berusting van alle partijen. II.
- Toepassing van de hogervermelde principes in deze zaak. Met de vaststellingen en motivering onder punt 1.
- en punt 2.6 van het bestreden arrest geven de appelrechters te kennen door akte te verlenen aan de afstand van geding dat de verweerders berusten in hun uitsluiting als aandeelhouder uit Mediatrader nv. Met de motivering vermeld op pagina 14, laatste alinea en op pagina 15 van het bestreden arrest verantwoorden de appelrechters dat de door eiseressen gedane afstand van rechtsvordering en van het recht om als aandeelhouders van Mediatrader nv de uitsluiting van de overige aandeelhouders te vorderen, geen uitwerking kan hebben, aangezien alle partijen hebben berust in de beslissing van de eerste rechter, verantwoorden hun beslissing naar recht. III. Het tweede middel. (…) Conclusie: Verwerping. ________________________________________
(1)B. MAES, P. VANLERSBERGHE, N. CLIJMANS en S. VAN SCHEL, Gerechtelijk Privaatrecht… na de hervormingen van 2017-2019, 10de ed., Brugge, Die Keure 2019, 259; H. BOULARBAH en V. GRELLA, “Les incidents de l’instance”, nr. 7.54 in G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire – Tome 2: Procédure civile – Volume 1: Principes directeurs du procès civil Compétence-Action-Instance-Jugement, Brussel, Larcier 2021; B. PETIT, “Titre 4 – DÉSISTEMENTS”, in B. PETIT, Incidents de procédure. Récusation et dessaisissement – Désaveu – Interruption et reprise d’instance – Désistements, Reeks ‘Répertoire pratique du droit belge’, Bruylant, Brussel, 2015, 158 p.; T. DE HAAN, “Les désistements”, JT 2011, 282; S. CNUDDE, “Commentaar bij art. 821 Ger.W.”, randnr. 2, in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln.; S. VAN SCHEL en L. TRUYENS, “Duiding Art. 821”, 789 in P. DAUW, B. DECONINCK en B. WYLLEMAN (eds.), Duiding Burgerlijk Procesrecht – Deel I - Deel II, Intersentia 2021, zie ook Verslag C. VAN REEPINGEN, Ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek, Parl. St. Senaat, 1963-64, nr. 60, 201.
(2)Cass. 15 november 2016, AR P.15.0571.N, AC 2016, nr. 641, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161115.3.
(3)Cass. 23 december 2022, AR F.22.0041.N, AC 2022, nr. 860, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221223.1N.1, met concl. van advocaat-generaal S. RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221223.1N.1; Cass. 9 november 1990, AR 6844, AC 1990, nr. 137; Cass. 10 november 1977, AC 1978, 303.
(4)H. CARPENTIER, “Commentaar bij art. 2:60-2:29 WVV”, 13, randnr. 9. In H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 10 dln..
(5)Zie en vergelijk T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek Verbintenissenrecht (tweede editie), Intersentia 2023, 1004, randnr. 1305.
(6)Pand. Belges, deel 30, V, “Désistements”, kolom 371, randnr. 39.
(7)H. BOULARBAH en V. GRELLA, “Les incidents de l’instance”, nr. 7.57 in G. DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire – Tome 2: Procédure civile – Volume 1: Principes directeurs du procès civil Compétence-Action-Instance-Jugement, Brussel, Larcier, 202; B. PETIT, « Titre 4 – DÉSISTEMENTS », 126, nr. 159 in B. PETIT, Incidents de procédure. Récusation et dessaisissement – Désaveu – Interruption et reprise d’instance – Désistements, Reeks ‘Répertoire pratique du droit belge’, Bruylant, Brussel, 2015, 158 p.; VAN SCHEL en L. TRUYENS, “Duiding Art. 821”, 789 in P. DAUW, B. DECONINCK en B. WYLLEMAN (eds.), Duiding Burgerlijk Procesrecht – Deel I - Deel II, Intersentia 2021; T. DE HAAN, “Les désistements”, JT 2011, 283.
(8)S. CNUDDE, “Commentaar bij art. 824 Ger.W.”, randnr. 2, in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln.
(9)Cass. 25 maart 1994, AR F.1991.N, AC 1994, nr. 147.
(10)B. LAMBRECHT, “Commentaar bij art. 1044 -1045 Ger.W.”, 3, randnr. 1 in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln.
(11)G. CLOSSET-MARCHAL, J.-F. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLIG en A. DECROËS, “Examen de jurisprudence (1993 à 2005) – Droit Judiciaire privé – Les voies de recours”, RCJB 2006, 101, nr. 28; B. LAMBRECHT, “Commentaar bij art. 1044 -1045 Ger.W.”, 4, randnr. 2.
(12)Cass. 19 juni 2015, AR C.14.0214.N, AC 2015, nr. 418, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.3.
(13)Cass. 19 juni 2015, AR C.14.0214.N, AC 2015, nr. 418, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.3,.
(14)B. LAMBRECHT, “Commentaar bij art. 1044 -1045 Ger.W.”, 4, randnr. 2.
(15)Cass. 7 april 2016, AR F.14.0070.N, AC 2016, nr. 242, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.2.
(16)Cass. 7 september 2023, AR C.22.0201.N, arrest niet gepubliceerd, RW 2023-24, 532; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0406.F, AC 2023, nr. 43, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.2; Cass. 24 december 2021, AR C.19.0566.F, AC 2021, nr. 830, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211224.1F.2; Cass. 13 december 2018, AR C.18.0183.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181213.7, AC 2018, nr. 713.
(17)B. LAMBRECHT, “Commentaar bij art. 1044 -1045 Ger.W.”, 4, randnr. 3; G. CLOSSET-MARCHAL, J.-F. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLIG en A. DECROËS, “Examen de jurisprudence (1993 à 2005) – Droit Judiciaire privé – Les voies de recours”, RCJB 2006, 101, nr. 28.
(18)G. CLOSSET-MARCHAL, J.-F. VAN DROOGHENBROECK, S. UHLIG en A. DECROËS, “Examen de jurisprudence (1993 à 2005) – Droit Judiciaire privé – Les voies de recours”, RCJB 2006, 116, nr. 46.
(19)Zie T. DE HAAN, “Les désistements”, JT 2011, 281, nr. 4.
(20)S. CNUDDE, “Commentaar bij art. 820 Ger.W.”, randnr. 2, in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln..
(21)S. CNUDDE, “Commentaar bij art. 826 Ger.W.”, 3, randnr. 1, in P. DEPUYDT, B. ALLEMEERSCH, B. VAN DEN BERGH en S. RAES (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl., 12 dln.; H. BOULARBAH, “Le désistement d’appel et l’acquiescement sont-ils (encore) prohibés en matière divorce”, Div.Act. 2000, p.152.
(22)Cass. 23 juni 2016, AR C.13.0573.N, AC 2016, nr. 417, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1
(23)Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0130.N, AC 2019, nr. 146, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1, met concl. van advocaat-generaal MORTIER; Cass. 23 juni 2016, AR C.13.0573.N, AC 2016, nr. 417, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1; Cass. 11 maart 2010, AR C.09.0347.N, AC 2010, nr. 173, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8.
(24)B. TILLEMAN en W. VAN DE PUTTE, Handboek geschillenregeling in vennootschappen, Intersentia 2023, 77-78; J. VANANROYE, “De vordering tot uittreding of uitsluiting na de ontbinding of het faillissement van de vennootschap”, TRV 2007, 302. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100311.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150619.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160623.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161115.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181213.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211224.1F.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221223.1N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221223.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div