id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 september 202
Art. 187
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 4 De mogelijke onregelmatigheid van de kennisgeving aan de veroordeelde bij toepassing van artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet betreffende het uitgesproken verval van het recht tot sturen, kan geen afbreuk doen aan de onontvankelijkheid van het verzet, die voortvloeit uit het gegeven dat een veroordeelde aan wie de verstekbeslissing in persoon werd betekend en met mededeling van de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend, verzet heeft aangetekend buiten de termijn van vijftien na de betekening in persoon
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.24.0811.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De dubbele kennisgeving van een veroordeling bij verstek in verkeerszaken aan de beklaagde, door de betekening van het verstekvonnis (art. 187, § 1 Sv.) en nadien de kennisgeving van het rijverbod (art. 40 Wegverkeerswet). Heeft een mogelijke onregelmatigheid van de tweede kennisgeving invloed op de (gewone) termijn van verzet, met als beginpunt de dag na de betekening?”.
- Eiser werd bij vonnis van de politierechtbank te Antwerpen, afd. Antwerpen, van 24 maart 2022 bij verstek veroordeeld wegens een snelheidsovertreding begaan op 5 februari 2021, in staat van herhaling (artt. 29, § 3 en 38, § 6 Wegverkeerswet). Hem werd een geldboete van 800 euro en een rijverbod van drie maanden opgelegd, waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk werd gemaakt van de twee herstelexamens en de twee herstelproeven, vermeld in artikel 38, § 3 Wegverkeerswet. Op verzet van eiser, ingesteld op 27 april 2023, heeft de politierechtbank afd. Antwerpen het verzet niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid. Tegen dit vonnis stelde eiser op 26 juni 2023 hoger beroep in. Zijn raadsman voerde als grief aan ‘procedure’, met als toevoeging ‘verzet ten onrechte onontvankelijk gelet op misleidende, onvolledige en derhalve onbehoorlijke kennisgeving van het rijverbod’ (st. 10).
- Het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen, afd. Antwerpen, van 19 januari 2024, heeft op tegenspraak het vonnis van niet-ontvankelijk verzet bevestigd. De appelrechters stellen vast dat de veroordeling bij verstek op 11 juni 2022 regelmatig aan de beklaagde in persoon werd betekend, met kennisgeving van de rechten van de persoon die in België bij verstek veroordeeld werd. Verder werd aan eiser in persoon op 30 januari 2023 een kennisgeving betekend betreffende het verval van het recht tot sturen, overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet. Deze kennisgeving bevat volgens het vonnis de vermelding “Indien u bij verstek werd veroordeeld: u heeft het recht om verzet aan te tekenen binnen de 15 dagen na huidige kennisgeving via gerechtsdeurwaardersexploot of verklaring aan de gevangenisdirecteur van de strafinrichting bij de rechtbank waar het verstek werd uitgesproken”. Het bestreden vonnis nam aan dat het recht op toegang tot de rechter redelijkerwijze werd gevrijwaard en oordeelt: “Uit de stukken van het dossier blijkt aldus dat eiser op 11 juni 2022 persoonlijk kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis en een tweede maal op 30 januari
- Het verzet werd pas aangetekend bij akte van 27 april 2023 en derhalve niet binnen de termijnen van artikel 187 van het Wetboek van Strafvordering, zodat het verzet dan ook laattijdig is”.
- Eiser voert in cassatie een schending aan van de artikelen 187, § 1 Sv., 40 Wegverkeerswet, 10, 11 en 149 Grondwet en 6 EVRM. Het eerste onderdeel stelt dat wat in de kennisgeving van het verval tot sturen is aangegeven misleidend is en niet voldoet aan de verplichting die voortvloeit uit art. 6 EVRM over het verstrekken van betrouwbare informatie over de aan te wenden rechtsmiddelen, zoals omschreven door het Europees Hof te Straatsburg in zijn arresten Hakimi t/België van 29 juni 2010 (§ 35-36) en Faniel t/België van 1 maart 2011 (§ 58-59). De kennisgeving vermeldt immers dat het vonnis ‘definitief is’ en tegelijk dat eiser beschikt over een recht om verzet aan te tekenen. Het tweede onderdeel voert aan dat de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen de termijn voor verzet niet doet lopen, omdat eiser op dat moment geen kennis had van de inhoud van het verstekvonnis dat deze straf oplegt. De termijn van verzet kan alleen aanvangen vanaf het moment dat eiser effectief kennis kreeg van de beslissing zelf waartegen hij een rechtsmiddel wil instellen. Bij gebrek aan een regelmatige kennisgeving over het rijverbod had de correctionele rechtbank het verzet tegen de veroordeling bij verstek ontvankelijk moeten verklaren.
- Beoordeling. Artikel 187, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen”. Artikel 40, Wegverkeerswet stelt: “Elk verval dat als straf is uitgesproken, gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan. Zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn in deze termijn niet inbegrepen” (eerste lid) en “In geval van veroordeling bij verstek, wordt bij de in het eerste lid bedoelde kennisgeving melding gemaakt van de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering” (vierde lid).
- Indien de veroordeling bij verstek is betekend aan de persoon van de beklaagde, loopt alleen de gewone termijn van verzet, beginnend de dag na de betekening van de veroordeling
(1). Voorwaarde is wel dat de betekening regelmatig is. Eén van de formele vereisten is dat aan de akte van betekening de nodige informatie is gevoegd over de termijnen en vormvereisten om verzet en andere rechtsmiddelen in te stellen
(2). Indien de nodige informatie over het verzet is verstrekt bij de betekening van de verstekbeslissing aan de persoon van de beklaagde, kan de beklaagde alleen ontvankelijk verzet instellen binnen een termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de dag na die betekening, behoudens overmacht (art. 187, § 5, 1° Sv.)
(3). 6. Wanneer in verkeerszaken de veroordeling bij verstek tot verval van het recht tot sturen niet aan de persoon van de beklaagde is betekend, kan de rechter beslissen dat buitengewone termijn van verzet een aanvang neemt vanaf de dag na kennisgeving van het rijverbod. Voorwaarde is dat deze kennisgeving duidelijk de datum van de betekening van de concreet aangegeven verstekbeslissing vermeldt en de beklaagde effectief de nodige informatie ontving over zijn rechten om rechtsgeldig verzet te kunnen aantekenen
(4). In geval de veroordeling bij verstek tot een rijverbod geldig aan de beklaagde in persoon is betekend, doorgaans overeenkomstig artikel 33 Ger.W. of artikel 645 Sv., met daarbij de nodige informatie over het instellen van verzet, lijkt mij de gewone termijn van verzet te lopen vanaf de dag na die betekening. De rechter moet dan niet meer nagaan of de latere kennisgeving van het rijverbod, op basis van artikel 40 Wegverkeerswet, voldoende duidelijke informatie bevat over het aanwenden van rechtsmiddelen. Die kennisgeving is m.i. wel van belang, voor de start van de gewone termijn van verzet, als de eerdere akte van betekening van de verstekbeslissing geen concrete informatie vermeldt over de termijnen en vormvereisten van rechtsmiddelen, of die informatie onduidelijk zou zijn. Deze informatie kan dan worden verstrekt in de latere kennisgeving van rechten op basis van artikel 40 Wegverkeerswet, met als gevolg dat de gewone termijn van verzet in deze situatie ingaat de dag na die kennisgeving.
- Het middel bekritiseert niet de regelmatigheid van de betekening van het verstekvonnis aan de persoon van de beklaagde op 11 juni 2022, met kennisgeving van de rechten waarover een bij verstek veroordeelde beklaagde beschikt. Het bestreden vonnis neemt aan dat eiser reeds op die datum van betekening bij exploot op voldoende duidelijke wijze is geïnformeerd over de wijze en de termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden (p. 4). Mij komt voor dat de correctionele rechtbank met hoger vermelde redenen wettig heeft geoordeeld dat het verzet ingesteld op 27 april 2023 laattijdig en onontvankelijk is, omdat het is ingesteld meer dan 15 dagen na de dag van de regelmatige betekening van het verstekvonnis aan de persoon van de beklaagde. Het middel dat opkomt tegen een mogelijke onregelmatigheid van de latere kennisgeving van het rijverbod, overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet, kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is aldus niet-ontvankelijk.
- In ondergeschikte orde, voor zover het Hof het middel ontvankelijk acht, meen ik wat betreft het eerste onderdeel te kunnen verwijzen naar uw rechtspraak over het verstrekken van informatie over rechtsmiddelen aan de bij verstek veroordeelde beklaagde. Uw Hof nam aan dat de rechter het verzet tegen een verstekvonnis maar onontvankelijk kan verklaren wegens laattijdigheid, indien vaststaat dat de betrokkene behoorlijk werd ingelicht over de termijn om verzet aan te tekenen. Hij oordeelt onaantastbaar of dit het geval is, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(5). Het Grondwettelijk Hof nam aan dat het recht op een eerlijk proces niet enkel vereist dat de mogelijkheden en de termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekende ter kennis worden gebracht
(6). 9. In zaak P.22.0652.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 over verzet in de buitengewone termijn kwam het probleem aan de orde van een kennisgeving van het rijverbod aan een veroordeelde beklaagde, waarbij in het formulier in vette druk werd gesteld dat “Wijzigingen aan de uitspraak van het rijverbod NIET mogelijk (zijn)” en onderaan, in een klein lettertype was vermeld: “Tevens werd de veroordeelde eraan herinnerd dat: (…) c) Hij/zij tegen een veroordeling bij verstek het rechtsmiddel van verzet kan aantekenen binnen de vijftien dagen na huidige kennisgeving via gerechtsdeurwaardersexploot of verklaring aan de gevangenisdirecteur van de strafinrichting bij de rechtbank waar het verstek werd uitgesproken.” Het Hof verwierp op 11 oktober 2022 het argument van de beklaagde over een ongeldige kennisgeving omdat de appelrechters wettig hebben geoordeeld dat de vermelding over de termijnen en vormvereisten van het verzet in ‘voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen is opgesteld’ en ‘de kennisgeving in haar geheel beschouwd niet misleidend is’. De kennisgeving op 17 mei 2021 van het verstekvonnis bevatte de nodige informatie over het verzet tegen het verstekvonnis van 26 oktober 2020, waardoor het door de eiser op 25 oktober 2021 ingestelde verzet laattijdig is en niet ontvankelijk is
(7). Het bestreden vonnis dat met verwijzing naar dit arrest van uw Hof de vermeldingen in de “kennisgeving met het oog op tenuitvoerlegging van een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig” beschouwt als opgesteld in “voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen”, die elke twijfel wegneemt die bij een leek zou kunnen rijzen bij het lezen van de kennisgeving, lijkt mij naar recht verantwoord, zodat (in tweede orde) het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen. 10. Voor het tweede onderdeel kan in ondergeschikte orde worden aangebracht dat het aspect van kennisgeving van de betekening van het verstekvonnis, als startpunt voor de termijn van verzet, alleen geldt voor de buitengewone termijn van verzet (art. 187, § 1 Sv.). In deze zaak is de buitengewone termijn niet aan de orde, omdat zowel de betekening van het verstekvonnis als kennisgeving van rechten naar aanleiding van een rijverbod bij verstek gebeurde aan de persoon van de beklaagde. Overigens stelde het Hof, op 14 mei 2024, dat deze kennisgeving, gedaan bij toepassing van artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet, waarbij aan de bij verstek veroordeelde beklaagde wordt meegedeeld dat hij door een welbepaalde verstekbeslissing op grond van welbepaalde bewezenverklaarde verkeersmisdrijven tot een verval van het recht tot sturen werd veroordeeld, deze beklaagde in staat stelt “om met de nodige kennis van zaken de opportuniteit te beoordelen om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden en hiertoe de nodige stappen te ondernemen”
(8). In die visie faalt het tweede onderdeel naar recht. 11. Voor het overige lijken mij de ingeroepen artikelen 10 en 11 Grondwet over het gelijkheidsbeginsel en artikel 149 Grondwet over de motiveringsplicht van de rechter vreemd aan de aangevoerde grief over het recht op een eerlijk proces en de voorwaarden waaraan een kennisgeving van procesrechten moet voldoen. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. Er is m.i. geen reden tot het aanvoeren van een ambtshalve middel in cassatie. Besluit. Verwerping. __________________________________
(1)M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1662 en 1666; K. VEECKMANS, “Informatieplicht tijdens de buitengewone verzetstermijn”, T. Strafr. 2021, 222; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL&SVACINA 2022, 1428-1429. De bij verstek veroordeelde partij moet evenwel niet af wachten tot de betekening om geldig verzet aan te tekenen (M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, o.c., 1661).
(2)Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11, AC 2024, nr. 375; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0652.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2, AC 2022, nr. 619; Cass. 28 november 2018, AR P.18.0809.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181128.3, AC 2018, nr. 673, RABG 2019, 1130 noot E. VAN DOOREN Cass. 23 februari 2011, AR P. 10.2047.F, AC 2011, nr. 161.
(3)A. WINANTS, “Potpourri II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken”, NC 2016, 333-334; D. VANDERMEERSCH, “Les voies de recours après la loi Pot pourri II” in La loi Pot-pourri II. Un an après, Larcier 2017, 241; D. HOLZAPFEL, “Appel et opposition: les voies de recours ordinaires à l’encontre des décisions des juridictions de fond en matière pénale”, in Droit de la procédure pénale, Kluwer 2021, 4-7; P. HOET, “Gewoon en buitengewoon verzet versus verjaring van de straf en van de strafvordering”, T. Strafr. 2021, 106-107; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1660; K. VEECKMANS, “Informatieplicht tijdens de buitengewone verzetstermijn”, T. Strafr. 2021, 221-225; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GOMPEL& SVACINA 2022, 1429.
(4)Over dit aspect zie Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11, AC 2024, nr. 375; Cass. 28 november 2023, AR P.23.1132.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4, AC 2023, nr. 784; Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1192.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.15, AC 2023, nr. 680; Cass. 3 januari 2023, AR P.22.1390.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9, AC 2023, nr. 3; Cass. 22 juni 2021, AR P.21.0480.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20, AC 2021, nr. 469.
(5)Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11, AC 2024, nr. 375; Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1192.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.15, AC 2023, nr. 680; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0652, AC 2022, nr. 619; Cass. 22 maart 2022, AR P.21.1502.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13, AC 2022, nr. 209 met concl. OM; Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0327.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0148.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4, AC 2020, nr. 302; Cass. 26 november 2019, AR P.19.0556.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10, AC 2019, nr. 624; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0490.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2, AC 2017 nr. 428; Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., T. Strafr. 2016, 236 noot T. DECAIGNY; Cass. 23 februari 2011, AR P.10.2047.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2, AC 2011, nr. 161, T. Strafr. 2011, 207 noot C. VAN DEUREN, RW 2012-13, 216 noot BDS; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure 2021, 1664.
(6)GwH 11 oktober 2018, arrest 13/2018, B.14.4, www.const-court.be.
(7)Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0652.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2, AC 2022, nr. 619. In dezelfde zin Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11, AC 2024, nr. 375, (in deze laatste zaak had het bestreden vonnis ook aangenomen: “Elke mogelijke twijfel die bij een leek zou kunnen rijzen bij het lezen van de kennisgeving over de mogelijkheid om nog een rechtsmiddel aan te wenden tegen het betreffende vonnis, wordt met de hierboven aangehaalde duidelijke vermelding aan het einde van de kennisgeving volledig weggenomen. Dat er geen mogelijkheid tot het aantekenen van hoger beroep werd vermeld, is logisch aangezien er geen buitengewone termijn voor hoger beroep bestaat. In casu is dit ook niet relevant aangezien de eiser verzet heeft aangetekend.”)
(8)Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11, AC 2024, nr.
- Zie ook K. VEECKMANS, “Informatieplicht tijdens de buitengewone verzetstermijn”, T. Strafr. 2021, 222-
- PDF document ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181128.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div